Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:7546

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
21-001607-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling en ontploffing met Cobra vuurwerk

De verdachte heeft samen met een medeverdachte op 12 september 2020 een brandende Cobra 6 in de brievenbus van de woning van het slachtoffer geplaatst, wat leidde tot een ontploffing met ernstig lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van onderdelen die niet bewezen konden worden, maar veroordeelde hem voor medeplegen van zware mishandeling en het veroorzaken van een ontploffing.

Het bewijs bestond uit forensisch onderzoek, medische rapportages, getuigenverklaringen en dactyloscopisch onderzoek. De verdachte had de brievenbus opengehouden terwijl de medeverdachte het vuurwerk aanstak en in de brievenbus deed, ondanks dat hij wist dat de medeverdachte met 'rare dingen bezig was'. Het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het veroorzaken van de ontploffing en het letsel.

De strafmaat werd vastgesteld op 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd een taakstraf opgelegd ter vervanging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd deels toegewezen tot €28.143,81, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente. De vordering tot verdere schadevergoeding werd afgewezen wegens procedurele beperkingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en taakstraf wegens medeplegen zware mishandeling en ontploffing met Cobra vuurwerk.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001607-22
Uitspraakdatum: 27 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 april 2022 met parketnummer 08-228598-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-054452-20, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
Basis Registratie Personen (BRP)-adres (postadres): [postcode] [adres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 april 2024 en 13 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J.M. Jaasma, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het vonnis

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof zich op een aantal punten niet kan verenigen met het vonnis. Het hof zal vanwege een deels andere bewezenverklaring opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 12 september 2020 in de [gemeente]
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (ondermeer) meerdere brandwonden op de borst, de buik en/of de hals, in ieder geval op het lichaam en/of een afgerukt (deel van een) vinger en/of losgeraakte banden van het duimgewricht en/of losgeraakte huid aan de binnenkant van een hand en/of een (permanente) gehoorsbeschadiging,
heeft/hebben toegebracht door
- een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of
- die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van een woning te duwen,
waarna die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht;
1. subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 12 september 2020 in de [gemeente] ,
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (ondermeer) meerdere brandwonden op de borst, de buik en/of de hals, in ieder geval op het lichaam en/of een afgerukt (deel van een) vinger en/of losgeraakte banden van het duimgewricht en/of losgeraakte huid aan de binnenkant van een hand en/of een (permanente) gehoorsbeschadiging,
heeft toegebracht door
- een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of
- die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van een woning te duwen,
waarna die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12 september 2020, in de [gemeente] , opzettelijk behulpzaam is geweest door
- de (voornoemde) brievenbus van de voordeur van een woning te openen en/of open te houden;
2. primair
hij op of omstreeks 12 september 2020 in de [gemeente]
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
in een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van betreffende woning te duwen,
waardoor die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht en daarvan gemeen gevaar voor die voordeur en/of die woning en/of in die woning aanwezige goederen en/of de hond,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en/of overige aanwezige perso(o,)n(en,),
in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en/of overige aanwezige perso(o)n(en),
in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
2. subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 12 september 2020 in de [gemeente] , in een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht
door een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van betreffende woning te duwen, waardoor die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht en daarvan gemeen gevaar voor die voordeur en/of die woning en/of in die woning aanwezige goederen en/of de hond,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en/of overige aanwezige perso(o,)n(en,),
in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en/of overige aanwezige perso(o)n(en),
in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12 september 2020, in de [gemeente] , opzettelijk behulpzaam is geweest door
- de (voornoemde) brievenbus van de voordeur van een woning te openen en/of open te houden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) van plan was, maar dat hij op aandringen van [medeverdachte] uiteindelijk wel de brievenbus heeft opengehouden. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de ontploffing en op het toebrengen van letsel. Bovendien was er geen sprake van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger en ook niet als medeplichtige, omdat de handeling van de verdachte – het openhouden van de brievenbus – niet echt nodig was. [medeverdachte] had dit immers ook zelf kunnen doen. De verdachte werd overvallen door wat er gebeurde en kon er niets meer aan doen om dat tegen te houden.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde. Volgens de advocaat-generaal was ondanks het korte tijdsbestek sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] .
Het oordeel van het hof
Aan verdachte is – kort gezegd – onder feit 1 primair het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd en onder feit 2 het medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing. Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijs is voor beide feiten. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen zoals hieronder weergegeven.
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen genoemd betreffen pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020433262. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op 12 september 2020 was ik, verbalisant, belast met de basis politiezorg in de [gemeente] . Ik ontving een melding van het operationele centrum om met spoed naar de [adres] in [plaats] te gaan. Hier was een ontploffing geweest in de woning en zou een persoon gewond zijn geraakt. Ik kwam ter plaatse. Ik zag dat er in de hal achter de voordeur een ravage was. Ik zag dat vanaf de hal een bloedspoor liep naar de woonkamer. Op de bank in de woonkamer zag ik een vrouw voorovergebogen zitten. Ik vroeg haar wat er gebeurd was. De vrouw vertelde mij dat ze boven was op de eerste etage en geluid hoorde uit de brievenbusgleuf welke in de voordeur zat. Zij liep vervolgens naar beneden en zag een staafvormig voorwerp uit de brievenbus steken en hier knetterend geluid en sterretjes vanaf zag komen. Vervolgens explodeerde het voorwerp en raakte zij gewond. De naam van de vrouw bleek [slachtoffer] te zijn. Haar partner [naam] en [zoon van slachtoffer] welke boven waren ten tijde van de explosie waren bij haar. [slachtoffer] is vervolgens door de ambulance overgebracht naar het ziekenhuis.
2. Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 7-9, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Plaats delict: [adres] te [plaats]
Pleegdatum/tijd: 12 september 2020
Aangever:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Mijn man en ik besloten iets voor 00:30u naar bed te gaan. Wij zijn toen de trap in onze woning aan de [adres] te [plaats] opgelopen. Toen ik in de badkamer was hoorde ik een vreemd sissend geluid.
Ik ben toen de trap af gelopen om te kijken waar dat rare sissende geluid vandaan kwam. Toen ik de trap af liep zag ik dat er uit onze brievenbus een soort pijpje naar binnen stak. Onze brievenbus is een gleuf die in de voordeur zit. Ik zag dat het gedeelte van dit pijpje dat naar binnen stak ongeveer twintig centimeter lang was.
Ik zag aan het pijpje allemaal oranje sterretjes. Het pijpje zag er uit alsof het een soort vuurpijl was die niet brandde maar vonkte. De hele gang werd hierdoor verlicht.
Ik weet nog dat ik op dat moment dacht: "Dat ding moet naar buiten". Ik was namelijk bang voor brand, en ik wist dat onze hond ergens beneden in ons huis moest zijn, dus ik vreesde voor zijn veiligheid.
Ik weet niet meer of ik het pijpje terug wilde duwen, of dat ik de voordeur open
wilde doen om het naar buiten te gooien. Ik stond op dat moment op hooguit een meter van de brievenbus af in de hal van ons huis. Onze hal is ongeveer een meter breed en drie meter lang.
Ik hoorde een enorme knal. Ik hoorde mijn oren suizen.
Ik hoorde brandmelders afgaan, ook die op de zolder. Ik zag bijna niets. Ik zag
alleen maar rook.
Mijn man dacht dat het om een gasexplosie ging vanuit de meterkast, zo hard was de knal namelijk.
Toen ik naar mijn rechterhand keek zag ik enorm veel bloed. Overal was bloed.
Ik ben toen per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ik moet daar dit
weekend blijven. Ik ben gewond geraakt door de explosie.
Ik heb het volgende letsel:
* diverse (ongeveer tien )(brand)wonden in mijn hals en op mijn borst en buik.
* het topje van mijn rechterwijsvinger is er af
* aan mijn middelvinger zit een stukje los, ik kan deze vinger ook niet goed bewegen
* de banden van mijn rechter duimgewricht zijn los en zijn nu met schroeven vastgezet
* de binnenkant van mijn rechterhand ligt open, eventueel krijg ik hier later
huidtransplantatie.
3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] [plaats] ), pagina’s 12-16, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Aanleiding en opdracht onderzoek
Op 12 september 2020 omstreeks 00:54 uur, werd aan mij, verbalisant, verzocht om
een forensisch sporenonderzoek te verrichten in een woning aan de [adres] te
[plaats] , dit naar aanleiding van een explosie in de betreffende woning waarbij een vrouw ( [slachtoffer] ) gewond was geraakt.
Bevindingen
Tijdens het onderzoek werd door mij verbalisant het navolgende gezien, gedaan en
bevonden dat:
-op de bestrating van de voortuin, op ongeveer 3 meter vanaf de voordeur, een halve blauwe dop lag. Deze blauwe dop komt mij verbalisant ambtshalve bekend voor als zijnde een afdichtingsdop van een zwaar stuk illegaal (knal)vuurwerk, te weten een Cobra . Derhalve werd deze halve blauwe dop (AAMU2082NL) door mij verbalisant veiliggesteld;
-op de buitenzijde van de voordeur na opwerken middels DNA-vrij dactyloscopisch
poeder enkele dactyloscopische sporen zichtbaar werden. Van deze sporen was één
dactyloscopisch spoor bruikbaar voor eventueel vergelijkend identificatie onderzoek. Dit dactyloscopisch spoor (handpalm, AAOD9517NL) werd door mij verbalisant fotografisch vastgelegd;
-de dactyloscopische sporen op de buitenzijde van de voordeur werden vervolgens door mij, verbalisant [naam] , voor mogelijk DNA-onderzoek bemonsterd middels een
wattenstaafje en veiliggesteld. Te weten:
-AAME9355NL: bemonstering gedeelte handpalm gesitueerd rechts boven
de brievenbus;
- op de vloer in de hal voor het toilet een halve blauwe dop lag. Deze blauwe dop
komt mij verbalisant ambtshalve bekend voor als zijnde een afdichtingsdop van een
zwaar stuk illegaal (knal)vuurwerk, te weten een Cobra. Derhalve werd deze halve
blauwe dop (AAMU2081NL) door mij verbalisant veiliggesteld;
- na verzameling van de kleine kartonnen fragmentjes afkomstig uit de hal werd door mij, verbalisant, vastgesteld dat deze restanten afkomstig waren van een stuk zwaar illegaal vuurwerk, te weten een 'Cobra 6'. Op een klein fragment stond ook de tekst Cobra 6 gedrukt. Derhalve werden deze kartonnen fragmenten door mij verbalisant veiliggesteld (AAMU2080NL).
