ECLI:NL:GHARL:2023:1367

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2023
Publicatiedatum
15 februari 2023
Zaaknummer
Wahv 200.304.652/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Art. 36 RVV 1966Art. 5 WahvArt. 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor niet aangeven richting bij zijdelingse verplaatsing op autosnelweg

De betrokkene kreeg een boete van €95 opgelegd wegens het niet aangeven van richting bij het willen inhalen op de A12. In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat de gedraging niet onder 'willen inhalen' viel, maar onder het invoegen op de doorgaande rijbaan, waarvoor een andere feitcode zou gelden. Het hof onderzocht de situatie, onder meer aan de hand van de verklaring van de ambtenaar en Google Maps Street View, en concludeerde dat de betrokkene na het inhalen via een verdrijvingsvlak naar rechts ging zonder richting aan te geven.

Het hof stelde vast dat het begrip 'willen inhalen' in het RVV 1990 niet is gedefinieerd, maar dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het alleen het inzetten van de inhaalmanoeuvre betreft, niet het teruggaan naar rechts na het inhalen. Het niet aangeven van richting bij deze zijdelingse verplaatsing valt onder een andere feitcode (R518). De kantonrechter had het beroep van de betrokkene deels gegrond verklaard, maar het hof wijzigde de feitcode en bevestigde de overtreding.

Daarnaast werd betwist of de sanctie terecht aan de kentekenhouder was opgelegd. Het hof oordeelde dat de ambtenaar de identiteit van de bestuurder niet aanstonds had vastgesteld, waardoor de sanctie terecht aan de kentekenhouder werd opgelegd. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: De feitcode is gewijzigd naar R518 en de overtreding bevestigd; proceskosten worden aan betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.304.652/01
CJIB-nummer
: 231575233
Uitspraak d.d.
: 15 februari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 16 november 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding en een dwangsom is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 februari 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R514 - bij inhalen geen teken met richtingaanwijzer geven.” Deze gedraging zou zijn verricht op 31 januari 2020 om 15:50 uur op de oprit Duiven 28 (A12) richting Arnhem in Duiven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft miskend dat de gedraging met de feitcode R514 op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld. Immers, de ambtenaar verklaart nu juist dat de betrokkene (het hof begrijpt: de bestuurder) al op de rechterrijstrook reed, inhaalde en vervolgens bij het invoegen richting aangaf. De gedraging kan niet worden gekwalificeerd als ‘willen inhalen’ als genoemd in artikel 55 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De bestuurder wisselde van rijstrook omdat hij moest invoegen. Er was sprake van het met gebruikmaking van de invoegstrook als bedoeld in artikel 1 van Pro het RVV 1990 willen oprijden van de doorgaande rijbaan, dit is de gedraging met feitcode R515, althans het wisselen van rijstrook in meer algemene zin zoals genoemd in artikel 55 van Pro het RVV 1990.
3. De advocaat-generaal stelt zich op standpunt dat de kantonrechter terecht is uitgegaan van een kennelijke verschrijving in die zin dat bij het invoegen naar rechts geen richting is aangegeven en
dat de beslissing van de kantonrechter kan worden bevestigd. Bij een inhaalmanoeuvre dient de bestuurder bij elke zijwaartse verplaatsing richting aan te geven en voor beide handelingen kan de feitcode R514 worden gebruikt. Het wilsbesluit om in te halen duurt voort tot/omvat ook het naar rechts gaan na het inhalen van een voertuig.
4. De onder 1 genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 55 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat bepaalt dat bestuurders van een motorvoertuig een teken met hun richtingaanwijzer moeten geven indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.
Artikel 1 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat onder invoegstrook moet worden verstaan een door blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden.
Artikel 1 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat onder rijstrook moet worden verstaan een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.
Ingevolge artikel 1 van Pro het RVV 1990 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder een verdrijvingsvlak verstaan: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht.
5. Het zaakoverzicht houdt als verklaring van de ambtenaar, voor zover hier van belang, in:
“Geen richting bij
invoegen. Zie pv overtreding. Overtreden artikel: 55 RVV 1990.
Soort weg: autosnelweg.
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer 137.9 lD.
Reden geen staandehouding: geen middelen.
Bijlagen: een proces-verbaal van bevindingen.”
6. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in zijn proces-verbaal van 3 februari 2020 houdt onder meer het volgende in:
“Op vrijdag 31 januari 2020 omstreeks 15:50 uur zag ik, op de openbare weg de A12 – oprit Duiven 28, Duiven het volgende. Reed ik (…) op de toerit van de Rijksweg A12 te Duiven, linkerzijde (…). Ik reed daar in een onopvallend dienstvoertuig en was in burger gekleed. Ik was op dat moment in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening. Zag ik voor mij een witte Ford Kuga rijden. Ik zag dat dit voertuig naar rechts wilde invoegen, voor het verdrijvingsvlak. Zag ik dat de bestuurder van dit voertuig op het laatste moment toch gas bij gaf en het dus niet haalde. Hierbij reed de bestuurder dus over het verdrijvingsvlak. De bestuurder gaf tevens geen richting aan bij het invoegen naar links. De bestuurder van de auto achter de Ford, schrok van deze inhaalactie en moest fors in de remmen, om ruimte te maken voor de Ford, anders was er een botsing ontstaan.”
7. Het hof merkt allereerst op dat de door de gemachtigde gestelde lezing van de verklaring van de ambtenaar niet juist is. Het hof heeft verder Google Maps Street View geraadpleegd en de aldus verkregen informatie ter zitting aan de orde gesteld. Daaruit blijkt dat de door de ambtenaar genoemde toerit aanvankelijk uit twee rijstroken bestaat. Op de linker rijstrook staan van meet af aan dwangpijlen die wijzen naar rechts. Bij de door de ambtenaar genoemde hectometerpaal 137.9 links d, eindigt de linkerrijstrook, gaat de toerit naar de A12 over in één (nog lange) rijstrook en is over grote lengte een verdrijvingsvlak aanwezig. Verderop gaat de toerit over in de meest rechts gelegen rijstrook van drie rijstroken op de A12. Blokmarkering is hier nergens aanwezig.
8. Het hof begrijpt de verklaring van de ambtenaar aldus dat de bestuurder van het voertuig met het kenteken [kenteken] rijdend op de strook met de dwangpijlen weliswaar tijdig heeft willen invoegen naar rechts, maar dat toen dat niet lukte, hij gas heeft bijgegeven, een voertuig dat op de rechterrijstrook op de toerit reed via het verdrijvingsvlak aan de linkerzijde voorbij is gereden en toen, rijdend op die toerit, bij het invoegen naar rechts geen richting heeft aangegeven.
9. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag wat onder ‘willen inhalen’ als genoemd in artikel
55 van het RVV 1990 dient te worden verstaan en of het na het passeren van een ander motorvoertuig naar rechts (terug)gaan daar ook onder valt.
10. Het begrip ‘willen inhalen’ is in het RVV 1990 niet gedefinieerd of nader omschreven. Niet omschreven is wanneer het teken met de richtingaanwijzer mag of moet beginnen of wanneer het teken moet ophouden. In de Nota van Toelichting op het RVV 1990 is daarover ook niets opgenomen.
11. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens dat vooraf ging aan het RVV 1990, te weten het RVV 1966, bepaalde in artikel 35:
“1. Wanneer het inhalen verandering van rijstrook of een anderszins belangrijke zijdelingse verplaatsing meebrengt geeft de bestuurder, na zich overeenkomstig het vorige artikel van de mogelijkheid om veilig in te halen te hebben vergewist, een teken met zijn richtingaanwijzer of met zijn arm dat hij het voornemen heeft een inhaalmanoeuvre te beginnen.
2. Aan dit voornemen geeft hij zodra mogelijk uitvoering.
3. Het teken moet ophouden zodra de zijdelingse verplaatsing is voltooid.”
Artikel 36, eerste lid, van het RVV 1966 luidde:
“De links inhalende bestuurder wijkt bij het inhalen zoveel nodig behoorlijk naar links uit. Hij begeeft zich weer naar rechts zodra dit zonder de andere weggebruikers te hinderen mogelijk is.”
12. Voormelde bepalingen van het RVV 1966 zijn bij de invoering van het RVV 1990 komen te vervallen. Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van het huidige artikel 55 RVV Pro 1990 kan niet worden afgeleid dat de regelgever aan het begrip ʻwillen inhalen̕ een andere betekenis heeft willen toekennen dan aan hetgeen in artikel 35 RVV Pro 1966 was geregeld. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de verplichting ex artikel 55 van Pro het RVV 1990 om een teken met de richtingaanwijzer te geven bij het ‘willen inhalen’ is beperkt tot het inzetten van de inhaalmanoeuvre. Het ‘willen inhalen’ omvat niet het na het passeren van het ingehaalde voertuig (weer) naar rechts gaan. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de onder 1 genoemde gedraging is verricht en treft de grond op dat punt doel.
