ECLI:NL:GHARL:2024:2006

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.330.431/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 3 lid 2 WahvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 18 juni 2020. Hij ontkende de gedraging en voerde aan dat hij op dat moment in de trein zat. De ambtenaar had de bestuurder herkend via een RDW-foto en de betrokkene had de gedraging telefonisch toegegeven.

Het hof oordeelde dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de bestuurder was, mede omdat de reishistorie niet aan hem kon worden toegeschreven. Verder werd overwogen dat de sanctie terecht aan de betrokkene was opgelegd omdat de identiteit van de bestuurder aanstonds was vastgesteld, ook al vond dit niet tijdens een staandehouding plaats.

Het hof stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting was overschreden en matigde daarom de sanctie met 25 procent tot €180. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €875. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard.

Uitkomst: Sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden gematigd van €240 naar €180 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.431/01
CJIB-nummer
: 234355463
Uitspraak d.d.
: 20 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 26 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 6 maart 2024. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 juni 2020 om 15:15 uur op de Basisweg in Weesp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2.
Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene kan de gedraging niet verricht hebben, nu hij blijkens de bijgevoegde reishistorie ten tijde van de gedraging in de trein zat. Verder is te de sanctie ten onrechte aan de betrokkene opgelegd. Uit artikel 5 van Pro de Wahv blijkt dat de sanctie aan de bestuurder wordt opgelegd, wanneer aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is. Aanstonds houdt in: ten tijde van de constatering van de gedraging of kort nadien. De ambtenaar heeft eerst de kentekenhouder gebeld, te weten de vader van de betrokkene. Toen de ouders van de betrokkene aangaven dat hun zoon in de auto gereden zou hebben, heeft de ambtenaar hem geprobeerd te bellen. Pas om 17:38 heeft de ambtenaar de betrokkene telefonisch gesproken, terwijl de gedraging om 15:15 uur is begaan. Hiervan is ook een telefoonhistorie toegevoegd. Van aanstonds vaststellen is dus geen sprake meer en dit betekent dat de sanctie had moeten worden opgelegd aan de kentekenhouder. De gemachtigde wijst in dit kader nog op een arrest van het hof van
15 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1367.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staandehouden, omdat ik een slachtoffer aan het ondersteunen was. (…) Omstreeks 15:15 uur zag ik dat er vanaf rechts een Smart Forfour vanaf rechts naar links (richting Gooilandseweg) reed. Ik zag dat er een jonge jongen achter het stuur zat en dat hij bij het passeren een mobiele telefoon in zijn linkerhand hield. Ik zag dat zijn raam van het linker voorportier was geopend. Ik zag dat hij zijn mobiele telefoon in zijn hand had en door het geopende raam hield en richtte op ons, de politie, de slachtoffers en de plaats van het ongeval. Bij het passeren heb ik direct het kenteken aan mijn collega doorgegeven. Ik zag dat het genoemd kenteken was, [kenteken] . Via het politiesysteem heb ik de tenaamgestelde van de auto gebeld. Ik kreeg zijn vrouw aan de lijn en zij gaf aan dat zij beide in het buitenland waren en dat hun zoon in de auto had gereden. In het systeem zag ik dat de foto vanuit het RDW overeenkwam met de jonge jongen die ik zag rijden. Toen ik later de jongen (de betrokkene) aan de telefoon had en de cautie had medegedeeld gaf hij genoemd feit toe. (…)
Verklaring betrokkene: ik heb mijn mobiele telefoon in mijn hand gehad, maar ik was er niets mee aan het doen.”
5.
De ambtenaar verklaart dat hij heeft gezien dat de betrokkene bij het passeren een mobiele telefoon in zijn linkerhand hield en door het geopende raam van het voertuig richtte op de plaats van het ongeval. Bovendien heeft de ambtenaar de betrokkene herkend aan de hand van de foto vanuit het RDW en heeft de bestuurder de gedraging telefonisch aan de ambtenaar bekend. Dat de betrokkene de gedraging niet begaan kan hebben omdat hij ten tijde van de gedraging in de trein zat, is niet aannemelijk geworden. Uit de bijgevoegde reishistorie van een ov-chipkaart blijkt niet dat die aan de betrokkene zou toebehoren. Deze grond faalt.
6. Het hof heeft in zijn arrest van 1 september 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:7565) geoordeeld dat ‘aanstonds vaststellen’ als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wahv beperkt moet worden opgevat, in die zin dat dit begrip dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de identiteit van de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de vaststelling van de gedraging of direct daarna wordt vastgesteld.
7. Met betrekking tot hetgeen de gemachtigde aanvoert omtrent het moeten opleggen van de sanctie aan de kentekenhouder overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de sanctie aan de bestuurder ten tijde van de gedraging wordt opgelegd. De stelling van de gemachtigde dat indien niet aanstonds de identiteit van de bestuurder kan worden vastgesteld, de sanctie aan de kentekenhouder moet worden opgelegd, berust op een onjuiste uitleg van de bestendige jurisprudentie van dit hof over de toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv. In deze jurisprudentie is neergelegd dat deze bepaling aldus moet worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Indien er geen reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder, dan is de ambtenaar niet verplicht een onderzoek in te stellen naar de identiteit van de bestuurder en
kande sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Gelet op het beginsel dat de administratieve sanctie indien redelijkerwijs mogelijk aan de bestuurder wordt opgelegd, staat het de ambtenaar echter wel vrij om de identiteit van de bestuurder (na onderzoek) alsnog te trachten te achterhalen en de sanctie aan de bestuurder op te leggen. Bovendien heeft de ambtenaar de identiteit van de bestuurder in dit geval wel degelijk aanstonds kunnen vaststellen. Uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal blijkt dat hij de betrokkene kort na de gedraging op een foto van het RDW heeft herkend als bestuurder van het voertuig. Om 15:30 uur heeft de ambtenaar de betrokkene voor het eerst geprobeerd te bellen, 15 minuten na het waarnemen van de gedraging. Dat er op dat moment geen staandehouding heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het vaststellen van de identiteit van de bestuurder kan immers ook op andere wijze plaatsvinden dan tijdens een staandehouding. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als bestuurder opgelegd. Ook deze grond faalt.
8. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
9. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen op de zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in
€ 180,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.