ECLI:NL:GHARL:2025:7384

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
200.338.462/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van vervangingsschade door gebrekkige plaatsing van een dakkapel en de vraag of de eiser eerder kon opschorten dan zijn aannemer

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, staat de vordering tot betaling van vervangingsschade door gebrekkige plaatsing van een dakkapel centraal. De eiser, Dakkapel.nl B.V., heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter van 27 september 2023, waarin de schadevergoeding van € 6.388,03 aan de geïntimeerde werd toegewezen. De kern van het geschil betreft de vraag of de geïntimeerde recht heeft op schadevergoeding en of hij zijn betalingsverplichting kon opschorten. De kantonrechter oordeelde dat de geïntimeerde recht had op schadevergoeding, terwijl Dakkapel.nl B.V. betoogde dat de geïntimeerde in verzuim verkeerde door niet tijdig te betalen. Het hof heeft de procedure in hoger beroep gevolgd, waarbij partijen hun grieven en antwoorden hebben ingediend. Het hof concludeert dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de geïntimeerde zijn opschortingsrecht rechtsgeldig heeft uitgeoefend. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van Dakkapel.nl B.V. af. Dakkapel.nl B.V. wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.338.462/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10233263
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
Dakkapel.nl B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna:
Dakkapel,
advocaat: mr. F.J.M. Kobossen te Twello,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats1] ,
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. H.A. van Beilen te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De in het arrest van 23 april 2024 gelaste mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen niet plaatsgehad. In plaats daarvan hebben partijen memories van grieven en antwoord genomen. Hierna hebben zij het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] recht heeft op vergoeding van schade die is ontstaan bij het plaatsen van dakkapellen op zijn woning door Dakkapel.
2.2
De kantonrechter heeft die vraag in het bestreden een vonnis van 27 september 2023 deels bevestigend beantwoord en heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] recht heeft op betaling van een schadevergoeding van € 6.388,03. Omdat [geïntimeerde] op basis van de overeenkomst nog € 8.622,- aan Dakkapel moest betalen, heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 2.233,97, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 april 2021.
2.3
De bedoeling van het hoger beroep van Dakkapel is het beroep van [geïntimeerde] op verrekening grotendeels wordt verworpen en dat hij wordt veroordeeld om € 7.922,-, aan Dakkapel te betalen.
2.4
Het hof is het eens met de kantonrechter en zal daarom het vonnis in stand laten en de kantonrechter volgen in de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van Dakkapel. Dat oordeel zal hierna worden toegelicht.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben op of omstreeks 10 maart 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten voor het leveren en plaatsen van twee dakkapellen op de woning van [geïntimeerde] tegen betaling van € 24.457,- inclusief btw. De overeenkomst is bevestigd in een tweetal opdrachtbevestigingen. In beide gevallen wordt opgemerkt dat [geïntimeerde] voor 11.00 uur op de dag van de plaatsing het verschuldigde bedrag moest betalen. Daarnaast zijn partijen op enig moment overeengekomen dat [geïntimeerde] € 280,- aan Dakkapel zal betalen voor de afvoer van bouwmaterialen.
3.2
Dakkapel heeft de dakkapellen op 19 april 2021 geplaatst, en [geïntimeerde] heeft die dag € 12.961,- betaald.
3.3
Na het verrichten van de werkzaamheden heeft Dakkapel een opleveringsformulier achtergelaten waarop meerdere punten stonden die nog uitgevoerd moesten worden.
3.4
In april en mei 2021 hebben partijen over de opleverpunten contact met elkaar gehad. Ook heeft [geïntimeerde] Dakkapel op de hoogte gebracht van lekkage die na de oplevering was ontstaan.
3.5
Op 18 mei 2021 geeft Dakkapel aan dat er nog werk moet worden verricht dat met twee man twee dagen in beslag gaat nemen. Dit werk bestond onder meer uit het demonteren van de voorzijden en het opnieuw opbouwen daarvan. Daarbij wordt door Dakkapel het verzoek gedaan om 70% van de openstaande bedragen van € 11.496,- en
€ 280,- te voldoen.
3.6
Op 26 mei 2021 stuurt de gemachtigde van [geïntimeerde] een ingebrekestelling aan Dakkapel waarin zij wordt gesommeerd om de genoemde gebreken binnen veertien dagen te herstellen.
3.7
Op 10 juni 2021 stuurt Dakkapel een brief waarin zij aangeeft het netjes te willen oplossen en waarin zij voorstelt dat [geïntimeerde] 50% van de openstaande facturen van
€ 11.496,- en € 280,- betaalt vóór het verrichten van de werkzaamheden en het restant nadat de werkzaamheden zijn verricht.
