ECLI:NL:GHARL:2025:8418

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/1159
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en waardevermindering van een personenauto

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende, een V.O.F., tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De zaak betreft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 1.349, die aan belanghebbende was opgelegd. De rechtbank had het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur ongegrond verklaard. Belanghebbende had een gebruikte Volkswagen Passat gekocht in Duitsland en aangifte gedaan voor de BPM, waarbij gebruik werd gemaakt van een taxatierapport. De Inspecteur had de naheffingsaanslag gebaseerd op een lagere handelsinkoopwaarde dan belanghebbende had opgegeven. Het Hof oordeelde dat de historische nieuwprijs van de auto correct was vastgesteld op € 48.398 en dat de waardevermindering door meer dan normale gebruiksschade aannemelijk was gemaakt. Het Hof heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.025 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.275. Tevens is het betaalde griffierecht vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1159
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] V.O.F.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 maart 2023, nummer AWB 22/97, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 1.349.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Het tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. [naam1] , bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam4] en mr. [naam5] .
1.6.
Van verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 20 oktober 2020 in Duitsland een gebruikte personenauto gekocht van het merk Volkswagen, type Passat Variant 2.0 TDI (de auto).
2.2.
De auto is op 15 april 2019 voor het eerst toegelaten op de openbare weg. De (historische) bruto BPM voor de auto bedraagt € 9.337 (tarief 2019). De CO2 uitstoot van de auto bedraagt 115 gr/km.
2.3.
Op 27 oktober 2020 is de auto geïnspecteerd en getaxeerd door [naam6] , Registertaxateur, verbonden aan [bedrijf1] B.V.
2.4.
De taxateur heeft op basis van zijn bevindingen op 27 oktober 2020 dezelfde dag een expertise-rapport (het taxatierapport) van de auto opgesteld. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van de auto van 28.285. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft de taxateur op basis van de koerslijst XRay en referentievoertuigen bepaald € 17.328. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de onderhavige auto als volgt berekend:
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd) volgens koerslijst XRAY; rental: ja
17.328
Af: gecalculeerde schade
5.245
Bij: correctie cf. XRAY matrix
225
Af: correctie ‘geen oordeel’ kilometerstand
2.5
-/- 7.295
Handelsinkoopwaarde na correctie
10.033
2.5.
Op 28 oktober 2020 is de auto goedgekeurd door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW).
2.6.
Belanghebbende heeft ter zake van de auto op 30 oktober 2020 aangifte voor de BPM gedaan. Dit met het oog op het doen registreren van de auto in het Nederlandse kentekenregister.
2.7.
Bij de aangifte heeft belanghebbende op de voet van artikel 10, achtste lid, Wet BPM jo. artikel 8, vierde lid, aanhef en onderdeel b, Uitvoeringsregeling BPM gebruik gemaakt van het taxatierapport. De vermindering van de BPM is berekend door op de gehanteerde historische nieuwprijs bij verkoop van € 48.398 de getaxeerde inkoopwaarde in Nederland van € 10.033 in mindering te brengen, zodat een werkelijke afschrijving van € 38.365 ontstaat, ofwel een afschrijving van 79,27 %.
2.8.
Belanghebbende heeft op 25 juni 2020 een bedrag van € 1.935 aan BPM (€ 9.337 x 0,2073) op aangifte voldaan.
2.9.
Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) heeft belanghebbende uitgenodigd om de auto op 5 november 2020 te tonen aan een medewerker van DRZ aan welk verzoek belanghebbende heeft voldaan. DRZ heeft op 5 november 2020 ter zake daarvan een rapport Onderzoek waardebepaling opgemaakt. De bruto schadecalculatie van DRZ bedraagt nilhil. DRZ merkt daarover in het Onderzoek waardebepaling onder meer op:
“Met uitzondering van het ontbreken van een nederlands boekenpakket zijn alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade worden aangemerkt. Hierdoor wordt er enkel voor het ontbreken van een Nederlands boekenpakket waardevermindering aan het voertuig toegekend.”
2.10.
DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst XRay (rental) bepaald op € 16.944, bij een door DRZ in aanmerking genomen historische nieuwprijs van de auto van € 47.910. Deze historische nieuwprijs is bepaald op basis van Nederlandse referentievoertuigen met een CO2 uitstoot van 114 gr/km. De (theoretische) handelsinkoopwaarde in van de auto vervolgens vastgesteld op € 16.944 -/- € 85 (boekenpakket) = -/- € 16.859.
2.11.
