ECLI:NL:GHARL:2025:8012

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
21-003355-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Overijssel inzake verwerving en verspreiding van niet-openbare toetsgegevens

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel. De verdachte is veroordeeld voor het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl hij wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, gedurende de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022, op meerdere tijdstippen niet-openbare toetsgegevens van de Hogeschool [naam 1] heeft verworven en deze ter beschikking heeft gesteld aan medestudenten, met het oog op winstbejag. De rechtbank had eerder een taakstraf van 140 uren opgelegd, die bij niet-nakoming vervangen zou worden door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaren. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de strafmaat aangepast, waarbij het hof de taakstraf heeft vastgesteld op 140 uren en de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gehandhaafd. Tevens is de in beslag genomen iPad en iPhone verbeurd verklaard. De benadeelde partij, Hogeschool [naam 1], heeft een schadevergoeding van € 62.148,79 gevorderd, waarvan het hof een bedrag van € 17.148,79 heeft toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof heeft geoordeeld dat er sprake was van een schending van artikel 8 EVRM, maar dat dit geen nadelige gevolgen voor de verdachte heeft gehad, waardoor bewijsuitsluiting niet aan de orde was.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003355-23
Uitspraakdatum: 12 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2023 met parketnummer 08-034551-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzitting van het hof van 28 november 2025 en wat op de terechtzitting van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2023 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren;
  • verbeurdverklaring van de in beslag genomen iPad en iPhone;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 33.397,81, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.L.A.N. Weusthof, en de heer [naam 7] , namens de benadeelde partij, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld voor het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren. Verder heeft de rechtbank de in beslag genomen iPad [1] en iPhone [2] verbeurdverklaard. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 62.148,79 geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen omdat het tot een andere strafmotivering en beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland niet-openbare gegevens, te weten een groot aantal opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1]
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen en/of hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland niet-openbare gegevens, te weten een groot aantal opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] ,
- ter beschikking van een ander, zijnde leerlingen van het [naam 1] , heeft gesteld en/of
- aan een ander, zijnde leerlingen van het [naam 1] bekend heeft gemaakt en/of
- uit winstbejag voorhanden heeft gehad en/of
- heeft gebruikt door de toets aan studenten te verstrekken voordat de betreffende toets zou worden afgenomen terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het bewijs dat is verkregen door middel van het onderzoek aan de in beslag genomen iPad en iPhone uitgesloten moet worden van het bewijs in deze strafzaak. Uit het dossier blijkt dat de twee gegevensdragers met toestemming van de officier van justitie wat een periode van achttien maanden betreft volledig zijn uitgelezen en gekopieerd. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 (één van de Smartphonearresten) [3] en de post-Landeck jurisprudentie [4] was hiervoor voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist vanwege de inbreuk die dit oplevert op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dit is in onderhavige zaak niet gebeurd. Daarom is sprake van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dit levert een vormverzuim op dat tot gevolg dient te hebben dat het door voornoemd onderzoek verkregen bewijs van het bewijs in onderhavige strafzaak moet worden uitgesloten. Nu het dossier voor het overige alleen nog belastend bewijs bevat in de vorm van verdachtes verklaring op de zitting in hoger beroep en de verklaring van medeverdachte Winkelaar dient verdachte vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit. Uit deze verklaringen volgt namelijk niet hoeveel toetsen er exact zouden zijn verstrekt aan verdachte en over welke periode dat zou zijn gebeurd, en of verdachte de toetsen ook daadwerkelijk ontving, en dus voorhanden had.
Oordeel van het hof [5]
Verweer omtrent vormverzuim
Juridisch kader
Het hof stelt met betrekking tot voornoemd standpunt van de raadsvrouw voorop dat uit de Smartphone-arresten [6] kan worden afgeleid dat een getrapte bevoegdheidstoedeling bestond voor het kunnen verrichten van onderzoek aan gegevensdragers zoals een smartphone of computer. Deze kwam er op neer dat dat onderzoek kon worden verricht door een opsporingsambtenaar, als vooraf was te voorzien dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kon worden beschouwd. Als vooraf was te voorzien dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, kon het onderzoek alleen maar door of namens de officier van justitie worden verricht. Wanneer vooraf was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, kon het onderzoek alleen maar door of namens de rechter-commissaris worden verricht.
