Uitspraak
[appellant]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
6 augustus 2025 en dat zij niet voor verder uitstel voelt
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant werd in een bodemprocedure veroordeeld tot ontruiming van een woning en een strook grond, nadat zijn vader, de oorspronkelijke huurder, was overleden en appellant geen medehuurder was gemaakt. Volgens artikel 7:268 lid 2 BW Pro kan iemand die geen medehuurder is maar wel hoofdverblijf heeft in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met de overleden huurder, de huur voortzetten indien binnen zes maanden na overlijden een vordering wordt ingesteld. Appellant heeft deze termijn ruim overschreden.
In het executie-kort geding verzocht appellant schorsing van de ontruiming, maar de voorzieningenrechter wees dit af. Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, kennelijke misslag of nieuwe feiten die een andere beslissing rechtvaardigen. Hoewel appellant persoonlijke problematiek heeft en hulpverlening krijgt, heeft hij niet tijdig een voortzettingsvordering ingediend en geweigerd mee te werken aan alternatieve huisvesting.
De gemeente heeft rekening gehouden met de kwetsbaarheid van appellant door hem na de ontruiming tijdelijk onderdak aan te bieden. Het hof concludeert dat appellant geen recht heeft om de ontruiming te voorkomen en veroordeelt hem in de kosten van het hoger beroep. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd en de ontruiming kan doorgaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ontruiming wordt bekrachtigd.