Met dagtekening 12 maart 2021 heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd, berekend op basis van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 16.944 verminderd met € 85 vanwege het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket, ofwel € 16.859 een historische nieuwprijs van de auto van € 47.910 en een historische bruto BPM bedrag van € 9.337.
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
47.91
Handelsinkoopwaarde (cf. DRZ)
16.859
Afschrijving
64,82 %
Historische bruto BPM
9.337
Afschrijving (64,82%)
-/- 6.053
Verschuldigde BPM
3.284
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 1.935
Naheffing
1.349
2.12.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
2.13.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat zowel het taxatierapport van belanghebbende als het rapport van DRZ als bewijsmiddel kan dienen voor de door partijen ingenomen standpunten. De Rechtbank heeft vervolgens belanghebbende niet gevolgd in diens stelling dat de historische nieuwprijs van de auto dient te worden vastgesteld op basis van de op de hogere CO2 uitstoot van de auto (115 gr/km in plaats van 114 gr/km) gebaseerde bruto BPM. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit de door belanghebbende overgelegde overzichtsfoto’s geen meer dan normale gebruikersschade volgt, en dat belanghebbende evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat voor de onderhavige auto een waardevermindering in acht moet worden genomen voor het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto. Wel heeft de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding voor geleden immateriële schade wegens termijnoverschrijding toegekend van € 500 en een proceskostenvergoeding van € 837 en tevens gelast dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep opnieuw dat voor het berekenen van de vermindering (afschrijving) ingevolge artikel 10, lid 2, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna Wet BPM) de historische nieuwprijs van de auto door de Inspecteur onjuist is vastgesteld, de handelsinkoopwaarden van de auto moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade schade en vanwege de omstandigheid dat de auto is afgeleverd met winterbanden en het ontbreken van een oordeel van de RDW over de juistheid van de kilometerstand. Nu de Inspecteur bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde reeds is uitgegaan van de koerslijst Xray (rental), dient het door belanghebbende gestelde bedrag van de waardevermindering te worden gecorrigeerd met de kosten van “Autoklaar maken ex-rental”, aldus belanghebbende. Belanghebbende staat daarom een waardevermindering voor van € 5.245 -/- € 1.193 -/- € 225 = € 3.827 alsmede een waardevermindering vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto ten bedrage van € 2.500.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf: gebreken in het taxatierapport
4.1.
Artikel 8, lid 4, letter b, in samenhang met bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, stelt eisen aan een taxatierapport, waaronder de voorwaarde dat het taxatierapport is voorzien van een verklaring van de taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname. Ook dient een kopie van de inkoopfactuur van de te registreren auto te worden toegevoegd.
4.2.
De Inspecteur stelt dat de taxateur de voor de auto’s opgegeven waarden niet naar waarheid heeft vastgesteld en dat van een gedegen fysieke opname geen sprake is geweest. Ter onderbouwing hiervan heeft de Inspecteur erop gewezen dat het tijdstip waarop de foto’s zijn gemaakt (10:48 uur) niet strookt met het tijdstip waarop de fysieke opname van de auto’s zou hebben plaatsgevonden (22:21 – 22:51 uur). Volgens de Inspecteur is het bovendien niet mogelijk om in de gestelde duur van de fysieke opname (30 minuten) alle aspecten van de auto (goed) op te nemen en 94 foto’s te maken.
4.3.
Het Hof stelt vast dat het taxatierapport niet is voorzien van een (letterlijke) verklaring van de taxateur dat de opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname. Het acht Hof acht het ontbreken van die verklaring echter van onvoldoende gewicht om het taxatierapport in zijn geheel terzijde te schuiven. Dat geldt ook voor de door de Inspecteur gestelde overige gebreken in de taxatierapporten. Bovendien behoort de inkoopfactuur van de auto tot de stukken van het geding.
4.4.
Voor zover in het taxatierapport gebreken zitten, kunnen die gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Het Hof zal hierna de inhoud van belanghebbendes taxatierapport wat betreft de gestelde schade en waardedruk aan een beoordeling onderwerpen. (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3910)
Historische nieuwprijs
4.5.
Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto berekend door het bedrag van de netto catalogusprijs (inclusief opties) ad € 32.282 te vermeerderen met 21% omzetbelasting en de op 115 CO2 gr /km gebaseerde historische bruto BPM ad € 9.337. De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat bij het bepalen van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de (lagere) historische bruto BPM van de referentie-auto welke een CO2 uitstoot heeft van 114 gr/km.
4.6.