De Hoge Raad heeft echter in het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie [7] aanleiding gezien om de rechtspraak uit de Smartphone-arresten enigszins bij te stellen. [8] Een en ander houdt – voor zover van belang voor onderhavige zaak – in dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt een voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris is vereist. Hierbij geldt verder dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens). [9]
Toegepast op onderhavige zaak
In het licht van hiervoor genoemde juridisch kader stelt het hof met de raadsvrouw vast dat het hier gaat om een uitvoerig en intensief onderzoek van de iPhone en iPad van verdachte. Uit het dossier blijkt dat voor een langere periode data van de twee gegevensdragers gekopieerd is. Deze data is vervolgens onderzocht. Dit onderzoek omvatte onder andere onderzoek naar de foto’s, de berichten via WhatsApp, de e-mailaccounts, de berichten via Facebook Messenger, de berichten via Snapchat en de berichten via overige chats, de notities en de user-accounts op de iPhone en iPad van verdachte. [10] Dit onderzoek moet naar het oordeel van het hof, ook al in het bevoegdheidsverdelingsmodel zoals dat uit de Smartphone-arresten blijkt, aangemerkt worden als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte waarvan op voorhand voorzienbaar was dat deze zeer ingrijpend zou zijn.
Dit brengt met zich mee dat er naar het oordeel van het hof voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist was voor het uitvoeren van het onderzoek zoals door dit door de verbalisanten is gedaan. Met de raadvrouw stelt het hof vast dat deze toestemming niet is verleend. Het dossier vermeldt namelijk alleen maar dat het onderzoek plaatsvond ‘met toestemming van de officier van justitie’. [11] Door het ontbreken van de voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris voor het uitvoeren van voornoemd onderzoek aan de iPhone en de iPad is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Dit levert een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op.
Bij de bepaling of aan deze schending ook enig rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof onder andere beoordelen of het aannemelijk is dat verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden. In dit kader overweegt het hof dat ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zodanig onder omstandigheden een voldoende concreet nadeel kan opleveren. In beginsel is hiervan in het onderhavige geval sprake. Aan de andere kant is in de onderhavige zaak sprake van een verdenking van een ernstig en omvangrijk strafbaar feit met een overwegend digitale component. Zou de rechter-commissaris vooraf om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de iPhone en iPad van verdachte zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte niet in een nadeliger positie is geraakt door het vormverzuim. Daarom komt het hof tot het oordeel dat enige compensatie, in de vorm van bewijsuitsluiting of strafvermindering, niet aan de orde is gelet op het ontbreken van nadeel bij verdachte ten gevolge van het vormverzuim. Het hof zal daarom volstaan met de constatering van het vormverzuim.
Bewijsoverweging
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof, in tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dit bewijs is hieronder in voetnoten uitgewerkt. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier blijkt dat [benadeelde] namens Stichting [naam 1] op 4 februari 2022 aangifte heeft gedaan van het zonder toestemming van [naam 1] beschikbaar stellen en verspreiden van toetsen. [12] Op 1 december 2021 heeft een oud-student van [naam 1] bij [naam 1] een melding gedaan dat er signalen waren dat een medewerker van het toetsbureau van [naam 1] toetsen heeft verkocht. De melder wilde anoniem blijven, maar de identiteit van de melder is bekend bij [naam 1] . De melder heeft gezegd signalen te hebben opgevangen dat er een student is die contacten heeft bij het toetsbureau van [naam 1] waar hij op bestelling toetsen kan kopen voor € 200,00 per toets. De student verkoopt de toetsen vervolgens door aan andere studenten. Ook heeft de melder gezegd dat er in ieder geval drie personen bij betrokken zijn. Naast de medewerker van het toetsbureau zou het hierbij om (twee of minstens) één tussenhandelaar gaan die ook student is bij [naam 1] . [13]
