ECLI:NL:GHARL:2025:253

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.344.648
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding en matiging sanctie bij doorrijden rood verkeerslicht

De betrokkene werd gesanctioneerd voor doorrijden bij een rood verkeerslicht op 12 april 2022 in Vleuten. De kantonrechter matigde de sanctie van €250 naar €140,62 en kende een proceskostenvergoeding van €218,75 toe. De betrokkene betwistte de gedraging en stelde dat de ambtenaar geen direct zicht had op het verkeerslicht.

Het hof oordeelde dat de gedraging voldoende vaststaat op basis van het dossier en dat de ontkenning van de betrokkene onvoldoende aanleiding geeft tot twijfel. De matiging van de sanctie werd bevestigd. Het hof stelde echter vast dat de kantonrechter ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toepaste voor de proceskostenvergoeding terwijl de matiging ook mede gebaseerd was op schending van de hoorplicht.

Het hof verduidelijkte dat in zaken waarin de sanctie uitsluitend wegens overschrijding redelijke termijn wordt gematigd, het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt en een wegingsfactor van 0,5 passend is. Voor hoger beroep, waarbij de betrokkene alleen op proceskosten wordt toegewezen, geldt een zeer licht gewicht en een factor van 0,25. Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en kende een vergoeding van €793,63 toe.

Uitkomst: Sanctie gematigd, proceskostenvergoeding vernietigd en verhoogd tot €793,63 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.648/01
CJIB-nummer
: 248723593
Uitspraak d.d.
: 21 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 1 juli 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,62. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 218,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 april 2022 om 19:06 uur op de Haarrijnse Rading in Vleuten met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd naar € 140,62.
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent de gedraging. Het blijft onduidelijk vanuit welke positie de ambtenaar zicht zou hebben gehad op de gedraging. Dat de ambtenaar rechtstreeks zicht heeft gehad op het verkeerslicht dat de betrokkene zou hebben genegeerd, betwist de betrokkene.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 5 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding: kruising met de Componistenlaan.”
5. Het hof ziet in de enkele ontkenning dat de ambtenaar rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht geen reden hieraan te twijfelen. Dat de ambtenaar niet heeft verklaard wat zijn (exacte) positie was, doet hieraan niet af. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
6. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter bij het toekennen van een proceskostenvergoeding ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. De kantonrechter gaat er aan voorbij dat het sanctiebedrag in de onderhavige zaak niet alleen is gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn, maar ook vanwege schending van de hoorplicht.
7. Blijkens de beslissing van de kantonrechter vindt de matiging van het sanctiebedrag uitsluitend haar grondslag in de schending van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Dat de kantonrechter het sanctiebedrag mede om een andere reden heeft gematigd, blijkt niet uit de beslissing van de kantonrechter. De enkele omstandigheid dat het sanctiebedrag met een hoger percentage is gematigd dan het hof bij schending van de redelijke termijn van berechting aangewezen acht, doet daaraan niet af.
8. De kantonrechter heeft bij het toekennen van een proceskostenvergoeding de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. De kantonrechter heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen een nieuw uitgangspunt te hanteren bij de toepassing van de wegingsfactor in zaken waarin het beroep uitsluitend vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting gegrond wordt verklaard en het bedrag van de sanctie alleen daarom wordt gematigd.
9. De betrokkene is inhoudelijk (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De kantonrechter heeft daarom terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is (vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173). In geval een andere wegingsfactor is toegepast dan 0,5, beoordeelt het hof of er duidelijke redenen zijn die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt (vgl. het arrest van het hof van 12 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3775). In zaken waarin een betrokkene slechts op het punt van de toekenning van een proceskostenvergoeding in het gelijk wordt gesteld, is het gewicht van de zaak zeer licht (vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173).
10. Het hof heeft recent - bij meervoudige arrest van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764 -, geoordeeld dat ook in geval de matiging van het sanctiebedrag uitsluitend haar grondslag heeft in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt.
11. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dit komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken.
12. Het gewicht van de zaak in een situatie dat de betrokkene inhoudelijk in het gelijk is gesteld vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting onderscheidt zich naar het oordeel van het hof niet in die mate van situaties waarin een betrokkene op andere gronden inhoudelijk in het gelijk is gesteld dat dit tot een ander gewicht behoort te leiden. In beide situaties is sprake van zaken die doorgaans feitelijke en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard zijn. Het daarbij horende gewicht van de zaak is licht.
13. De uitspraken waarnaar de kantonrechter in zijn beslissing verwijst betreffen voor een deel (CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1153, en CBb 5 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:471) niet een vergelijkbare situatie, aangezien het daarin niet gaat om het matigen van een sanctie, maar om het toekennen van (immateriële) schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. In de andere genoemde uitspraken (ABRvS 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:913 en CBB 3 oktober 2023, ECLI:NL:CBB:2023:550) gaat het wel om matiging van het sanctiebedrag in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting. In beide uitspraken wordt het gewicht van de zaak als licht aangemerkt en wegingsfactor 0,5 toegepast. Dit betreft hetzelfde gewicht als dat wat in Mulderzaken wordt toegepast. De omstandigheid dat in andere situaties de bestuursrechters het gewicht van de zaak als gemiddeld (wegingsfactor 1) aanmerken maakt niet dat het gewicht van de zaak in Mulderzaken waarbij de gegrondheid van het beroep uitsluitend verband houdt met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting als zeer licht moet worden aangemerkt. Een dergelijk gewicht is - mede met het oog op een voorspelbare en uniforme toepassing van het recht - voorbehouden aan zaken waarin de betrokkene alleen in het gelijk is gesteld op het punt van de proceskosten.
14. De kantonrechter heeft de hoogte van de proceskostenvergoeding gelet op het voorgaande niet juist vastgesteld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
15. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
16. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dient 1,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769).
17. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten € 793,63
((1 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegekend;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 793,63.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.