ECLI:NL:GHARL:2025:5747

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
Wahv 200.348.848/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie doorrijden rood verkeerslicht en proceskostenvergoeding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 7 oktober 2020 in Hilversum. De kantonrechter mat de sanctie tot €180 en kende een proceskostenvergoeding toe van €218,75. De betrokkene ging in hoger beroep tegen de sanctie en de proceskostenvergoeding.

Het hof oordeelt dat de foto’s voldoende duidelijk zijn en de geeltijd leesbaar, waardoor de sanctie terecht is opgelegd. De kantonrechter had echter ten onrechte de zaken als samenhangend aangemerkt voor de proceskostenvergoeding, terwijl de gronden voor het beroep op de zaak toegespitst waren. Daarom vernietigt het hof het deel van de beslissing dat de proceskostenvergoeding samenhangend toekent.

Het hof past de factor uit artikel 13a, tweede lid, Wahv toe bij de berekening van de proceskostenvergoeding, conform het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025. De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van €487,51 aan de betrokkene. De sanctie blijft gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Uitkomst: Het hof vernietigt het deel van de beslissing over de samenhangende proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €487,51 aan proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.848/01
CJIB-nummer
: 237071848
Uitspraak d.d.
: 19 september 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 11 november 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats]
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 180,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 218,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 oktober 2020 om 17.18 uur op de Oostereind in Hilversum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd, omdat de foto’s onvoldoende duidelijk zijn en daarop geen duidelijk leesbare geeltijd is vermeld.
3. Deze grond treft geen doel. De foto’s van de gedraging zijn niet zo onduidelijk dat de gedraging niet kan worden vastgesteld en de geeltijd is wel leesbaar. Daarnaast zijn door de advocaat-generaal nog uitdraaien van de foto’s bij het verweerschrift gevoegd die nog wat duidelijker zijn.
4. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter het beroep niet als samenhangend had mogen beschouwen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een zaak over het vasthouden van een mobiele telefoon en een zaak over een vermeende roodlichtnegatie met elkaar samenhangen. Het enige dat volgens de gemachtigde samenhangt is dat het Wahv-zaken zijn. Verder is werkelijk alles verschillend. Anders kunnen alle zaken waarin de gemachtigde optreedt als één zaak worden afgedaan. Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte geen punt toegekend voor de hoorzitting.
5. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De beoordeling door de kantonrechter of sprake is van samenhangende zaken kan slechts marginaal worden getoetst.
6. De kantonrechter heeft de zaken als samenhangend aangemerkt gelet op de inhoud van de beroepschriften bij de kantonrechter, de gelijktijdige behandeling bij de kantonrechter, omdat in beide zaken dezelfde gemachtigde optreedt en de omstandigheid dat de proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend vanwege de matiging in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
7. Hoewel de omstandigheid dat in de zaken verschillende gedragingen aan de orde zijn op zichzelf het aanmerken van zaken als samenhangend niet in de weg hoeft te staan, stelt het hof vast dat in de onderhavige zaak op de zaak toegespitste gronden zijn aangevoerd in het beroepschrift bij de kantonrechter. Dit betekent dat geen sprake is van samenhangende zaken in voormelde zin. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen voor zover daarbij aan de betrokkene (in samenhang met de andere zaak) een proceskostenvergoeding in deze zaak is toegekend, die neerkomt op een bedrag van € 109,38 (€ 218,75 : 2) en voor de onderhavige zaak een op zichzelf staande proceskostenvergoeding toekennen.
8. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de fase van het beroep bij de kantonrechter komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 het arrest van het hof van 28 juli 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
9. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast (vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:4173 en het arrest van het hof van 21 januari 2025, onder ECLI:NL:GHARL:2025:253).
10. De proceskosten gemaakt in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter is bekendgemaakt na 31 december 2023. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding in hoger beroep overweegt het hof het volgende.
11. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985).
12. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
13. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
14. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde bij brief d.d. 14 juli 2025 door de griffier van het hof in de gelegenheid om gesteld om binnen vier weken te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aldus is niet komen vast te staan dat het geval van de betrokkene met het oog op het vaststellen van de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 5.3 van voornoemd arrest. De vergoeding van de proceskosten zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv.
15. Aan het indienen van een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen in totaal 1,5 punt te worden toegekend. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld met betrekking tot het toekennen van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast (vgl. het arrest van het hof van 16 mei 2024, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:3381). Het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten wordt op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1.
16. Aldus zal het hof de advocaat-generaal in deze zaak veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 487,51 namelijk (1 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,25 x 0,1).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij ten behoeve van deze zaak (CJIB-nummer 237071848) een proceskostenvergoeding is toegekend ten bedrage van € 109,38;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 487,51.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.