Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
5.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag in een zaak van medeplegen gewoontewitwassen en valsheid in geschrift. De verdediging voerde onder meer aan dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) was geschonden omdat verdachte in 2011 geen verhoorbijstand kreeg tijdens het politieverhoor. Het hof oordeelde destijds dat het recht op verhoorbijstand volgens het EVRM toen nog niet bestond, wat de Hoge Raad als een onjuiste rechtsopvatting bestempelde.
De Hoge Raad bevestigde dat het recht op verhoorbijstand ook voor 22 december 2015 geldt, zoals eerder in zijn arrest van 17 december 2019 is overwogen. Echter, omdat het verweer onvoldoende onderbouwd was en de verklaring van verdachte bij de politie slechts ondergeschikte betekenis had, was er geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast werd het cassatieberoep verworpen wegens gebrek aan in rechte te respecteren belang.
Wel werd het beroep gegrond verklaard op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van achttien naar zeventien maanden. De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en beperkte zich tot vermindering van de straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien naar zeventien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.