In zijn arrest van 22 december 2023, nr. 202/00137, ECLI:NL:HR:2023:1703 overwoog de HR Raad onder meer:
“3.2.4
Bij de beide hiervoor in 3.2.3 omschreven methoden [Hof: koerslijstmethode en taxatiemethode] wordt het afschrijvingspercentage volgens de Wet bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren motorrijtuig en het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen.”
Het gelijk op dit punt is derhalve aan belanghebbende, zodat in deze procedure dient te worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 48.398.
Schade/waardevermindering
4.7.
De door belanghebbende gestelde waardevermindering is als volgt samengesteld:
Instapdorpel € 25,00
Arbeidsloon in-uitbouw, uitdeuken € 487,20
Spuitwerkzaamheden € 2.280,42
Correctie winterbanden € 218,00
Nederlands boekenpakket € 85,00
Milieutoeslag
€ 67,16
€ 3.162,78
BTW 21%
€ 664,18
€ 3.826,98
Geen oordeel RDW kilometerstand
€ 2.500,00€ 6.326,98
4.8.
De bewijslast met betrekking tot de waardevermindering, in de omvang als door belanghebbende gesteld, rust op belanghebbende. Dit betekent dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat, en in welke omvang, de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en in hoeverre het onthouden van een oordeel over de betrouwbaarheid van de kilometerstand van de auto door de RDW leidt tot een waardevermindering van de auto.
4.9.
Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn stellingen verwezen naar het taxatierapport, het daarin opgenomen uitgebreide fotomateriaal en de ter zitting van het Hof door [naam2] gegeven toelichting.
4.10.
Op grond van het tot het dossier behorende fotomateriaal en de ter zitting daarop gegeven toelichting en mede gelet op de leeftijd en de kilometerstand van de auto, acht het Hof meer dan normale gebruiksschade aanwezig op de portieren en de bumpers van de auto. Voor zover belanghebbende daarnaast nog meer niet-normale gebruiksschade heeft gesteld acht het Hof dat niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor is het gepresenteerde fotomateriaal op die onderdelen ook met inachtneming van de gegeven toelichting te weinig concludent.
4.11.
Nu naar het oordeel van het Hof sprake is van meer dan normale gebruiksschade stond het belanghebbende vrij aangifte te doen op basis van de taxatiemethode.
4.12.
Zoals overwogen in onderdeel 4.10 heeft belanghebbende in het taxatierapport evenwel voor een deel ook normale gebruiksschade aangemerkt als waardeverminderend. Ook kan uit de door belanghebbende in het taxatierapport opgenomen schade-calculatie niet één-op-één worden afgeleid wat de herstelkosten zijn van de door het Hof aannemelijk geachte meer dan normale gebruiksschade op de portieren en de bumpers. Op basis van de door belanghebbende overgelegde schadecalculatie en met inachtneming van een waardevermindering van de auto vanwege het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket acht het Hof in totaal een waardevermindering van € 1.600 aannemelijk gemaakt.
4.13.
Belanghebbende stelt dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand, reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 2.500. Bij verwijst daartoe naar het taxatierapport.
4.14.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22).
4.15.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand dat niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto’s. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel’ kilometerstand aannemelijk te maken.
4.16.
Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde waardevermindering van de auto in verband met het ontbreken van zomerbanden heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto in afwijking van de VIN-informatie van de fabrikant, niet over vierseizoenenbanden (215/60 R16 95V) beschikte. Van een waardevermindering door aankoop van de auto op winterbanden is daarom geen sprake.
4.17.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.10 tot en met 4.16 is overwogen acht het Hof, rekening houdend met hetgeen hiervoor ten aanzien van de staat van de auto en de overige omstandigheden is overwogen, een inkoopwaarde van de auto in beschadigde staat aannemelijk gemaakt van € 16.944 -/- € 1.600 = € 15.344.
4.18.
Op basis van een historische nieuwprijs van de auto van € 48.398 (4.6) een historische bruto BPM bedrag van € 9.337 en een handelsinkoopwaarde van de auto van € 15.344 bedraagt de voor de auto verschuldigde BPM: (€ 15.344 : € 48.398) x € 9.337 = € 2.960. Belanghebbende heeft op aangifte voldaan een bedrag van € 1.935, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 2.960 -/- € 1.935 = € 1.025.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 647 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift) x wegingsfactor 1 x € 647), € 1.814 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 907) en € 1.814 voor de kosten in hoger beroep
(2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 907), ofwel in totaal op € 4.275.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 1.025,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.275,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 360 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 548 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (M.G.J.M. van Kempen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.