[naam 1] heeft naar aanleiding van de melding intern onderzoek laten verrichten door het recherchebureau [naam 3] . Op 24 december 2021 zijn daarop de mailboxen van de medewerkers werkzaam hij het toetsbureau veiliggesteld. Op 24 januari 2022 heeft nog een oud-student van [naam 1] een melding gedaan. Deze tweede melder heeft gehoord dat er toetsen werden verkocht door een medewerker van het toetsbureau. De toetsen werden digitaal beschikbaar gesteld door de inlogcodes van een hotmailadres te geven en de toets kon vervolgens vanaf dat hotmailaccount worden gedownload. Dit alles zou al spelen sinds het derde of vierde kwartiel van het studiejaar 2020-2021. [14]
[naam 1] heeft beide melders nagetrokken en geconcludeerd dat beiden als zeer betrouwbaar moeten worden aangemerkt. [15]
Na het doorzoeken van de mailboxen heeft [naam 3] ontdekt dat e-mails vanuit de privé e-mail en WhatsApp van medeverdachte [naam 2] (hierna: [naam 2] ) naar zijn [naam 1] -account worden gestuurd. De inhoud van deze e-mails en Whatsappberichten bestaan uit vragen van derden naar de beschikbaarheid van toetsen en of zij die kunnen krijgen. [naam 2] was medewerker van het toetsbureau van [naam 1] en vanuit zijn functie had hij toegang tot alle toetsen die in het toetsenopslagsysteem (hierna: TOS) zijn opgeslagen. [naam 2] had geen toestemming om die informatie te delen met anderen. De informatie was alleen voor hem beschikbaar voor zover hij deze nodig had voor het uitoefenen van zijn functie. Een medewerker van het toetsbureau doet inhoudelijk niets met de toets, maar zorgt ervoor dat de toets die door docent is geüpload en opgeslagen in het TOS wordt geprint. [16] Uit screenshots van WhatsAppchats die [naam 2] vanaf zijn privé e-mailadres naar zijn [mail] heeft gestuurd, komt naar voren dat hij heeft gechat met verdachte en met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). [17] Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde feit student bij [naam 1] . [18] [medeverdachte] was oud-student van [naam 1] . [19] In WhatsAppchats vragen verdachte en [medeverdachte] bij [naam 2] naar de beschikbaarheid van tentamens die nog niet zijn afgenomen. [20]
[naam 2] heeft verklaard dat hij werkzaam was bij het toetsbureau van [naam 1] en dat hij toen al anderhalf jaar op verzoek van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] toetsopgaven en volledige toetsen heeft overgenomen en aan hen heeft doorgegeven. [21] Beiden wisten dat [naam 2] werkzaam was bij [naam 1] en vanuit die functie toegang had tot de toetsen. [22] [naam 2] kreeg vaker verzoeken van verdachte dan van [medeverdachte] . [23] Hij kreeg dan een Whatsappbericht met toetscodes waarna hij keek of de toets beschikbaar was. Als dit het geval was, mailde hij de toets aan verdachte (of [medeverdachte] ) door. De toetsen werden via e-mail verstrekt. [naam 2] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment ook een vergoeding kreeg voor het geven van de toetsen aan verdachte. Voor overdracht van het geld spraken verdachten eerst nog af, maar later ging het via een kluisje in [naam 1] . Een kluisje dat je kunt gebruiken en vastzetten door een code die je zelf kunt instellen. Het geld werd in zo’n kluisje gelegd en [naam 2] kreeg de code door om het geld te innen. Gezien de hoeveelheid toetsen die verdachte van hem vroeg, wist [naam 2] dat de medeverdachten mogelijk meer personen hadden voor de toetsen die hij hem gaf. [24]
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij [naam 2] kende van voetbal. [25] Eerder had hij ook al verklaard dat hij gebruikt maakt van het nummer [telefoonnummer] . [26] In augustus 2020 heeft verdachte de iPhone waar dit nummer aan gekoppeld was, in gebruik genomen. [27] Uit onderzoek aan deze iPhone is naar voren gekomen dat verdachte ook gebruikmaakt van verschillende e-mailaccounts of user-accounts [28] . Deze waren grotendeelsverbonden aan zijn iPad, die ook in beslag is genomen en aan onderzoek is onderworpen. [29] Uit het onderzoek aan de iPhone van verdachte is naar voren gekomen dat verdachte via WhatsAppgesprekken veelvuldig toetsen (die nog moesten worden afgenomen) kocht bij [naam 2] en deze via WhatsApp (voor de toetsdatum) doorverkocht aan derden. [30] Het verkopen van de toetsen heeft verdachte in zoverre ook op de zitting in hoger beroep bekend. [31] Uit het dossier blijkt dat hij hierbij tevens gericht is geweest op het behalen van winst. Zo onderhandelde hij namelijk niet alleen over de prijs voor de toetsen [32] , maar hield hij in notities op zijn iPhone en iPad ook een administratie bij. Hierin stond aangegeven welke afnemer welke toets had afgenomen en of de afnemer hiervoor al had betaald of nog moest betalen. [33]
