ECLI:NL:GHARL:2025:7787

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.393/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. de Witt
  • A. Beswerda
  • J. van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op rechtsbijstand in Wahv-zaken en de gevolgen van verzuim

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 8 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De betrokkene had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de kantonrechter, die zijn beroep tegen een sanctie van € 380,- ongegrond had verklaard. De sanctie was opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De betrokkene stelde dat zij haar zonnebrilkoker vasthield en niet haar telefoon. Het hof oordeelde dat de betrokkene niet was gewezen op haar recht op rechtsbijstand voorafgaand aan de staandehouding, wat in strijd is met de Salduz-jurisprudentie. Het hof concludeerde dat dit verzuim niet automatisch leidt tot bewijsuitsluiting, maar dat de procedure als geheel als eerlijk kan worden beschouwd. De verklaring van de betrokkene werd uiteindelijk wel gebruikt om vast te stellen dat de gedraging was verricht, en de beslissing van de kantonrechter werd bevestigd. Het hof benadrukte dat het recht op rechtsbijstand ook in Wahv-zaken van toepassing is, en dat een betrokkene voorafgaand aan een verhoorsituatie op dit recht moet worden gewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.393/01
CJIB-nummer
: 258038560
Uitspraak d.d.
: 8 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 9 januari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 mei 2023 om 17:15 uur op de Hoofdstraat in Uithuizermeeden met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene tijdens het rijden niet haar mobiele telefoon heeft vastgehouden, maar haar zonnebrilkoker. Ten tijde van de vermeende gedraging deed zij haar zonnebril in haar brillenkoker. De kantonrechter heeft veel waarde gehecht aan de verklaring die de betrokkene tijdens de staandehouding heeft afgelegd. De betrokkene is daaraan voorafgaand echter niet geïnformeerd over het recht op rechtsbijstand, hetgeen in strijd is met de Salduz-jurisprudentie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, volgt dat dit recht niet meer uitsluitend van toepassing is in strafzaken, maar ook in bestuurlijke boetezaken. Ook in Wahv-zaken dient dit recht van toepassing te zijn. Dit brengt mee dat de verklaring van de betrokkene moet worden uitgesloten van het bewijs. Wat dan overblijft is de verklaring van de ambtenaar. Gelet op de stellige ontkenning van de betrokkene moet aan die verklaring worden getwijfeld. Op grond daarvan kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
3. De advocaat-generaal voert aan dat de gedraging kan worden vastgesteld zonder gebruik te maken van de verklaring van de betrokkene. Gelet op het belang van zowel de rechtsontwikkeling als de rechtseenheid verzoekt de advocaat-generaal het hof om wel te oordelen over de vraag of het recht op rechtsbijstand in Wahv-zaken van toepassing is. De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat dit niet het geval is. Uit de Jussila-rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat de uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voortvloeiende garanties niet noodzakelijkerwijs steeds ten volle gelden bij strafbare feiten die niet tot de ‘hard core of criminal law’ behoren. De Hoge Raad heeft in het door de gemachtigde genoemde arrest van 6 september 2024 weliswaar geoordeeld dat het recht op rechtsbijstand zo fundamenteel is dat het niet voor de Jussila-nuancering vatbaar is, maar heeft hierbij mogelijk niet het oog gehad op alle bestuurlijke boetes, in ieder geval niet op administratiefrechtelijke sancties in Wahv-zaken. Volgens de advocaat-generaal is de Jussila-nuancering wel van toepassing op Wahv-zaken, waarbij het gaat om relatief lage boetes en waarbij de ambtenaar na een staandehouding ter plaatse met een betrokkene in gesprek gaat en er geen verhoor plaatsvindt op bijvoorbeeld een politiebureau. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de Wahv ingevoerd om lichte verkeersovertredingen doelmatig te kunnen afdoen. Wanneer in Wahv-zaken het recht op rechtsbijstand tijdens de staandehouding onverkort van toepassing zou zijn, zou dit een zware belasting opleveren voor het handhavingsapparaat. Hiermee zou het systeem van vereenvoudigde afdoening zoals de wetgever dit voor ogen heeft gehad op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. Het belang van een efficiënte en effectieve handhaving van de verkeerswetgeving, de relatief geringe ernst van Muldergedragingen en de relatief beperkte zwaarte van de sancties, brengen volgens de advocaat-generaal mee dat het recht op rechtsbijstand niet al tijdens de staandehouding hoeft te gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat een betrokkene zich tijdens een staandehouding in een minder ongelijkwaardige positie ten opzichte van de ambtenaar bevindt dan wanneer hij wordt uitgenodigd op een politiebureau, aan een betrokkene reeds de cautie wordt gegeven en het informeren over het recht op rechtsbijstand mogelijk leidt tot uitvoeringsproblemen. De advocaat-generaal meent dan ook dat een betrokkene in een Wahv-zaak niet tijdens de staandehouding hoeft te worden gewezen op het recht op rechtsbijstand. Indien het hof oordeelt dat dit wel het geval is, stelt de advocaat-generaal zich subsidiair op het standpunt dat moet worden beoordeeld of de procedure als geheel ondanks het verzuim toch als eerlijk kan worden beschouwd. Daarbij wordt opgemerkt dat een betrokkene na ontvangst van de inleidende beschikking alsnog rechtsbijstand kan inschakelen en al dan niet met behulp van een rechtsbijstandverlener in beroep kan gaan. De inperking van het recht op rechtsbijstand ten tijde van de staandehouding kan hierdoor dus worden gecompenseerd. In de onderhavige zaak heeft de betrokkene bij het instellen van administratief beroep gebruik gemaakt van rechtsbijstand. Gesteld noch gebleken is dat zij is benadeeld doordat zij tijdens de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand.
