Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.Tenlastelegging
hij op of omstreeks 15 december 2015 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door/in het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] (een) zodanige verwonding(en) heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden;
hij op of omstreeks 15 december 2015 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een personenauto (merk/type: BMW/M5), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen schu(u)r(en) en/of stoeptegel(s) en/of lantaarnpa(a)l(en), in elk geval enig straatmeubilair, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
hij op of omstreeks 15 december 2015 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk één of meer schu(u)r(en) en/of één of meer lantaarnpa(a)l(en) en/of één of meer stoeptegel(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of de vereniging van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer nog onbekend gebleven (rechts)perso(o)n(en) toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 te [plaats 2] en/of elders in Nederland , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (merk/type/oorspronkelijk kenteken: BMW/M5/ [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
3.Vonnis waarvan beroep
4.Bevoegdheid van het hof
inhoudelijkebehandeling (bedoeld wordt de behandeling waarbij de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgevonden en de raadsman en de advocaat-generaal het woord hebben gevoerd in het kader van pleidooi respectievelijk requisitoir), bovendien niet tegelijkertijd met die andere zaken behandeld. Het door de verdediging aangevoerde moet worden verworpen.
5.Strijd met artikel 6 Sv Pro
6.Beoordeling van het bewijs
Ennetcom-dataals de
PGP Safe-datasprake is van vormverzuimen die moeten leiden tot bewijsuitsluiting, dan wel (subsidiair) strafvermindering. Wat betreft de Ennetcom-data is aangevoerd dat “de Ennetcom-server niet in beslag genomen had mogen worden en niet had mogen worden gezocht in de Ennetcom-server, en indien dat wel mocht, stond het de onderzoekers niet vrij om aan andere onderzoekers kenbaar te maken dat in die server informatie werd aangetroffen die mogelijk van belang was voor hun onderzoek”. Volgens de verdediging is er een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van de verdachte gemaakt en is artikel 6 EVRM Pro geschonden, doordat niet alle Ennetcom-data aan de verdediging zijn verstrekt en zij niet is betrokken bij de wijze waarop en waarnaar in deze data is gezocht.
berichtendie afkomstig zijn uit op enig moment in Canada inbeslaggenomen data op de zogenoemde ‘Ennetcom-server’. Ditzelfde geldt voor data die verkregen zijn middels beslaglegging op de ‘PGP Safe-server’ in Costa Rica. Het enige PGP-berichtenverkeer dat in de bewijsvoering is gebruikt, is afkomstig uit de ‘gekraakte’ telefoon van [verdachte 3] . Deze berichten zijn dus rechtstreeks afkomstig uit de telefoon van [verdachte 3] en zijn niet verkregen door inzage of een andere handeling met betrekking tot data afkomstig uit Canada dan wel Costa Rica. Informatie afkomstig van de PGP Safe-server zal in het geheel niet in de bewijsvoering worden gebruikt, zodat het verzoek tot bewijsuitsluiting in zoverre reeds daarom geen bespreking behoeft. De raadpleging van de Ennetcom-data en de daaruit voor het bewijs gebezigde resultaten, speelt wel, maar overigens een bescheiden zo niet marginale, rol in de bewijsconstructie. Het gaat om de volgende informatie.
‘proces-verbaal van bevindingen [e-mailadres 1]’.
“De omstandigheid dat de officier van justitie een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging gelet op wat onder 6.11.4 is overwogen wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting”. Reeds gelet hierop wordt het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer verworpen.
voor het bewijs te gebruiken onderdelenvan de OVC-gesprekken voldoende betrouwbaar zijn. Het is dus niet noodzakelijk vast te stellen dat de gehele inhoud van de gesprekken betrouwbaar is. Bezien dient te worden of het waarschijnlijk is dat de genoemde voor het bewijs relevante onderdelen, waarin door [verdachte 3] wordt gesproken over twee personen die de moord uiteindelijk hebben gepleegd, louter zijn terug te voeren op de politie-informatie die [verdachte 3] in zijn verhoren heeft gekregen of toch verder strekt dan dat.
' [naam 7] 'en
‘ [naam 10] ’noemt. Zo belde de verdachte [medeverdachte] op 23 oktober 2016 naar een onbekend gebleven man en zei de verdachte
‘met [naam 10] , met [naam 11] ’. Op 28 november 2016 belde de verdachte [medeverdachte] naar een onbekende man en vroeg
‘Weet je met wie?’,waarop de onbekende man antwoordde:
‘ [naam 10] ’.
‘ [naam 17] ’(aangemaakt in “2013 of 2014”) van hem is en dat hij zich in het verleden, ten tijde van het aanmaken van dit Facebook account, wel eens
‘ [naam 17] ’noemde. Uit SMS-berichten en telefoongesprekken kan verder worden opgemaakt dat hijzelf, dan wel anderen voor hem, de volgende (bij)namen gebruikten:
‘ [naam 12] ’,
‘ [naam 13] ’,
‘ [naam 14] ’,
‘ [naam 17] ’. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat hij over zichzelf zegt:
‘ik ben die [naam 17] ’.
mooien klusje”voor hem heeft. Het gaat om een
“ [naam 6] in [plaats 2] ”. In de berichten wordt gesproken over
“wie moet gaan slapen”waarna [naam 2] een bericht van
‘ [naam 16] ’aan [verdachte 3] doorstuurt:
“Bro een turk ij werkt gewoon alles elctro shit ofo hij rijd witte busje met [bedrijf 1] erop waar hij moet slapen weet ik niet en wil ik niet eens weten hahaha simpele mannetje in de 40 gezin gewoon alles”. Gelet op de inhoud van de berichten, het moment waarop die berichten zijn verstuurd (ongeveer een maand voordat het slachtoffer is doodgeschoten) en hetgeen hiervoor onder ‘De moord op het slachtoffer [slachtoffer 1] ’ is overwogen, gaat het hof ervan uit dat met dit ‘klusje’ onmiskenbaar wordt gedoeld op de moord op het slachtoffer [slachtoffer 1] .