4. Een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie in de hal van een woning in [plaats] op 12 september 2020’, van 9 maart 2021, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Onderzoeksmaterialen [AAMU2081NL t/m AAMU2082NL] herken ik als de restanten van een vuurwerkartikel met de naam 'COBRA 6'. Dit vuurwerkartikel is nader te specificeren als 'knalvuurwerk met lont' ('flash banger') en betreft professioneel vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis (conform het Vuurwerkbesluit).
Er zijn meerdere varianten van de 'COBRA 6' die vaak slechts op detailniveau van
elkaar verschillen. De aanduidingen die aanwezig zijn op de restanten van een
zwarte etiket op twee van de kartonnen fragmenten van onderzoeksmateriaal
[AAMU2080NL] en (de restanten van) een blauwe dop met de aanduiding "24"
passen bij een 'Super COBRA 6' die afgelopen jaren meerdere malen is onderzocht
door het NFI.
De werking van een 'Super COBRA 6' is als volgt: het groene vuurwerklont dient te
worden aangestoken. Het vlamfront van het lont ontsteekt vervolgens de effectlading van samengeperst zwart buskruit. Deze effectlading explodeert niet, maar brandt in meerdere secondes op met een oranjerode steekvlam.
Uit eerder onderzoek op het NFI is bekend dat de totale brandduur van lont en blok
zwart buskruit samen circa 20 seconden bedraagt. Zodra het zwart buskruit is opgebrand, explodeert het flitspoeder instantaan. Hierbij treden als effecten een drukgolf (gepaard gaande met een luide knal), hitte en fragmentatie van de kartonnen cilinder en het kunststof op.
Conclusies
1. Is uit de restanten op te maken wat er is ontploft?
Ja, onderzoeksmaterialen [AAMU2081NL t/m AAMU2082NL] herken ik als de
restanten van een vuurwerkartikel 'Super COBRA 6'.
3. Wat was het gemeen gevaar voor personen en goederen dat is ontstaan door
het in de brievenbus gooien van een dergelijk explosief?
Bij een ontploffing treden als effecten een drukgolf (gepaard gaande met een luide
knal), hitte en fragmentatie van de kartonnen cilinder en het kunststof op. Wanneer een 'Super COBRA 6' ontploft, ontstaat er altijd gevaar voor letsel en materiele schade. Wanneer het direct tegen een voorwerp aan explodeert, zal dit voorwerp meestal (ernstig) beschadigd raken.
5. Kan een dergelijk explosief potentieel zwaar lichamelijk letsel veroorzaken?
Door de optredende effecten is er, vooral voor personen in het halletje, gevaar voor letsel ontstaan. De ernst van het letsel is onder meer afhankelijk van de locatie van personen ten opzichte van de explosie. Bij bijvoorbeeld lichaamscontact met een exemplaar van een 'Super COBRA 6' ten tijde van de explosie, is ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk Ietsel6 een gegeven. Bij (vrijwel) direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon is dit letsel zelfs zeer ernstig tot dodelijk.
Bij het in de hand(en) houden van de 'Super COBRA 6' (bijvoorbeeld in het scenario dat het opgepakt wordt) is een blijvende functiebeperking van de hand een gegeven. Zelfs het verlies van de gehele hand(en) is mogelijk.
Op afstanden verder weg, is het van de specifieke omstandigheden afhankelijk of en tot welk letsel de effecten leiden. In het ongunstigste geval kan een persoon tot op enkele tientallen meters afstand nog (al dan niet permanente) gehoorschade oplopen door de explosie van een 'Super COBRA 6'.
6. Kan het op de plaats delict aangetroffen zware stuk vuurwerk (Cobra 6) en de explosie welke deze teweeg heeft gebracht passen bij het aangetroffen letsel?
In het specifieke geval van de ontploffing in de hal van de woning bevond het slachtoffer zich volgens eigen zeggen op het moment vlak voor de ontploffing "op hooguit een meter van de brievenbus in de hal". Volgens de verkregen foto’s en de letselverklaring van de GGD-arts [plaats] heeft het slachtoffer letsel opgelopen aan hoofd, hals, borstkas, schouders, bulk, rechterarm, rechterhand en beide benen. Een KNO-arts heeft op woensdag 27 januari 2021 vastgesteld dat er (nog steeds) sprake is van geminderd gehoor.
Dergelijk letsel past bij de blootstelling op korte afstand aan een ontploffend vuurwerkartikel van het type 'Super COBRA 6'. Het letsel aan de rechterhand van het vrouwelijke slachtoffer vind ik passend bij een afstand van de hand van centimeters tot enkele decimeters van het ontstoken/ontploffende vuurwerkartikel.
5. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten een Forensisch medische letselrapportage van 17 februari 2021, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Betrokkene: [slachtoffer]
Bij betrokkene zijn scheurwonden met gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger gecombineerd met bloeduitstortingen waargenomen. Tevens had zij kras-, brand- en scheurwonden op de borst, de rechter bovenarm en het rechter been. Het geheel aan letsel past bij letsel t.g.v. explosie.
In dit geval wordt de ernst van het letsel in hoge mate bepaald door het letsel aan de hand. Voor dit letsel is een langdurig medisch traject nodig. Gezien het feit dat er een gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger is, is er blijvende schade en daarmee functiebeperking. Daarnaast zal het letsel aan de hand genezen met littekenvorming. Oppervlakkige brandwonden van de huid genezen meestal in 10 tot 14 dagen en het litteken beperkt zich veelal tot een kleurverschil. Op plaatsen waar een transplantaat nodig was zal het litteken meer uitgesproken zijn. Op de plaats waar het transplantaat geoogst is zal een litteken ontstaan.
De herstelperiode van het letsel aan de borst en armen is ca. 3 weken. De herstelperiode van het letsel aan de hand is maanden. Onduidelijk is of de functie van de hand weer volledig zal terugkeren. Gezien het feit dat er sprake is van een amputatie zal het letsel niet restloos genezen. Tevens zal sprake zijn van littekens op de hand die tezamen met de amputatie ook kunnen zorgen voor een functiebeperking. Ook op de plaats waar het transplantaat geoogst is zal een litteken ontstaan. In hoeverre pijnklachten blijven bestaan is door ondergetekende niet in te schatten.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 211-215, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :
A: Ik liep met twee andere vrienden op 12 september 2020, nacht van vrijdag op zaterdag, bij de [adres] , vlakbij het voetbalveld. We kwamen [medeverdachte] tegen. Hij woont [adres] in [plaats] . We liepen richting een vriend van mij, dat was in de richting van de [plaats] . [medeverdachte] pakte iets uit zijn zak en deed dat in die brievenbus. Ik hoorde een knal.
V: Wat pakte [medeverdachte] uit zijn zak?
A: Vuurwerk. Ik zag dat hij het aanstak en toen in de brievenbus gooide.
7. De verklaring van de verdachte, afgelegd bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 28 maart 2022, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Toen kwamen we bij de [adres] . [naam] en [naam] stonden iets verder
op, ik stond met [medeverdachte] . We stonden stil. [medeverdachte] haalde iets uit zijn zak. Toen vroeg hij of ik de brievenbus open wilde houden. Ik vroeg waarom. Ik weet niet wat hij toen zei. Ik zei dat ik dat niet wilde. Toen vroeg hij steeds of ik de brievenbus open wilde houden. Hoe lang [medeverdachte] dat aan mij heeft gevraagd? Een
paar minuten misschien. Waarom ik eerst zei dat ik het niet wilde? Ik wilde geen domme dingen doen. Ik wist niet wat hij ging doen. Ik zei steeds nee, maar uiteindelijk deed ik het wel. Uiteindelijk heb ik de brievenbus open gehouden. [medeverdachte] stak het aan, met een aansteker. Toen zag ik wat het was. Het zat al in de brievenbus. Dat deed hij gelijk, na het aansteken.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd bij het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op 13 november 2025, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Hij(het hof begrijpt: [medeverdachte] )
vroeg een paar keer of ik de brievenbus open wilde doen. Ik gaf geen antwoord. Ik wist niet wat er ging gebeuren.
Hij(het hof begrijpt: [medeverdachte] )
zei: “Ik heb nog iets af te handelen”.
Ik hoorde via via dat hij(het hof begrijpt: [medeverdachte] )
met rare dingen bezig was. Dat hoorde ik ook al wel van tevoren.
9. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten een door de verdachte op de terechtzitting van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 19 november 2025 overgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de verdachte:
De avond van 12 september liepen wij naar het huis van [naam] en kwamen wij onderweg [medeverdachte] tegen. Die heeft mij toen gevraagd om mee te lopen naar het huis van [slachtoffer] omdat hij wat af te handelen had.
10. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten een rapport dactyloscopisch onderzoek (als bijlage op pagina’s 10-14 van het aanvullend proces-verbaal), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Dactyloscopisch onderzoek
Met de afbeelding van dactyloscopisch spoor bekend in Havank onder nummer
08170920040100005 is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in de verzameling
referentieafdrukken in Havank.
Bij de aanvraag werden de volgende gegevens vastgelegd:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

Resultaat dactyloscopisch onderzoek
Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon
geregistreerd in Havank onder:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor 08170920040100005 en de afbeelding van de Palm R van incidentnummer 316000200906 geregistreerd in Havank onder biometrienummer.
Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.
Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 11 op 12 september 2020 waren [verdachte] , [naam] en [naam] samen op straat. Op enig moment kwamen zij medeverdachte [medeverdachte] tegen die alleen was. Zij raakten in gesprek en liepen samen verder in de richting van de woning aan de [adres] te [plaats] .
