Het geschil betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van een melkveebedrijf met woning op een waardepeildatum 1 januari 2018, vastgesteld op €1.200.000 door de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €1.123.867 voor, met name vanwege onjuiste waardering van de ligboxenstal, mestsilo en de classificatie van extra grond.
Het Hof overweegt dat de heffingsambtenaar de last draagt aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De heffingsambtenaar heeft gebruikgemaakt van erkende taxatiewijzers voor agrarische gebouwen en grond. De cultuurgronduitzondering voor extra grond wordt door belanghebbende aangevoerd, maar het Hof oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de extra grond bedrijfsmatig als cultuurgrond wordt geëxploiteerd. De heffingsambtenaar heeft de extra grond terecht meegenomen in de waardering tegen een marktconforme prijs.
Ten aanzien van de ligboxenstal concludeert het Hof dat de gebruikte prijs per vierkante meter, rekening houdend met bouwjaar, oppervlakte en kwaliteit, niet te hoog is vastgesteld. De mestsilo wordt als onroerende zaak aangemerkt en de waardering daarvan is gebaseerd op een lagere prijs vanwege slechte kwaliteit en matig onderhoud. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging is gedaan over een lagere waardering in het onderhavige jaar.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.