3.8
Op 14 juni 2021 stuurt [geïntimeerde] een e-mail aan Dakkapel waarin wordt voorgesteld om 25% van € 11.496,- (€ 2.874,-) vóór aanvang van de werkzaamheden te voldoen en de resterende 75% na het verrichten van de werkzaamheden. Op dezelfde dag antwoordt Dakkapel dat zij met twee mannen onderweg is naar [geïntimeerde] en dat zij de 25% graag tegemoet ziet. Dakkapel heeft die dag geen (noemenswaardige) werkzaamheden verricht. [geïntimeerde] heeft ‘s avonds € 2.874,- overgemaakt op de bankrekening van Dakkapel.
3.9
Op 26 juni 2021 heeft Dakkapel wel herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Die waren echter niet naar tevredenheid van [geïntimeerde] . Hij heeft Dakkapel op 12 juli 2021 laten weten dat hij de werkzaamheden van Dakkapel door een expert wil laten beoordelen. Hij heeft daarna Expertisebureau EMN ingeschakeld als deskundige om het werk te beoordelen. EMN heeft op 12 juli 2021 de woning van [geïntimeerde] bezocht. [geïntimeerde] en een vertegenwoordiger van Dakkapel waren hierbij aanwezig.
3.1
Op 15 november 2021 heeft [geïntimeerde] de factuur van € 280,- voor het afvoeren van bouwafval betaald.
3.11
EMN heeft op 13 december 2021 een rapport uitgebracht na een onderzoek van EMN dat was gericht op de kwaliteit van de werkzaamheden van Dakkapel, de actuele gebreken, lekkages en de kosten van herstel van de dertien geconstateerde gebreken.
3.12
Op basis van het deskundigenrapport heeft [geïntimeerde] op 21 december 2021 Dakkapel gesommeerd de problemen met de geplaatste dakkappellen te verhelpen. Dakkapel heeft op 22 juni 2022 de woning van [geïntimeerde] bezocht, heeft daar werkzaamheden verricht en heeft een opleveringsrapport opgemaakt.
3.13
Op 17 mei 2022 is namens [geïntimeerde] aan Dakkapel een omzettingsverklaring als bedoeld in art. 6:87 BW gestuurd waarin betaling van vervangende schadevergoeding wordt gevorderd. Partijen hebben hierna nog contact gehad om de door EMN genoemde punten te laten herstellen door Dakkapel. Dit overleg heeft niet geleid tot een oplossing.

4.Het oordeel van het hof

Inleiding
4.1
Het hof hecht eraan eerst op te merken dat het veel te lang heeft geduurd voordat deze uitspraak kon worden gedaan. De conclusie zal nu zijn dat het bestreden vonnis in stand blijft. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
4.2
Zoals [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord terecht constateert, is het niet eenvoudig om in de weinig overzichtelijke memorie van grieven duidelijke bezwaren tegen de overwegingen van de kantonrechter te ontdekken. Het voorgaande brengt logischerwijs beperkingen voor het hof met zich ten aanzien van de mogelijkheden tot herbeoordeling van dit geschil.
Verzuim [geïntimeerde]
4.3
Het meest verstrekkende verweer van Dakkapel tegen de schadevordering is dat [geïntimeerde] in verzuim verkeerde, omdat hij voor aanvang van de werkzaamheden op 19 april 2021 de volledige hoofdsom niet heeft betaald. Daardoor kon zij niet zelf in verzuim kon komen ten aanzien van de verplichting om gebreken te herstellen.
4.4
Beide partijen hebben zich bij de kantonrechter beroepen op opschorting van hun wederzijdse verplichtingen: [geïntimeerde] van zijn verplichting om de factuur van € 11.496,- (en de factuur van € 280,-) te betalen en Dakkapel van haar verplichting om het werk af te maken en aanwezige gebreken te herstellen. In een zaak als deze, waarbij de overeenkomst er niet toe strekt dat partijen ‘gelijk oversteken’, kunnen zij zich niet tegelijkertijd op opschorting beroepen. Uitgangspunt is dan dat degene die als laatste moet presteren mag afwachten totdat de ander zijn prestatie heeft verricht. Voorwaarde voor een beroep op opschorting is dat de vordering die de een op de ander stelt te hebben, opeisbaar is en voldoende samenhangt met de nog uit te voeren verbintenis. Dat bij een aannemingsovereenkomst als deze de verplichting tot betaling van de factuur voor uitgevoerde werkzaamheden in beginsel voldoende samenhangt met een mogelijke verbintenis tot herstel van gebreken, staat niet ter discussie.
