Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 waarbij negatieve winst uit onderneming en specifieke zorgkosten niet in aftrek werden toegelaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep heeft belanghebbende aanvullende bewijsstukken ingebracht, waaronder een factuur van €400 voor fiscale en boekhoudkundige adviezen en diverse specificaties van zorgkosten.
Het Hof oordeelt dat de factuur terecht in 2014 ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht, omdat deze betrekking heeft op activiteiten rondom de beëindiging van de onderneming en de bewijslast is voldaan. De Inspecteur mocht deze kosten niet buiten beschouwing laten. Ten aanzien van de specifieke zorgkosten acht het Hof het bewijs voldoende voor het forfaitaire bedrag van €310 voor extra kleding en beddengoed, €126 voor mondhygiëniste, €15 tandartskosten en €21 reiskosten. Andere zorgkosten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of vergoeding door zorgverzekeraar.
Het Hof vermindert de navorderingsaanslag dienovereenkomstig en vergoedt het griffierecht. Proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat belanghebbende de stukken pas in hoger beroep aanleverde, waardoor de Inspecteur niet eerder kon besluiten. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd behalve de vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten. Het hoger beroep is gegrond voor de vermindering van de aanslag en belastingrente.