Het hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 in Nederland niet-openbare gegevens, te weten opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] , heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen en hij op meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2020 tot en met 14 februari 2022 in Nederland niet-openbare gegevens, te weten opgaven uit toetsen en/of volledige toetsen, toebehorend aan en/of in gebruik bij Hogeschool [naam 1] , ter beschikking aan leerlingen van het [naam 1] heeft gesteld en aan leerlingen van het [naam 1] bekend heeft gemaakt en uitwinstbejag voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt door de toets aan studenten te verstrekken voordat de betreffende toets zou worden afgenomen, terwijl hij, verdachte, wist dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen, meermalen gepleegd
en
het ter beschikking stellen van niet-openbare gegevens aan anderen, het bekendmaken van niet-openbare gegevens aan anderen, het uit winstbejag voorhanden hebben en het gebruiken van niet openbare gegevens, terwijl hij wist dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkrijgen en het meermalen voorhanden hebben van niet openbare gegevens, te weten toetsvragen en volledige toetsen. Tegelijkertijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen uit winstbejag voorhanden hebben, het gebruiken, het beschikbaar stellen en het bekendmaken aan anderen van die gegevens. Dit terwijl hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte verkreeg de (delen van de) toetsen van [naam 2] . [naam 2] had als medewerker van het toetsbureau van [naam 1] toegang tot die (delen van de) toetsen. Deze toetsen betroffen gegevens die alleen voor hem beschikbaar waren voor zover hij die nodig had voor het uitoefenen van zijn functie. Omdat verdachte wist dat [naam 2] toegang had tot de toetsen, vroeg hij gedurende een periode van anderhalf jaar steeds toetsen op bestelling van andere studenten op bij [naam 2] . Hiervoor ontving verdachte meestal een vergoeding van deze andere studenten. Verdachte ging hierbij professioneel te werk. Zo hield hij een administratie bij van de door hem geleverde toetsen en ontvangen betalingen. Ook werd over de tarieven voor de toetsen onderhandeld en leverde het afnemen van meerdere toetsen voor de afnemers zelfs voordeel op. De opgevraagde toetsen ontving hij via e-mail en gaf hij door. Het door hem aan [naam 2] verschuldigde bedrag - een fractie van het bedrag dat verdachte aan zijn afnemers vroeg - legde hij in een kluisje van de hogeschool waarvan hij de code doorgaf zodat [naam 2] het geld eruit kon halen. De handelswijze werd daarmee zeer lucratief voor verdachte. Pas na een melding van twee oud-studenten en onderzoek is het handelen van verdachte ontdekt.
Door zijn handelen heeft verdachte schade toegebracht aan [naam 1] Hogeschool en aan zijn medestudenten. [naam 1] heeft door verdachtes handelen de betrouwbaarheid van de toetsresultaten niet meer kunnen garanderen. Hierdoor ontstond de situatie dat [naam 1] toetsen ongeldig moest verklaren. Dit betekende voor de hierdoor getroffen studenten, ook de studenten die de toetsen op eigen kracht hebben gehaald, dat zij de toetsen opnieuw moesten doen. Een en ander heeft voor hen mogelijk voor studievertraging gezorgd. Bovendien heeft het handelen van verdachte tot gevolg dat de waarde die in de maatschappij aan de verkregen diploma’s van [naam 1] wordt toegekend, zou kunnen dalen, omdat het de reputatie van [naam 1] als hogeschool heeft aangetast.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 27 oktober 2025. Daaruit volgt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij vanwege het bewezenverklaarde handelen zijn studie niet meer af heeft kunnen maken bij [naam 1] . Hij heeft er daarom voor gekozen te gaan werken in de zorg als ambulante begeleider. Dit doet hij nog steeds. Hij wil wel graag alsnog zijn studie afmaken. Hij heeft zich daarvoor ingeschreven bij de hogeschool in Zwolle en hoopt vanaf februari 2026 in te kunnen stromen. Verdachte heeft verder al ruime tijd een vaste relatie en woont ook samen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij het uitvoeren van een eventuele taakstraf met zijn werk zou kunnen combineren.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank opgelegde straf gematigd dient te worden. Voor zover het hof niet over zal gaan tot bewijsuitsluiting vanwege dat wat de raadsvrouw hierboven ten aanzien van het vormverzuim vanwege de schending van artikel 8 EVRM heeft aangevoerd, moet dit leiden tot strafvermindering. Daarnaast is de redelijke termijn in hoger beroep geschonden.