4.5
Bij de beoordeling wie als eerste moet presteren, moet worden onderzocht of de door [geïntimeerde] gestelde tegenvordering tot herstel van gebreken al voor opeisbaar was voordat de werkzaamheden op 19 april 2021 werden gestart, althans voordat de factuur van 21 april 2021 van € 11.496,- opeisbaar werd.
4.6
Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Daarom kan [geïntimeerde] zijn opschortingsbevoegdheid uitoefenen. Daarvoor is van belang dat Dakkapel op 19 april 2021 de werkzaamheden heeft verricht, waarbij een aantal opleverpunten zijn genoemd. Daarmee is op die dag de vordering van [geïntimeerde] op Dakkapel ontstaan en vervolgens opeisbaar geworden om de resterende werkzaamheden c.q. herstelwerkzaamheden af te ronden. Dakkapel stelt dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] toen al op 19 april voor 11.00 uur opeisbaar was en daarmee
vooraanvang van de werkzaamheden, waarbij zij verwijst naar de opdrachtbevestiging waarin staat vermeld dat vóór 11.00 uur op de dag van de plaatsing per bank moet zijn betaald. Volgens [geïntimeerde] hebben partijen echter afwijkende afspraken gemaakt. Het hof volgt hem hierin, te meer nu in de memorie van grieven niet kenbaar is gegriefd tegen de overweging van de kantonrechter op dit punt.
4.7
Die afwijkende afspraken komen erop neer dat niet al op 19 april hoefde te worden betaald. Een en ander blijkt onder meer uit het feit dat Dakkapel op 19 april 2021 de werkzaamheden heeft verricht, waarbij het uitblijven van de betaling van [geïntimeerde] onbesproken is gebleven. Op de factuur van 21 april 2021 ad € 11.496,- stond vervolgens dat daarmee factuur 2021-3471 verviel. Hoewel het hof niet over factuur 2021-3471 beschikt, leidt het hof hieruit de nadere afspraak af dat voor [geïntimeerde] de betalingstermijn op deze later verzonden factuur is gaan gelden. [geïntimeerde] kon zijn betalingsverplichting toen al opschorten totdat Dakkapel de resterende werkzaamheden of de herstelwerkzaamheden had uitgevoerd. Beide partijen gaan er namelijk vanuit dat die vordering op 19 april opeisbaar is geworden. Het feit dat [geïntimeerde] zich toen niet expliciet op opschorting heeft beroepen, is daarbij niet relevant. Het opschortingsrecht is een verweermiddel tegen een opeisbare vordering en kan ook later (in een procedure) worden ingeroepen.
4.8
De factuur van 19 april 2021 van € 280,- voor de afvoer van bouwmaterialen heeft [geïntimeerde] op 15 november 2021 betaald. Voor zover Dakkapel bedoelt dat [geïntimeerde] deze factuur niet op tijd heeft betaald en hij daardoor niet op 19 april 2021 mocht opschorten, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat deze betalingsverplichting al vóór aanvang van de werkzaamheden op 19 april 2021, en dus voor het opeisbaar worden van de vordering van [geïntimeerde] op Dakkapel is ontstaan.
4.9
Het voorgaande maakt dat [geïntimeerde] rechtsgeldig een opschortingsrecht heeft uitgeoefend door niet te betalen. Daarna heeft [geïntimeerde] op 26 mei 2021 een ingebrekestelling verstuurd waarin hij Dakkapel sommeert om binnen veertien dagen deugdelijk na te komen. Dakkapel heeft aan deze sommatie niet voldaan en is daarmee op 9 juni 2021 in verzuim komen te verkeren. Dat [geïntimeerde] geen gelegenheid heeft gegeven om te herstellen – zoals Dakkapel stelt – is niet gebleken.
De hoogte van de schade
4.1
[geïntimeerde] heeft op 17 mei 2022 zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De kantonrechter heeft de hoogte van de door [geïntimeerde] geleden schade ten gevolge van gebreken die zijn toe te rekenen aan Dakkapel vastgesteld op een totaalbedrag van € 6.388,03. De kantonrechter heeft bij het vaststellen van dit bedrag rekening gehouden met het deskundigenrapport van EMN en een offerte van Bouwbedrijf de Vuursche. Ten aanzien van een aantal van de door de deskundige vastgestelde gebreken heeft de kantonrechter geoordeeld dat Dakkapel de verschuldigdheid van deze posten dan wel de daarmee verband houdende schade onvoldoende heeft betwist, waardoor Dakkapel hiervoor aansprakelijk is.