Wat betreft dit gezamenlijk oplopen valt op grond van de wettige bewijsmiddelen voor het hof niet vast te stellen wat op welk moment precies is besproken en wie wetenschap heeft gehad van wat zou gaan gebeuren. Wel kan op grond van de wettige bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte op enig moment samen met [medeverdachte] naar de voordeur van de woning aan de [adres] te [plaats] is gelopen. Voor die voordeur werd op verzoek van [medeverdachte] de brievenbus geopend door de verdachte. [medeverdachte] heeft vervolgens een stuk zwaar vuurwerk, een aangestoken Cobra 6, in de brievenbus gedaan, waardoor een ontploffing is veroorzaakt als gevolg waarvan [slachtoffer] ernstig letsel heeft opgelopen.
Opzet
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op het veroorzaken van een ontploffing en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie voorwaardelijk opzet op een bepaald
gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de
aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, waaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit het NFI-rapport komt naar voren dat er gevaar ontstaat voor letsel als een Super Cobra 6 ontploft, vooral voor personen in het halletje. Bij lichaamscontact met een Super Cobra 6 ten tijde van de explosie, is ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk letsel een gegeven. Zelfs op enkele tientallen meters afstand kan nog (al dan niet permanente) gehoorschade worden opgelopen door de explosie van een Super Cobra 6. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk zoals een Cobra gevaarlijk is en ernstig letsel kan veroorzaken. Dat er in het halletje van de woning personen zouden zijn die wakker waren, was mede gelet het tijdstip van het gebeuren een reële mogelijkheid en niet onwaarschijnlijk. Naar het oordeel van het hof was er dan ook een aanmerkelijke kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door de ontploffing van de Cobra.
Zonder dat de verdachte wist of er personen in de woning aanwezig waren, en dus ook zonder te weten of zich personen achter of vlakbij de brievenbus bevonden, heeft de verdachte de brievenbus opengedaan en opengehouden, zodat [medeverdachte] daar een aangestoken Super Cobra 6 in kon doen. Dat het hof op grond van de bewijsmiddelen niet kan vaststellen of de verdachte van begin af aan op de hoogte was van het voornemen om een aangestoken Super Cobra 6 door de brievenbus te doen, neemt niet weg dat de verdachte naar eigen zeggen wist dat [medeverdachte] destijds “met rare dingen bezig was” en aanvoelde dat het niet klopte. De verdachte heeft naar eigen zeggen immers meermaals niet gereageerd op de vraag van [medeverdachte] om de brievenbus open te doen, omdat hij niet wist wat er dan zou gaan gebeuren. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij heeft gevraagd waarom hij dat moest doen en dat hij heeft gezegd dat hij het niet wilde, omdat hij geen domme dingen wilde doen. Door met [medeverdachte] mee te lopen naar de voordeur van de woning, waarbij het hof tevens betrekt de door de verdachte in hoger beroep overgelegde verklaring waarin hij heeft verklaard dat [medeverdachte] hem vroeg mee te lopen naar de woning van [slachtoffer] omdat hij ‘nog iets af te handelen had’, vervolgens desondanks en ondanks dat hij aanvoelde dat het niet klopte de brievenbus open te doen en die brievenbus open te houden terwijl [medeverdachte] een Cobra aanstak en de brandende Cobra in de brievenbus deed, heeft de verdachte gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat de Cobra in het halletje zou ontploffen en dat er iemand in het halletje van de woning aanwezig zou zijn die door de ontploffing zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarmee had de verdachte voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van een ontploffing en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De suggestie van de verdediging dat de verdachte door [medeverdachte] onder druk zou zijn gezet om de brievenbus te openen is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Daarbij geldt dat ook als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), sprake kan zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Hoewel de verdachte niet zelf het explosief heeft aangestoken en door de brievenbus heeft gedaan heeft hij een significantie bijdrage geleverd aan het uitvoeren van de feiten door samen met [medeverdachte] naar de voordeur te lopen, de brievenbus open te doen en – terwijl [medeverdachte] de Cobra aanstak – de brievenbus open te houden, zodat [medeverdachte] de Cobra door de brievenbus kon doen.
Daarmee was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] , waarbij het aandeel van de verdachte verder gaat dan medeplichtigheid en van zodanig bepalende en essentiële invloed is geweest op de uitvoering van de feiten, dat zijn rol moet worden aangemerkt als medepleger.
Levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel gemeen gevaar voor goederen
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat er levensgevaar van personen te duchten was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte daarom vrijgesproken. Het rapport houdt van de NFI-deskundige houdt in dat bij (vrijwel) direct contact met het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon, letsel zeer ernstig tot dodelijk kan zijn. Naar het oordeel van het hof was naar algemene ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar dat de Cobra tijdens de ontploffing direct contact zou hebben met het hoofd, de nek of de romp van een ander.