Gelet op dat wat het hof hierover heeft overwogen ten aanzien van vorenbedoeld vormverzuim, is er geen aanleiding om op grond van het vormverzuim over te gaan tot strafvermindering.
Gelet hierop en op het hiervoor overwogene, met name gezien de grote rol die verdachte heeft gespeeld bij het ontstaan van de schade bij [naam 1] en zijn medestudenten, acht het hof de oplegging van een taakstraf van 160 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 80 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaren, in beginsel op zijn plaats.
Het hof stelt echter met de raadsvrouw vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep is overschreden. De termijn die voor de behandeling van de strafzaak in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 14 juli 2023 hoger beroep heeft ingesteld. Onderhavig arrest is op 12 december 2025 uitgesproken. Tussen deze twee data is een termijn van twee jaren en (afgerond) vijf maanden verstreken. Dit levert in hoger beroep een termijnoverschrijding van (afgerond) vijf maanden op. Op grond van vaste jurisprudentie inzake de schending van de redelijke termijn [34] dient deze overschrijding te worden gecompenseerd. Hierbij dient het hof rekening te houden met de duur van de overschrijding. Het hof ziet op grond hiervan aanleiding om een lagere taakstraf op te leggen dan het in beginsel passend had geacht.
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren.
Beslag
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen iPhone en iPad.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen iPhone en iPad teruggegeven dienen te worden aan hem.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen iPad [35] en iPhone [36] verbeurdverklaard dienen te worden, omdat het voorwerpen betreffen met behulp waarvan verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan en deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren.
Vordering van de benadeelde partij ( [naam 1] )
Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot schadevergoeding van € 62.148,79 (betreffende materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 33.397,81, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gehele vordering zoals deze bij de rechtbank is ingediend.
Verschillende schadeposten
De door de benadeelde partij gevorderde schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • kosten [naam 3] € 27.831,81;
  • kosten [naam 4] € 28.750,98;
  • kosten communicatie [naam 6] € 5.566,00.
Deze kosten heeft de benadeelde partij onderbouwd door de bijbehorende facturen over te leggen. Ten aanzien van de gevorderde kosten van [naam 4] is in hoger beroep gebleken dat het hof en de verdediging nog niet over alle door de benadeelde partij ingediende nadere stukken ten aanzien van deze schadepost beschikten. Deze stukken betreffen onder andere de facturen die de benadeelde partij van [naam 4] heeft ontvangen en de bijbehorende urenspecificaties. Deze stukken zijn op de zitting in hoger beroep door de advocaat-generaal aan het hof en de verdediging overhandigd. De verdediging is de gelegenheid geboden deze stukken nader te bestuderen.
Standpunt van de verdediging
Gelet op voornoemde gang van zaken heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de schadepost betreffende de kosten voor de werkzaamheden van [naam 4] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat op basis van de stukken niet is vast te stellen in hoeverre de door het kantoor verrichte werkzaamheden verband houdt met verdachtes handelen. Uitzoeken ten aanzien van welke werkzaamheden dit mogelijk wel en mogelijk niet het geval is, zal bovendien een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Voor zover het hof de raadsvrouw hierin niet zal volgen, doet zij een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak. Dit zodat zij de mogelijkheid heeft om de stukken aandachtiger te bestuderen om een uitgebreider standpunt ten aanzien van de verschillende werkzaamheden van het kantoor in te kunnen nemen.
Ten aanzien van de hoogte van de kosten voor de werkzaamheden van [naam 3] en [naam 6] is door de verdediging geen verweer gevoerd. Wel heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het hof er rekening mee dient te houden dat de benadeelde partij door toewijzing van de vordering niet wordt verrijkt. Dit betekent volgens de raadsvrouw in ieder geval dat het bedrag dat de drie medeverdachten dienen te betalen, dan wel hebben betaald, vanwege de door hen getroffen schikkingen (in totaal € 45.000,00) in mindering gebracht dient te worden op de toe te wijzen schade.
Oordeel van het hof
Op basis van het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken is het hof van oordeel dat in beginsel vastgesteld kan worden dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 62.148,79.
De gevorderde schade betreffende de kosten van [naam 3] en [naam 6] heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd en de hoogte van deze schadeposten is ook niet betwist door de verdediging. Het hof is dan ook van oordeel dat de gevorderde schade ten aanzien van deze schadeposten in beginsel toegewezen kan worden.
