Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De man en vrouw zijn in 1990 getrouwd in gemeenschap van goederen en in 2023 gescheiden. Zij hadden samen een VOF die per 1 september 2021 werd beëindigd. De man zette de onderneming voort als eenmanszaak. De vrouw vorderde partneralimentatie, een verrekenvordering over het ondernemingsvermogen van de VOF en toedeling van belastingteruggaven 2021. De man stelde dat het alimentatiebedrag te hoog was en dat het ondernemingsvermogen en belastingteruggaven volledig aan hem toekwamen op grond van een vermeende overeenkomst.
Het hof stelde de partneralimentatie vast op €1.056 per maand, lager dan de rechtbank had bepaald, omdat de draagkracht van de man lager werd ingeschat op basis van gemiddelde winstcorrecties. Het hof wees het verzoek van de man af om de vrouw te verplichten te veel betaalde alimentatie terug te betalen, omdat zij de bedragen nodig had en reeds had verbruikt.
Over de verdeling van het ondernemingsvermogen en de belastingteruggaven 2021 oordeelde het hof dat onvoldoende concreet bewijs bestond voor de door de man gestelde overeenkomst. Het hof stond de man toe bewijs te leveren door het horen van de accountant als getuige. De verdere beslissing hierover werd aangehouden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Partneralimentatie vastgesteld op €1.056 per maand; bewijslevering toegestaan over verdeling ondernemingsvermogen en belastingteruggaven; verdere beslissing aangehouden.