Naar het oordeel van het hof was naar algemene ervaringsregels wel redelijkerwijs gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander voorzienbaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk als een Cobra ernstig letsel zoals brandwonden en gehoorschade kan veroorzaken. De raadsman heeft aangevoerd dat de benedenverdieping en de hal verlaten waren, maar uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij daar in het geheel niet op heeft gelet. Dat zich personen in de woning in of in de nabijheid van het halletje op de benedenverdieping zouden bevinden was eveneens redelijkerwijs voorzienbaar, nu de ontploffing werd teweeggebracht op een tijdstip waarop op weekenddagen heel goed nog mensen wakker en beneden konden zijn en een reële kans bestond dat iemand op het sissende geluid van de brandende, vonkende lont van het vuurwerk in de brievenbus van de voordeur af zou komen.
Naar het oordeel van het hof is ook evident dat gemeen gevaar voor goederen ontstaat als door een Super Cobra 6 in de brievenbus van een woning een ontploffing wordt veroorzaakt. Ook dit komt naar voren in het rapport van de NFI-deskundige.
Zwaar lichamelijk letsel
Uit de letselrapportage en de aangifte blijkt dat door de ontploffing ernstig lichamelijk letsel bij [slachtoffer] is opgetreden, dat voor dit letsel een langdurig medisch traject nodig is en dat gelet op de gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger tevens sprake is van blijvende schade en daarmee van functiebeperking. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij [slachtoffer] is veroorzaakt, gelet op de aard en de gevolgen daarvan, zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander opzettelijk een ontploffing heeft veroorzaakt, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en dat de verdachte samen met een ander aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. primair
hij op
of omstreeks12 september 2020 in de [gemeente]
tezamen en in vereniging met één
of meerander
en,
althans alleen,
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
(onder meer)meerdere brandwonden op de borst, de buik en
/ofde hals
, in ieder geval op het lichaamen
/ofeen afgerukt
(deel van een
)vinger en
/oflosgeraakte banden van het duimgewricht en
/oflosgeraakte huid aan de binnenkant van een hand en
/ofeen
(permanente)gehoorbeschadiging,
heeft
/hebbentoegebracht door
- een Cobra 6
, in ieder geval een stuk knalvuurwerk,aan te steken en
/of
- die Cobra 6
, in ieder geval dat vuurwerk,in de brievenbus van de voordeur van een woning te duwen,
waarna die Cobra 6
, in ieder geval dat vuurwerktot ontploffing is gekomen
/gebracht;
2.
primair
hij op
of omstreeks12 september 2020 in de [gemeente]
tezamen en in vereniging met één
of meerander
en,
althans alleen,
in een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft
/hebbengebracht door een Cobra 6
, in ieder geval een stuk knalvuurwerk,aan te steken en
/ofdie Cobra
, in ieder geval dat vuurwerk,in de brievenbus van de voordeur van betreffende woning te duwen,
waardoor die Cobra
, in ieder geval dat vuurwerktot ontploffing is gekomen
/gebrachten daarvan gemeen gevaar voor die voordeur en
/ofdie woning en
/ofin die woning aanwezige goederen en
/ofde hond,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en/of overige aanwezige perso(o,)n(en,),
in elk geval levensgevaar voor een ander of anderenen
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] en
/ofoverige aanwezige perso
(o)n
(en
),
in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,te duchten was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde en het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van zware mishandeling

en

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Verzoek toepassing van het adolescentenstrafrecht

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. De persoonlijkheid van verdachte noopt hiertoe. Mocht het nodig zijn hierover nader advies in te winnen, is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om dit advies te laten opstellen.
De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. Dat brengt mee dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast, tenzij in bijzondere omstandigheden aanleiding moet worden gezien daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan worden besloten op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waar onder het feit is begaan.
Het hof heeft kennis genomen van een aantal rapportages over de verdachte:
  • het reclasseringsrapport van 21 maart 2022;
  • het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025.
Alles overziend, acht het hof zich op grond van de rapportages die zich op dit moment in het dossier bevinden voldoende voorgelicht over de persoon van de verdachte en de factoren die van belang zijn voor eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht. Het hof acht het opmaken van een aanvullend advies hierover, zoals de raadsman heeft verzocht, dan ook niet noodzakelijk.
Het hof heeft acht geslagen op de adviezen in de hiervoor genoemde rapporten – waarin het hof zich kan vinden en die passen bij het beeld die het hof van de verdachte heeft gekregen – en de omstandigheden waaronder de delicten zijn begaan, en ziet in de persoonlijkheid van de verdachte geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Het hof zal de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht berechten.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beschermd wonen en een contactverbod met aangeefster en haar gezin en met medeverdachte [medeverdachte] als bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar in geval van een bewezenverklaring verzocht om aan de verdachte gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en op de overschrijding van de redelijke termijn geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Samen met [medeverdachte] heeft de verdachte een brandende Cobra in de brievenbus van de woning van de familie [slachtoffer] gedaan. In de woning waren op dat moment meerdere gezinsleden en hun hond aanwezig. [slachtoffer] , die een brandend pijpje in haar brievenbus zag, maar niet wist dat het om vuurwerk ging, wilde haar huis en de hond beschermen en het pijpje naar buiten werken. Op dat moment is de Cobra ontploft. [slachtoffer] is daardoor ernstig gewond geraakt. Zij heeft onder meer letsel opgelopen aan haar hoofd, hals, borstkas, schouders, buik, rechterarm, rechterhand en beide benen. In het ziekenhuis moest het rechterwijsvingertopje van het slachtoffer worden geamputeerd. Ook heeft zij permanente gehoorschade opgelopen.
