Uitspraak
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2012 getrouwd en hebben drie minderjarige kinderen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Na hun echtscheiding bepaalde de rechtbank dat de man huurder van de woning zou zijn en dat hij geen kinderalimentatie hoefde te betalen vanwege zijn onvoldoende draagkracht. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat zij het huurrecht van de woning moest krijgen en dat de man kinderalimentatie moest betalen.
Het hof oordeelde dat het belang van de vrouw bij het huurrecht zwaarder weegt, omdat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben, de woning dichtbij school ligt en de vrouw geen auto heeft en lijdt aan een hernia. Daarom wordt het huurrecht binnen veertien dagen na de beschikking aan de vrouw toegewezen.
Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde het hof vast dat de man een netto besteedbaar inkomen van €2.076 heeft en een draagkracht van €117 per maand. De vrouw heeft een draagkracht van €50. De totale behoefte van de kinderen is €970 per maand. Gezien het tekort en de zorgkorting van 25% (omdat de zorgregeling niet volledig wordt nagekomen), moet de man €117 per maand betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ingaande op de datum van de beschikking.
De proceskosten worden gecompenseerd en elke partij draagt haar eigen kosten. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het oordeel van het hof betreft.
Uitkomst: Het hof wijst het huurrecht van de woning toe aan de vrouw en bepaalt dat de man €117 per maand kinderalimentatie betaalt vanaf 25 september 2025.