Algemene overwegingen
4. Artikel 6 van het EVRM luidt, voor zover hier van belang:
“1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
(…)
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
(…)
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
(…).”
5. Uit de Salduz-rechtspraak van het EHRM en de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken naar aanleiding daarvan volgt dat een verdachte tegen wie een strafvervolging is ingesteld aan artikel 6 van het EVRM recht op bijstand door een raadsman kan ontlenen. Inherent daaraan is het recht om hierop voorafgaand aan het (eerste) verhoor te worden gewezen. [1] Ook een niet aangehouden verdachte dient hierop te worden gewezen. [2] Het recht op rechtsbijstand draagt bij aan het voorkomen van gerechtelijke dwalingen en de ‘equality of arms’ tussen de autoriteiten en een verdachte. Met de vroegtijdige toegang tot rechtsbijstand worden ook het recht van een verdachte om zichzelf niet te hoeven belasten gewaarborgd en zijn verdedigingsrechten geëerbiedigd. Schending van dit recht levert in beginsel een vormverzuim op dat na een daartoe strekkend verweer in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die de verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs aan het vormverzuim te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven, waaronder in het bijzonder de arresten Ibrahim en Beuze. [3] Beoordeeld moet dus worden of het proces als geheel ondanks het verzuim toch als eerlijk kan worden beschouwd.
6. Uit de Jussila-rechtspraak van het EHRM volgt dat onderscheid moet gemaakt tussen ‘criminal charges’ van verschillende zwaarte en dat de eisen die aan een eerlijk proces worden gesteld het meest dwingend zijn ten aanzien van zaken die tot de harde kern van het strafrecht behoren. Op zaken die daartoe niet kunnen worden gerekend, behoeven de procedurele waarborgen van artikel 6 van het EVRM niet noodzakelijkerwijs met dezelfde striktheid van toepassing te zijn. Zo levert het door de rechter achterwege laten van een zitting onder omstandigheden geen schending op van artikel 6 van het EVRM. [4]
7. Over de vraag of de ‘Jussila-versoepeling’ van de waarborgen van artikel 6 van het EVRM ook geldt voor het recht op rechtsbijstand en het daaraan inherente recht om daarop te worden gewezen in zaken die niet tot de harde kern van het strafrecht behoren heeft het EHRM zich (nog) niet uitgelaten.
8. Op 6 september 2024 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad een arrest gewezen, waarin wordt geoordeeld dat het recht op rechtsbijstand alsmede het daaraan inherente recht om hierover onmiddellijk te worden geïnformeerd niet alleen geldt voor het strafrecht, maar ook van toepassing is bij andere sancties die zijn gebaseerd op een ‘criminal charge’, zoals (fiscale) bestuurlijke boetes. [5]
9. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen dat het recht op bijstand van een raadsman een van de fundamentele kenmerken is van een behoorlijk proces in punitieve zaken. Voor een - tijdelijke - uitzondering op dit recht is slechts plaats indien en zolang er dwingende redenen bestaan om het te beperken. Het recht op bijstand van een raadsman is van een zodanig belang, dat een verzuim aan de kant van de overheid om de betrokkene daarover te informeren in beginsel niet kan worden gerechtvaardigd. Gelet op het fundamentele belang van dit recht bestaat er geen aanleiding om het te beperken tot zaken die naar nationaal recht behoren tot het strafrecht en geldt het dus ook met betrekking tot andere sancties die zijn gebaseerd op een ‘criminal charge’. Het recht op bijstand van een raadsman en het daaraan inherente recht om hierover onmiddellijk te worden geïnformeerd, zijn daarom ook van toepassing bij bestuurlijke boetes. Het arrest Jussila van het EHRM geeft de Hoge Raad geen aanleiding tot een andere opvatting over de reikwijdte van specifiek die rechten, in zaken die buiten de harde kern van het strafrecht vallen, zoals (onder meer) fiscale bestuurlijke boetes.
Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat, in gevallen waarin het gaat om een bestuurlijke boete, de raadsman niet de hoedanigheid van advocaat hoeft te hebben. Aan degene die rechtsbijstand verleent worden geen nadere eisen gesteld. Voor wat betreft het moment waarop een betrokkene moet worden gewezen op het recht op rechtsbijstand, heeft de Hoge Raad overwogen dat dit in elk geval moet zijn gebeurd voordat een betrokkene wordt verhoord.
10. Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat indien een betrokkene ten onrechte niet onmiddellijk is gewezen op diens recht op rechtsbijstand, dit niet zonder meer meebrengt dat hij in de daarop volgende procedure geen behoorlijk proces heeft gekregen als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De vraag of het proces in een punitieve zaak behoorlijk is geweest, moet ook dan worden beoordeeld aan de hand van het verloop van dat proces als geheel met inachtneming van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in dat verband verwezen naar zijn rechtspraak in strafzaken en daarbij met name gewezen op de factoren genoemd in de arresten Ibrahim en Beuze van het EHRM. Daarbij is mede van belang in hoeverre degene tegen wie de vervolging is ingesteld toch rechtsbijstand heeft gekregen. Deze beoordeling is van belang met het oog op de bruikbaarheid van bewijs tegen de betrokkene. De door of namens de betrokkene tijdens het verhoor afgelegde verklaringen moeten namelijk worden uitgesloten van het bewijs in het kader van een bestuurlijke boete voor zover deze beoordeling tot de slotsom leidt dat de betrokkene geen behoorlijk proces zou krijgen indien die informatie in dat proces voor beboetingsdoeleinden tegen hem zou worden gebruikt.
11. In navolging van bovengenoemd arrest van de Hoge Raad heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 december 2024 eveneens geoordeeld dat degene aan wie een bestuurlijke boete wordt opgelegd recht heeft op rechtsbijstand en hierop voorafgaand aan het verhoor moet worden geïnformeerd. [6]
12. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of, en zo ja welke, implicaties voormelde rechtspraak heeft voor procedures op basis van de Wahv. Het hof stelt hierbij voorop dat volgens vaste rechtspraak van het hof de oplegging van een administratieve sanctie in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wahv als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM moet worden aangemerkt. [7] Aan een betrokkene die het verrichten van een Muldergedraging wordt verweten, dan wel als kentekenhouder aansprakelijk wordt gehouden voor het betalen van een administratieve sanctie, komt in beginsel een beroep toe op de in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde rechten.
13. Uit de Jussila-rechtspraak van het EHRM volgt weliswaar dat op zaken die niet tot de harde kern van het strafrecht kunnen worden gerekend, de procedurele waarborgen van artikel 6 van het EVRM niet noodzakelijkerwijs met dezelfde striktheid van toepassing hoeven te zijn. Het hof is echter van oordeel dat ook voor administratieve sancties die met toepassing van de Wahv worden opgelegd geldt dat het recht op rechtsbijstand zo fundamenteel is dat dit recht niet voor de ‘Jussila-versoepeling’ in aanmerking komt. Het belang van een efficiënte en effectieve handhaving van de verkeerswetgeving, alsmede de relatief geringe ernst van Mulderfeiten en de relatief beperkte zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd, vormen naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor een minder strikte toepassing van dit recht. Het recht op rechtsbijstand is daarom ook in Wahv-zaken onverkort van toepassing. Dit brengt mee dat een betrokkene voorafgaand aan het moment waarop een verhoorsituatie ontstaat op dit recht moet worden gewezen.
