In deze civiele zaak vordert [geïntimeerde] betaling van onbetaalde facturen voor plafondwerkzaamheden op de projecten Doetinchem en Enschede, uitgevoerd in onderaanneming voor APM. De kantonrechter wees de vorderingen toe en veroordeelde APM tot betaling van € 25.000 plus rente en kosten.
APM stelde in hoger beroep dat zij altijd een vaste maximale aanneemsom had afgesproken en geen uurtarief, en dat zij teveel betaalde facturen wilde verrekenen met het project Enschede. Tevens stelde zij een voorwaardelijk incidenteel appel in wegens onrechtmatige beslaglegging door [geïntimeerde]. Het hof oordeelde dat dit incidenteel appel niet ontvankelijk was omdat het voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld.
Het geschil draaide om de vraag of de tariefafspraak een uurtarief of een vaste maximale prijs betrof. Het hof stelde vast dat [geïntimeerde] sinds week 20 van 2019 wekelijks factureerde op basis van een uurtarief van € 35,00 en dat APM deze facturen grotendeels zonder protest betaalde. APM kon onvoldoende bewijs leveren dat zij het bestek en budget vooraf aan [geïntimeerde] had verstrekt.
Daarom ging het hof uit van de stelling van [geïntimeerde] dat voor project Doetinchem een uurtarief gold. De vordering van APM tot verrekening met het project Enschede faalde omdat APM de openstaande facturen moest betalen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde APM in de proceskosten van het hoger beroep.