13. Het hof gaat uit van de omschrijving van de gedragingen en de bijbehorende feitcodes zoals vermeld in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, zoals die gold op 30 januari 2020. De gedraging met feitcode R515 ziet op het als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het oprijden van de doorgaande rijbaan geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven. In aanmerking genomen dat blokmarkering ter plaatse ontbreekt (zie 7), kan ook de gedraging met feitcode R515 niet worden vastgesteld. De grond dat die gedraging is verricht treft geen doel.
14. In de onderhavige situatie heeft de bestuurder via het verdrijvingsvlak een andere auto ingehaald en is hij vervolgens naar rechts gegaan om zijn weg te vervolgen op de enige rijstrook op de toerit. Een verdrijvingsvlak is blijkens de begripsbepaling geen rijstrook in de zin van het RVV 1990. Naar het oordeel van het hof is het na het inhalen naar rechts gaan in dit geval daarom aan te merken als ‘een andere belangrijke zijdelingse verplaatsing’ als genoemd in artikel 55 van Pro het RVV 1990.
15. Vastgesteld kan worden dat de gedraging met de feitcode R518 is verricht. De omschrijving daarbij luidt: als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij een andere zijdelingse verplaatsing geen teken met de richtingaanwijzer geven. Het bedrag van de sanctie is eveneens € 95. Nu de betrokkene door het wijzigen van de feitcode niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad, zal het hof overgaan tot deze wijziging.
16. De gemachtigde voert verder aan dat de sanctiebeschikking moet worden vernietigd, omdat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar heeft een aanvullende verklaring afgelegd waarin hij niet verklaart dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Uit de formulering van zijn verklaring blijkt dat hij een inschatting heeft gemaakt en op basis daarvan de keuze heeft gemaakt om op kenteken te bekeuren. De formulering die hij daarvoor gebruikt, duidt erop dat zich wel een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt weliswaar dat hij geen beschikking had over middelen voor een staandehouding, maar hij heeft non-verbaal contact gehad met de bestuurder. Zij hebben elkaar aangekeken en handgebaren gemaakt naar elkaar. Onder deze omstandigheden is het onbegrijpelijk dat de ambtenaar niet een stopteken heeft gegeven door middel van handgebaren en het tonen van diens politiebadge. Verder blijkt uit de verklaring van de ambtenaar dat hij kort na de gedraging, bij het opmaken van het proces-verbaal in MEOS, de identiteit van de bestuurder heeft vastgesteld door deze te herkennen aan de hand van de foto van diens rijbewijs. Dat kan worden aangemerkt als het aanstonds vaststellen van de identiteit van de bestuurder, zodat de sanctie had moeten worden opgelegd aan de bestuurder. De gemachtigde verwijst hierbij naar de uitspraken van het hof, te weten ECLI:NL:GHARL:2021:4781, ECLI:NL:GHLEE:2003:AL7459 en ECLI:NL:GHARL:2021:7373.
17. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.
18. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in zijn proces-verbaal van 3 februari 2020 houdt verder in:
“Vervolgens ben ik achter de Ford aangereden, omdat ik zijn kenteken wilde hebben voor een proces-verbaal. (…) Ik zag vervolgens dat het kenteken van de Ford, de [kenteken] betrof. Omdat ik ook graag wilde zien wie de bestuurder was, haalde ik het voertuig in. (…) De bestuurder, een manspersoon van ongeveer 50 a 55 jaar, kalend kon dit niet waarderen en begon vervolgens langdurig met zijn grote licht te seinen. Tevens was hij druk met handgebaren achter zijn stuur. Toen ik opschoof naar rijstrook 2, kwam de bestuurder van de Ford naast mij rijden en vond het schijnbaar nodig om zijn frustratie nogmaals te uiten door een middelvinger op te steken naar mij. Mijn duim opgestoken en de situatie maar gelaten voor wat het was, om verdere escalatie te voorkomen.
