De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende maakte bezwaar en kwam in beroep bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet tijdige betaling van het volledige griffierecht. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelde dat de griffier niet verplicht is een nieuwe betaaltermijn te stellen voor het resterende griffierecht na een gedeeltelijke betaling. Omdat het griffierecht niet volledig en tijdig was betaald en er geen sprake was van verschoonbaar verzuim, was het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Verder werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase afgewezen, omdat de rechtbank binnen anderhalf jaar uitspraak deed en het financiële belang in hoger beroep onvoldoende aannemelijk was. Het hof constateerde wel dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, maar zag geen aanleiding voor vergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.