4.11
Dakkapel heeft – ook in hoger beroep – onvoldoende aangevoerd om te twijfelen aan de expertise en/of onafhankelijkheid van EMN en heeft evenmin een eigen deskundigenrapport overgelegd van een onafhankelijke deskundige, zodat het hof dit rapport als uitgangspunt zal hanteren bij de verdere beoordeling.
4.12
Het hof leest in de memorie van grieven geen afdoende betwisting van de in het deskundigenrapport genoemde gebreken en de hieraan gekoppelde hoogte van de schade, voor zover die door de kantonrechter ten grondslag zijn gelegd aan de veroordeling van Dakkapel. Het hof zal dat hierna per gebrek kort toelichten.
- (
(gebrek 1: ventilatierooster inclusief kleine ruit): volgens Dakkapel gaat het slechts om één ventilatierooster waarvoor € 60,- in rekening is gebracht volgens de offerte, terwijl de deskundige uitgaat van € 360,- en de kantonrechter € 550,88 redelijk vond;
Het hof leest hierin geen deugdelijke betwisting van de aangevoerde kosten. Volgens de deskundige omvatten de herstelwerkzaamheden ook het leveren en plaatsen van een raam, waar de offerte ook vanuit gaat.
- (
(gebrek 2: afwerking kozijnen): Dakkapel betwist verantwoordelijk te zijn voor afwerking van de kozijnen;
Dakkapel heeft in het licht van het deskundigenrapport onvoldoende betwist dat deze post voor haar rekening komt. De hoogte van de kosten wordt niet betwist, zodat het hof het oordeel van de kantonrechter zal volgen.
- (
(gebrek 4: beschadiging/vervuiling rolluiken en vervangen lamellen/rubbers): volgens Dakkapel zijn de rolluiken niet beschadigd en hoefden de lamellen/rubbers niet vervangen te worden. Maximaal kan een bedrag van € 50,- in rekening worden gebracht;
Het hof leest hierin geen deugdelijke betwisting van de aangevoerde kosten. Dat een garantie zou zijn overeengekomen met de producent van de rolluiken, doet hieraan niet af.
- (
(gebrek 7: deuk/kras boeideel): Dakkapel heeft vastgesteld dat sprake is van een deuk in het boeideel wat voor maximaal € 200,- aan kosten met zich zou meebrengen;
Het hof leest hierin geen deugdelijke betwisting van de aangevoerde kosten. De kantonrechter heeft de kosten redelijk geacht op basis van de begroting van de deskundige. Dat Dakkapel hier jaren na oplevering mee wordt geconfronteerd, komt voor haar eigen rekening, nu zij de gebreken niet eerder heeft hersteld.
- (
(gebrek 9: lekkage wegens gebroken dakpannen en onjuist uitgevoerde dakrand): Dakkapel betwist dat zij hiervoor aansprakelijk is. Zij heeft zelf op 22 juni 2022 geconstateerd dat er geen gebroken dakpannen waren en [geïntimeerde] heeft inmiddels zonnepanelen, waardoor vervanging van de dakpannen niet meer nodig is;
Het hof leest hierin geen deugdelijke betwisting van de aangevoerde kosten. De kantonrechter heeft op basis van het deskundigenrapport vastgesteld dat schade is geleden door toedoen van Dakkapel en heeft het in de offerte opgenomen bedrag voor deze post redelijk geacht. Of [geïntimeerde] de dakpannen heeft hersteld, is niet relevant. Volgens vaste rechtspraak is voor het toekennen van schadevergoeding niet vereist is dat het herstel daadwerkelijk plaatsvindt. [1]
Buitengerechtelijke kosten
4.13
Voor zover Dakkapel grieft tegen het oordeel van de rechtbank over de buitengerechtelijke kosten, miskent Dakkapel dat zij in verzuim heeft verkeerd en daarom geen betaling van het openstaande bedrag kon vorderen totdat zij correct was nagekomen of – na de omzettingsverklaring – het bedrag aan vervangende schadevergoeding had betaald. De buitengerechtelijke kosten komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking.
De conclusie
4.14
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dakkapel in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dakkapel tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 27 september 2023;
5.2
veroordeelt Dakkapel tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 343,- aan griffierecht
€ 858,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x appeltarief I)
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
18 november 2025.

Voetnoten

1.Zie o.m. HR 16 juni 1961, ECLI:NL:HR:1961:137 (Telefoonkabel); HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.2; HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:315, r.o. 3.1.2.