Helaas geen middelen voor staandehouding. (…) De tenaamgestelde van het voertuig is een vrouw. Geen telefoonnummer van haar kunnen vinden in ons systeem, dus haar niet in kennis kunnen stellen over de verbalen. Op het adres gekeken en het rijbewijs en de foto van de man van de tenaamgestelde bekeken. Dit was 100 procent zeker de bestuurder van het voertuig. Deze derhalve als verdachte aan dit proces gekoppeld. De verbalen wel alleen op kenteken geschreven.”
19. De advocaat-generaal heeft een door de ambtenaar opgemaakt proces-verbaal van 11 mei 2022 overgelegd. Dit houdt in: “In mijn omschrijving duidelijk verwoord hoe het is verlopen op non-verbale wijze en dat ik geen fysiek stopbord / transparant in het voertuig aanwezig had. Gezien de non-verbale houding van de bestuurder bestond er op dat moment geen enkele overtuiging dat de bestuurder zou volgen als ik mijn politie-legitimatiebewijs zou tonen. Derhalve de keuze gemaakt om verbaal op te maken alleen op kenteken, met een duidelijke omschrijving van de bestuurder.”
20. In het door de gemachtigde genoemde arrest ECLI:NL:GHARL:2021:4781 bevonden zich twee ambtenaren in een als politievoertuig herkenbare auto en achtte het hof aannemelijk dat die ambtenaren op de weg actief geprobeerd hebben de aandacht van de bestuurder te trekken. Dat is in deze zaak niet het geval. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van de ambtenaar blijkt dat hij zich alleen, in burger gekleed in een niet als zodanig herkenbaar dienstvoertuig op de autosnelweg bevond en dat het voertuig niet was uitgerust met middelen om een stopteken te geven. Dat is in beginsel voldoende grond voor het oordeel dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat er non-verbaal contact is geweest, maakt dat (in dit geval) niet anders. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de bestuurder druk met zijn handen gebaarde, langdurig met groot licht seinde en zijn middelvinger opstak, kortom agressief verkeersgedrag jegens de ambtenaar vertoonde. Gelet daarop hoefde niet te worden verwacht dat de bestuurder de ambtenaar zou zijn gevolgd als deze zijn politie-legitimatiebewijs zou tonen en zou gebaren dat de bestuurder hem moest volgen.
21. De onderhavige zaak is ook niet vergelijkbaar met ECLI:NL:GHARL:2021:7373. Het hof heeft in zijn arrest van 1 september 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:7565) geoordeeld dat ‘aanstonds vaststellen’ als bedoeld in artikel 5 Wahv Pro beperkt moet worden opgevat, in die zin dat dit begrip dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de identiteit van de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de vaststelling van de gedraging of direct daarna wordt vastgesteld.
22. Uit de hiervoor weergegeven verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij de identiteit van de bestuurder van het voertuig eerst heeft vastgesteld nadat hij had opgezocht wie de kentekenhouder van het voertuig was, had geprobeerd het telefoonnummer van de kentekenhouder te achterhalen en toen dat niet lukte heeft hij nader onderzoek gedaan. In een dergelijk situatie is er geen sprake meer van ‘aanstonds vaststellen’ van de identiteit van de bestuurder als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wahv.
23. Gelet op het voorgaande mocht de administratieve sanctie worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig in het kentekenregister was ingeschreven. De aangevoerde grond faalt.
24. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, omdat uit de verklaring van de ambtenaar dat hij de bestuurder als verdachte aan het proces-verbaal/dossier heeft gekoppeld volgt dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen. Daarin is bepaald dat niet de strafrechtelijke weg mag worden gevolgd ten aanzien van de bestuurder en de administratiefrechtelijke weg ten aanzien van de kentekenhouder.
25. Deze grond treft geen doel. De ambtenaar verklaart slechts de bestuurder als verdachte aan dit proces te hebben gekoppeld en gesteld noch gebleken is dat aan de bestuurder een strafbeschikking is opgelegd en aldus de onderhavige gebeurtenis langs twee wegen is afgedaan.
26. Nu het hof de inleidende beschikking zal wijzigen, komen de proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof en het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter en het hof dienen in totaal 5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.972,50 (= (1 x € 597,- x 0,5) + (4 x € 837,- x 0,5)).
27. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in R518 en “als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij een andere zijdelingse verplaatsing geen teken met de richtingaanwijzer geven”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.972,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.