De ontploffing heeft enorme gevolgen gehad voor het slachtoffer en haar gezin, zoals ook
blijkt uit het tijdens de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht van het slachtoffer. Hun leven is ingrijpend veranderd door de lichamelijke en psychische gevolgen van de ontploffing voor [slachtoffer] . Haar werk in de zorg, dat ze met liefde deed, kan ze daardoor niet meer uitoefenen. Lichamelijk ervaart ze nog veel ongemak, maar ook de geestelijke gevolgen hebben hun weerslag op haar leven en dat van het gezin. Verder hebben zij er veel verdriet van dat zij hun hond door de ontploffing hebben moeten laten inslapen.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op zo’n lichtzinnige wijze de veiligheid van de [slachtoffer] in hun eigen huis in gevaar heeft gebracht, en dat dat gevaar zich
voor [slachtoffer] ook heeft gerealiseerd. Door het handelen van de verdachte zijn niet alleen gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en haar gezin teweeg
gebracht, maar ook in de samenleving in het algemeen. Handelen zoals dat van verdachte leidt in de samenleving tot brede gevoelens van angst en onveiligheid
Uit een recent uittreksel uit de justitiële documentatie komt naar voren dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, ook voor geweldsdelicten. De verdachte is een paar maanden voor de ontploffing nog veroordeeld en stond tijdens de onderhavige delicten onder toezicht van de reclassering. Kennelijk hebben de eerdere veroordelingen en de op dat moment recent opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht en zoals deze ook naar voren komen uit de reclasseringsrapportages van 21 maart 2022 en 17 oktober 2025.
Het hof heeft tevens oog voor de gevolgen die een gevangenisstraf mogelijk voor hem hebben. Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen straf rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.
Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is ingesteld op 11 april 2022 en dit arrest wordt gewezen op 27 november 2025, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim drie jaren en zeven maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof is van oordeel dat dit niet voor rekening van de verdachte dient te komen. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door drie maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, worden opgelegd. Een lagere gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof zal een contactverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, zodat meteen kan worden ingegrepen als de verdachte contact zou zoeken met aangeefster of haar gezin.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 125.082,08 ingediend, bestaande uit de volgende posten:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

De rechtbank heeft dit bedrag deels toegewezen tot een bedrag van € 120.299,05.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd, met dien verstande dat de gevorderde posten voor verlies van verdienvermogen thans een bedrag van in totaal € 229.875,00 bedragen en dat een extra schadepost is toegevoegd van in totaal € 2.922,15 voor de factuur van het NRL voor het berekenen van het verlies aan verdienvermogen. De advocaat van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij de huidige stand van zaken, waarbij er meer informatie is over de daadwerkelijke omvang van het verlies aan verdienvermogen, alleszins redelijk is om de vordering te verhogen.
Het hof moet een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding en de verhoging en toevoeging van de hiervoor genoemde posten.
Eisvermeerdering
Het hof stelt voorop dat voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich op grond van artikel 421 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep kan voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking “binnen de grenzen van haar eerste vordering” moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932). Het wettelijk stelsel biedt geen ruimte voor een andere uitleg.
Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof onderkent dat de strafrechter, zoals is betoogd door de raadsvrouw van de benadeelde partij, ambtshalve en los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof noopt het hierboven omschreven verbod tot het opvoeren van nieuwe schadeposten in de vordering of tot verhoging van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep echter tot een zeer terughoudende toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor nieuwe of verhoogde schadeposten. Indien daartoe te lichtvaardig zou worden overgegaan, zou dit feitelijk kunnen leiden tot omzeiling van het eerdergenoemde verbod.
Een en ander impliceert dat de mogelijkheid tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel in hoger beroep die mede is ingegeven door een vordering van de benadeelde partij die een nieuwe schadepost toevoegt en/of die de hoogte van de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg overstijgt alleen in uitzonderlijke gevallen bestaat. Naar het oordeel van het hof is van een zodanig geval hier geen sprake.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof ten aanzien van een gedeelte van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering -gedeeltelijk - zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Materiële schade
De volgende gevorderde materiële kosten komen voor vergoeding in aanmerking:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

De schadeposten verlies zelfwerkzaamheid, ziektekosten en parkeer- en reiskosten zijn niet door de verdachte en diens raadsman weersproken. Het hof acht de schadeposten voldoende aannemelijk geworden en in zodanig verband staan met de door de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, dat deze kosten aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend.
Huishoudelijke hulp
De verdediging heeft bepleit dat de verzochte vergoeding voor huishoudelijke hulp moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat alle huishoudelijke taken voor rekening van de benadeelde zijn gekomen en de benadeelde partij zeer waarschijnlijk recht had op thuiszorg via de gemeente van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO).