Ten aanzien van de kosten van [naam 4] geldt dat het hof van oordeel is dat ook deze schadepost in beginsel toegewezen kan worden. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte (en medeverdachten) in een uitzonderlijke situatie terecht is gekomen. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij in zo’n situatie met verschillende vragen heeft gekampt waarvoor ondersteuning van een advocatenkantoor noodzakelijk was. Vanwege de aard en de complexiteit van de zaak acht het hof ook voldoende aannemelijk dat het advocatenkantoor de uren die uit de overgelegde stukken blijken aan de zaak heeft besteed. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook zonder dat inzichtelijk is gemaakt op welke werkzaamheden de urenspecificaties precies zien. Een en ander heeft ermee te maken dat het hof van oordeel is dat niet enkel de werkzaamheden die directe zagen op verdachte, maar ook bijvoorbeeld de werkzaamheden met betrekking tot vragen over de specifieke bevoegdheden van de organen van de hogeschool in voldoende rechtstreeks verband met verdachtes handelen staan. Een en ander leidt ertoe dat het hof het standpunt van de raadsvrouw niet volgt en voorbijgaat aan haar voorwaardelijke verzoek.
Met de raadsvrouw is het hof echter van oordeel dat de in beginsel toewijsbare schade verminderd dient te worden met een bedrag van € 45.000,00. Dit bedrag dienen de drie medeverdachten aan de benadeelde partij te betalen op grond van de door hen getroffen schikkingen. Deze schikkingen waren gebaseerd op dezelfde schadeposten waarvan de benadeelde partij de vergoeding heeft gevorderd in onderhavige zaak. Dit betekent dat het hof de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 17.148,79, vermeerderd met de wettelijke rente, zal toewijzen. Voor het overige zal het hof de vordering afwijzen nu deze schade reeds is of, gelet op de met de medeverdachten getroffen betalingsregelingen in het kader van de schikkingen, zal worden vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de toegewezen materiële schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57 en 139g van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar,
kwalificeertdit als hiervoor vermeld en
verklaartde verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een
proeftijdvan
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK telefoontoestel (betreft een iPhone) ( [nummer 1] );
- 1 STK Computer (betreft een iPad) ( [nummer 1] ).

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.148,79 (zeventienduizend honderdachtenveertig euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijstde vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige
af.
Veroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legtaan de verdachte de verplichting
opom aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 17.148,79 (zeventienduizend honderdachtenveertig euro en negenenzeventig cent)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaaltde duur van de
gijzelingop ten hoogste
120 (honderdtwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaaltdat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaaltde aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
14 februari 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. M.C. van Linde en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 december 2025.

Voetnoten

1.[nummer 1] .
2.[nummer 1] .
3.HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588.
4.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409.
5.Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, worden hiermee bedoeld paginanummers van in wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde ambtenaren, opgemaakte processen-verbaal uit het politiedossier Furud22/ON2R022006 van Politie Oost-Nederland, onderzoeksnummer ON2R022006, van 29 juli 2022 op ambtseed gesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant] .
7.HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830.
8.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.1.
9.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.4 en 5.2.8.
10.P. 203, p. 956 tot en met 980 en 984 tot en met 990.
11.P. 956 en 984.
12.P. 31.
13.P. 31 en 32.
14.P. 32.
15.P. 31 en 32.
16.P. 33 en p. 534.
17.P. 185 tot en met 199.
18.P. 33 en verdachtes verklaring zoals afgelegd op de zitting in hoger beroep van 28 november 2025.
19.P. 34 en 618.
20.P. 185 tot en met 199.
21.P. 534 en 547.
22.P. 630 en verdachtes verklaring zoals afgelegd op de zitting in hoger beroep van 28 november 2025.
23.P. 547 en 552.
24.P. 547 en 551.
25.Verdachtes verklaring zoals afgelegd op de zitting in hoger beroep van 28 november 2025.
26.P. 616.
27.P. 957.
28.P.956.
29.P. 985.
30.P. 958 tot en met 979.
31.Verdachtes verklaring zoals afgelegd op de zitting in hoger beroep van 28 november 2025.
32.P. 964.
33.P. 966, 978, 981 tot en met 982 en 987 tot en met 1011.
34.Als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
35.[nummer 1] .
36.[nummer 1] .