14. Voor wat betreft het gevolg dat moet worden verbonden aan het verzuim om een betrokkene tijdig hierop te wijzen, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat een betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing. Deze beoordeling is van belang met het oog op de bruikbaarheid van de verklaring van de betrokkene voor een dergelijke beslissing. Relevant voor deze beoordeling is of er dwingende redenen waren voor de beperkingen van het recht op rechtsbijstand en welke gevolgen deze hadden. In het arrest Beuze heeft het EHRM verder nog een aantal niet-limitatieve factoren genoemd die bij deze beoordeling van belang kunnen zijn, zoals de mogelijke bijzondere kwetsbaarheid van de betrokkene vanwege zijn leeftijd of psychische capaciteit, de kwaliteit van het bewijs en de omstandigheden waaronder het is verkregen, alsmede de mogelijkheid om het bewijs aan te vechten.
15. Het hof komt tot de slotsom dat, indien een betrokkene in een Wahv-zaak een verklaring heeft afgelegd en daaraan voorafgaand niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing.
Ten aanzien van de onderhavige zaak
16. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
17. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat bestuurster een mobiele telefoon in haar rechterhand had. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend.
Verklaring betrokkene: Ik was niet op mijn telefoon bezig. Ik had hem wel in mijn hand.”
18. Voorts bevindt zich in het dossier een in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegd proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2025 waarin de ambtenaren voor zover relevant het volgende verklaren:
“Wij hebben waargenomen dat de betrokkene tijdens het besturen van het voertuig een mobiele telefoon in de hand hield. Deze constatering is door ons onafhankelijk van elkaar gedaan en nadien gezamenlijk geverifieerd. Tijdens de staandehouding verklaarde de betrokkene dat zij de telefoon vasthield, maar er niet actief op bezig was. Er is op dat moment door haar geen opmerking gemaakt van andere objecten zoals een zonnebril of etui, wat wordt benoemd in het beroepschrift. (…) Verbalisanten zijn in staat om het verschil te zien tussen een mobiel en een zonnebrillenkoker. Daarnaast kwam [de betrokkene] uit het centrum van Uithuizermeeden rijden, waardoor de snelheid van het voertuig dermate laag was dat wij de telefoon goed konden zien. (…)”
19. Gelet op hetgeen is aangevoerd, alsmede op de aanvullende verklaring van de ambtenaren, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene tijdens de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Aldus is sprake van een verzuim. Voor wat betreft het gevolg dat hieraan moet worden verbonden, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als haar verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in haar zaak te nemen beslissing.
20. De onderhavige zaak betreft een relatief eenvoudige zaak. Tijdens de staandehouding is aan de betrokkene de cautie gegeven. Zij was meerderjarig en niet gesteld of gebleken is dat bij haar sprake was van een bijzondere kwetsbaarheid. Na ontvangst van de inleidende beschikking heeft zij rechtsbijstand ingeschakeld, waarna de rechtsbijstandsverlener namens haar administratief beroep heeft ingesteld. De betrokkene heeft de mogelijkheid gehad om, achtereenvolgens, door de officier van justitie, de kantonrechter en het hof te worden gehoord, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Daarnaast hebben de ambtenaren op verzoek van de advocaat-generaal schriftelijk gereageerd op de stellingen die de gemachtigde van de betrokkene naar voren heeft gebracht. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de procedure als geheel ondanks het verzuim toch als eerlijk kan worden beschouwd. Dit brengt mee dat er geen aanleiding is om de verklaring van de betrokkene niet te gebruiken voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De grond van de gemachtigde treft dan ook geen doel.
21. Het hof ziet in hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaren dat zij hebben gezien dat de betrokkene als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de ambtenaren hun waarneming onafhankelijk van elkaar hebben gedaan en dat zij door de lage snelheid goed zicht hadden op de telefoon. Hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaren, mede in aanmerking genomen de verklaring van de betrokkene bij staandehouding dat zij een telefoon in haar hand had. Dat zij op dat moment een zonnebril heeft vastgehouden, zoals aangevoerd door de gemachtigde, acht het hof dan ook niet aannemelijk. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
22. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd en zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Witt, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.EHRM 27 november 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102 (Salduz/Turkije) en Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079.
2.Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.
3.EHRM 13 september 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk), EHRM 9 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1109JUD007140910 (Beuze/België), Hoge Raad 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1756 en Hoge Raad 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556.
4.EHRM 23 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301 (Jussila/Finland).
5.Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135.
6.Raad van State, 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5293.
7.Vgl. de arresten van het hof van 10 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8163 (cautie) en 14 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3210 (Keskin).