ECLI:NL:GHARL:2025:7984

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/126
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en handelsinkoopwaarde van een Chevrolet Corvette

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland. De Rechtbank had de naheffingsaanslag BPM van belanghebbende, een B.V., verlaagd van € 8.221 naar € 3.820. De Inspecteur was het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. De zaak betreft de waardering van een Chevrolet Corvette Hennessey Performance EU HPE1000, waarvoor belanghebbende aangifte BPM had gedaan. De Inspecteur had de naheffingsaanslag opgelegd op basis van een taxatieverslag, waarin werd gesteld dat er onvoldoende gegevens waren om de exacte historische nieuwprijs te berekenen. De Rechtbank oordeelde dat de handelsinkoopwaarde moest worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst van Eurotax, met een bijstelling voor de markt- en dealersituatie. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de koerslijstmethode niet kon worden toegepast, omdat er geen vergelijkbare voertuigen beschikbaar waren. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de naheffingsaanslag bevestigd, waarmee het hoger beroep van de Inspecteur gegrond werd verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/126
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 13 december 2023, nummer AWB 22/3518, in het geding tussen
[belanghebbende] B.V.(hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.221.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.820, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 2.266 en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 2 april 2021 aangifte BPM gedaan voor een Chevrolet Corvette Hennessey Performance EU HPE1000 (hierna: de auto) naar een verschuldigd bedrag van € 28.463. In het bijgevoegde taxatieverslag is vermeld dat auto’s van hetzelfde type in Nederland niet worden verhandeld. Om die reden is de handelsinkoopwaarde bepaald door de gemiddelde vraagprijs van vergelijkbare auto’s te verlagen met een marge van ongeveer 25%.
2.2.
Belanghebbende heeft de auto op verzoek van de Inspecteur getoond bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek een rapport opgesteld. In het rapport is onder meer vermeld dat er onvoldoende gegevens bekend zijn om de exacte historische nieuwprijs te kunnen berekenen, dat het aangegeven voertuig een zeer speciale uitvoering is en dat er geen referentievoertuigen beschikbaar zijn. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 8.221.
2.3.
In de kennisgeving naheffingsaanslag BPM schrijft de Inspecteur onder meer:
“Daarom stel ik mij op het standpunt dat de afschrijving en daarmee de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald moet worden aan de hand van de koerslijst zonder daarop een correctie wegens schade toe te passen. Ik zal daarbij de door DRZ gebruikte koerslijst toepassen, omdat deze voor u de meest gunstige (laagste) waarde heeft.”
2.4.
Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden verminderd wegens schade. Wel heeft de Rechtbank aanleiding gezien voor de handelsinkoopwaarde uit te gaan van de koerslijst van Eurotax minus bijstelling markt- en dealersituatie, zodat de naheffingsaanslag is verminderd tot € 3.820. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
319.102
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax)
142.358
Schade
Markt- en dealersituatie
-/- 15.307
= Handelsinkoopwaarde
127.051
Afschrijving
60,18%
Historische BPM (CO2-uitstoot 322 gr/km)
82.575
Afschrijving (60,18%)
-/- 49.698
= Verschuldigde BPM
32.877
Extra leeftijdskorting
-/- 594
Aangifte belanghebbende
-/- 28.463
Naheffingsaanslag
€ 3.820

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag na verlaging door de Rechtbank tot een juist bedrag is vastgesteld. De Inspecteur beantwoordt die vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.
3.2.
De Inspecteur betoogt dat de koerslijstmethode geen toepassing kan vinden, zodat de Rechtbank ten onrechte de handelsinkoopwaarde heeft verminderd vanwege de bijstelling markt- en dealersituatie.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van belanghebbendes beroep bij de Rechtbank. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ontbreken inkoopfactuur
4.1.
Het Hof heeft geen aanleiding gezien om te voldoen aan het verzoek van de Inspecteur om met toepassing van artikel 8:45 Awb stukken op te vragen bij belanghebbende.
Toepassing koerslijstmethode
4.2.
De mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst, is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. [1]
4.3.
Zowel de taxateur van belanghebbende (zie 2.1) als de taxateur van DRZ (zie 2.2) heeft in zijn taxatierapport vermeld dat door de bijzondere kenmerken van de auto geen koerslijst voorhanden is waarin een referentievoertuig is opgenomen dat een representatieve benadering van de werkelijk waarde van het te registreren voertuig oplevert. Gelet daarop kan de koerslijstmethode niet worden toegepast. In dat geval bestaat dan ook geen aanleiding om, onder verwijzing naar het arrest HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, rekening te houden met een waardevermindering wegens de markt- en dealersituatie. Het betoog van de Inspecteur slaagt derhalve.
4.4.
Anders dan belanghebbende betoogt, brengt de mededeling van de Inspecteur in de kennisgeving (zie 2.3) niet mee dat het de Inspecteur niet vrijstaat om in een gerechtelijke procedure de toepassing van de koerslijstmethode te betwisten. [2]
Toepassing taxatiemethode
4.5.
Ook belanghebbendes betoog dat binnen de taxatiemethode rekening kan worden gehouden met een waardevermindering wegens de markt- en dealersituatie, kan niet slagen, reeds omdat in zijn rapport geen rekening is gehouden met een dergelijke waardevermindering.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en
bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.4.
2.HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822, r.o. 3.1.4.