Het hof acht de noodzaak tot het maken van de kosten voor huishoudelijke hulp gelet op de onderbouwing van de vordering op dit punt, mede aan de hand van de medische informatie, voldoende aannemelijk. Het hof is van oordeel dat deze schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. Vaste rechtspraak is dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp en/of verzorging door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moet worden vergoed indien deze niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging waarbij – zo begrijpt het hof – een beroep is gedaan op de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij, met de stelling dat zij een beroep had kunnen en moeten doen op de WMO, dan wel haar gezinsleden. Het hof verwijst in dat verband naar uitspraak van 19 juni 2013 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2013:776) waarin is geoordeeld dat de weigering van een gemeente een uitkering te doen in het kader van de WMO terecht was, nu het slachtoffer van een verkeersongeval zijn kosten had kunnen verhalen op de aansprakelijke partij. Dat hij stelde dit niet te hebben gedaan, kon hem niet baten. De benadeelde partij was naar het oordeel van het hof aldus niet gehouden een beroep te doen op de WMO, dan wel haar gezinsleden.
Overige kosten
Ten aanzien van de kosten voor de deurbel met beveiligingscamera en het camerasysteem overweegt het hof dat de kosten van het plaatsen van het camerasysteem en de deurbel bij de woning van de benadeelde partij kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij komt naar voren dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte hevige gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren waardoor zij zich niet meer veilig voelde in haar eigen woning. Verder komt uit de stukken naar voren dat de deurbel door de explosie was verwoest en dat de benadeelde één dag na de bewezenverklaarde explosie een deurbel met beveiligingscamera en later ook een camerasysteem heeft aangeschaft om haar door de explosie ontstane gevoel van onveiligheid te verminderen. Naar het oordeel van het hof bestaat aldus voldoende verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om deze schade als rechtstreekse schade aan te merken.
Verlies van verdienvermogen (€ 96.679,32)
Deze schadeposten zijn door de verdachte en diens raadsman betwist.
Het hof kan in deze procedure niet zonder meer vaststellen in hoeverre de door de benadeelde partij gevorderde schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op.
Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
De opgevoerde immateriële schade komt gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat:
de verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt. Volgens de bij de vordering gevoegde medische (letsel)beschrijvingen heeft de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Daarnaast geldt dat in voorkomende gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (op andere wijze) kan worden aangenomen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Hiervan is in deze zaak naar het oordeel van het hof sprake. Het ligt zo voor de hand dat een persoon die op de eerder beschreven wijze gewond is geraakt daarvan nadelige psychische gevolgen ondervindt, dat het hof een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro aanneemt. De schade is aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid en met inachtneming van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, op € 14.000,00 en zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.
Proceskosten
Nu het hof de vordering gedeeltelijk en niet geheel toewijst, zal het hof ten aanzien van de proceskosten bepalen dat de procespartijen ieder hun eigen kosten dragen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
De verdediging heeft verzocht geen mogelijke gijzeling te verbinden aan de betalingsverplichting, nu verdachte thans niet in staat is aan een betalingsverplichting te voldoen. Het hof gaat hieraan echter voorbij en ziet aanleiding in deze zaak het in het dictum vermelde aantal dagen (eventuele) gijzeling aan die betalingsverplichting te verbinden. Indien de verdachte niet volledig verhaal biedt zal te zijner tijd worden beoordeeld of de gijzeling geëffectueerd wordt of dat de verdachte op dat moment in betalingsonmacht verkeert.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft op 22 maart 2022 schriftelijk de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2020 in de zaak met parketnummer 08-054452-20 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen.
De raadsman heeft verzocht de proeftijd te verlengen, dan wel deze voorwaardelijke gevangenisstraf bij tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de aan de voorwaardelijke straf verbonden proeftijd aan nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt en hiermee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zal het hof in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging gelasten van een taakstraf van 240 (tweehonderd veertig) uren, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door een hechtenis voor de duur van 4 (vier) maanden. Daarmee hanteert het hof de gebruikelijke wijze van omzetting naar de hoeveelheid uren taakstraf, zoals landelijk door strafrechters wordt gehanteerd en zal de vervangende hechtenis de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf niet overstijgen. Voor een lager aantal uren dan vanuit een oogpunt van gelijkheid in de regel wordt gehanteerd, ziet het hof geen reden en tot een eventuele vermindering in het aantal uren vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak evenmin.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 57, 63, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met:
- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970,
- [partner] , geboren [geboortedatum] 1970,
- [naam] , geboren [geboortedatum] 2003,
- [naam] , geboren [geboortedatum] 1998,
- [naam] , geboren [geboortedatum] 1995.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 28.143,81 (achtentwintigduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent)bestaande uit € 14.143,81 (veertienduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s)
hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijkis, vermeerderd met de
wettelijke rentevanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.143,81 (achtentwintigduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 14.143,81 (veertienduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 176 (honderdzesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 september 2020.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 26 juni 2020 met parketnummer 08-054452-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
4 (vier) maanden hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. D. Stikkelbroeck, mr. R.H. Koning, mr. J. Corthals en in aanwezigheid van de griffier mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 november 2025.