De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning te Arnhem per 1 januari 2019 vast op €722.000, welke na bezwaar werd verlaagd tot €695.000. Belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij de rechtbank Gelderland, die de waarde verder verlaagde tot €626.000. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Tijdens de zitting op 15 september 2022 werden de standpunten van partijen gehoord. Belanghebbende voerde aan dat de waarde niet hoger dan €450.000 mocht zijn, onderbouwd met oudere taxatierapporten en een verkooptransactie van een ander huis. De heffingsambtenaar berustte in het oordeel van de rechtbank dat hij zijn bewijslast niet had voldaan.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde lager was dan €450.000. De oudere taxatierapporten waren niet bruikbaar omdat ze niet op de juiste waardepeildatum waren gebaseerd. Ook de verkoop van een ander pand kon zonder nadere gegevens niet als vergelijkingsobject dienen. Het hof stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €626.000, conform de rechtbank.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen griffierecht of proceskosten toegekend. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.