Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling
2) stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde
Het hof is van oordeel dat aan de bestuurder van de trike in deze zaak geen beroep toekomt op de uitzondering op de verplichting een helm te dragen, zoals vermeld in artikel 60, tweede lid onder d, van het RVV 1990. Nog los van het feit dat namens de bestuurder niet aannemelijk is gemaakt dat hij tijdens het rijden daadwerkelijk een autogordel droeg (uit de van de gedraging gemaakte foto blijkt het tegendeel), is op de door de gemachtigde in het kader van het administratief beroep overgelegde foto’s van het interieur van de trike te zien dat het voertuig slechts is voorzien van twee bevestigingspunten voor een autogordel onderin het voertuig en niet ook van een bevestigingspunt voor een autogordel bovenin. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op de uitzondering zoals hiervoor vermeld. Dit betekent dat de in artikel 60, eerste lid, RVV 1990 geformuleerde verplichting voor een bestuurder van een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie om een helm te dragen onverkort op de betrokkene van toepassing was. Nu niet is voldaan aan die verplichting, staat vast dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht. De aangevoerde grond faalt.