“die [naam 22] van [naam 1] kent”en dat ze hem
‘ [naam 17] ’noemen. Gelet op de overeenkomst tussen de namen
‘ [naam 17] ’en
‘ [naam 16] ’en in aanmerking genomen dat ‘ [naam 2] ’ een bericht doorstuurt van
‘ [naam 16] ’dat duidelijk maakt dat deze
‘ [naam 16] ’nauwgezet op de hoogte is van
‘het klusje’, concludeert het hof dat
‘de [naam 22] van [naam 1] genaamd [naam 17] ’dezelfde persoon is als
‘ [naam 16]’ en dat dit de tweede beoogde uitvoerder is.
“heb zijn mail al”. Vervolgens zoekt [verdachte 3] contact met het e-mailadres [e-mailadres 1] dat in zijn telefoon is opgeslagen onder de naam [bestandsnaam 1] . Zoals hiervoor overwogen is
‘ [naam 12] ’een bijnaam van de verdachte [verdachte 1] . [verdachte 3] krijgt echter enkele dagen geen antwoord en stuurt dan een bericht aan zijn contactpersoon dat
‘ [naam 17] ’niet reageert. Het e-mailadres [e-mailadres 1] staat in meerdere PGP-toestellen opgeslagen onder vermelding van (onder andere) de namen
‘ [naam 17] ’en
‘ [naam 17] ’. [naam 17] en [naam 17] zijn bijnamen die door de verdachte [verdachte 1] worden gebruikt.
‘ [naam 2] ’een zeer duidelijke aanwijzing dat de beoogde uitvoerders van de moord [verdachte 3] en de verdachte [verdachte 1] waren. Dat vermoeden wordt versterkt door het volgende.
“al eerder x met [naam 1][is]
aangehouden”omdat die persoon anders gaat denken dat [verdachte 3]
‘heet’is [het hof begrijpt: in beeld bij de politie]. Uit de bewijsmiddelen volgt dat met
‘ [naam 1] ’in voornoemd berichtenverkeer [naam 1] wordt bedoeld. Die vaststelling vindt bovendien bevestiging in de omstandigheid dat [verdachte 3] medeverdachte van [naam 1] is inzake diefstal dan wel heling van een scooter in april 2015 en om die reden
‘heet’was. Deze [naam 1] (‘ [naam 1] ’) is een contact van de verdachte [verdachte 1] : in het dossier bevinden zich foto’s waarop [naam 1] met de verdachte [verdachte 1] staat en zij zijn gecontroleerd door de politie toen zij gezamenlijk in een auto zaten. Dit vormt dus een extra bevestiging dat met
‘de [naam 22] van [naam 1] ’de verdachte [verdachte 1] wordt bedoeld.
voorbereidingvan de moord op het slachtoffer [slachtoffer 1] . De verdachten [verdachte 1] en [medeverdachte] waren vlak voor [verdachte 3] aangehouden. Kort na zijn aanhouding is [verdachte 3] vrijgelaten. Direct daarop volgend heeft de politie met behulp van opnameapparatuur een groot aantal door [verdachte 3] gevoerde gesprekken opgenomen; de zogenoemde OVC-gesprekken (OVC staat voor Opname Vertrouwelijke Communicatie). [verdachte 3] heeft verschillende voor het bewijs relevante gesprekken gevoerd.
‘kiri’[het hof begrijpt: moord] van
“ [plaats 1][het hof begrijpt: [plaats 2] ]
… van 2015 van die Turk”.Daarnaast zegt [verdachte 3] in de gesprekken dat zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord blijkt uit de uitgewisselde, hiervoor genoemde, (uit zijn ‘gekraakte’ telefoon afkomstige) PGP-berichten. Hij zegt dat hij geluk heeft gehad dat hij in detentie is geraakt, waardoor hij de moord niet kon hebben gepleegd. [verdachte 3] bevestigt daarmee de inhoud van de eerder besproken PGPberichten.
“ze daarheen zijn gegaan”.Deze uitlatingen dienen in de context waarin ze zijn geuit naar het oordeel van het hof zo te moeten worden begrepen dat het via zijn PGP-toestel besproken plan om iemand te vermoorden ook is uitgevoerd.
“nu binnen zijn”(het hof begrijpt: aangehouden vanwege de verdenking van de moord). [naam 3] benoemt dat dit de
“ [naam 5] ( [naam 5] )”is en vraagt aan [verdachte 3]
“en wie zei je dat de andere was?”. [verdachte 3] zegt vervolgens dat (ook)
‘ [naam 17] ’nu binnen is, waarna zijn gesprekspartner [naam 3] die bijnaam koppelt aan [verdachte 1] . Dit levert een extra bevestiging op dat het de verdachte [verdachte 1] is die met de in de PGPberichten genoemde bijnaam
‘ [naam 17] ’is aangeduid.
‘ [naam 7] ’in zijn ( [verdachte 3] ’s) plaats is gegaan en noemt
‘ [naam 7] ’als een van de personen die is opgepakt. Gesprekspartner ‘ [naam 9] ’ vraagt in een van de gesprekken
‘ [naam 7] , die van [naam 18] toch, die grote?’,waarna [verdachte 3] beaamt dat het om hem gaat. Dit bevestigt dat [verdachte 3] met ‘ [naam 7] ’ de verdachte [medeverdachte] bedoelt en duidt erop dat hij de plek van [verdachte 3] als uitvoerder van de moord heeft ingenomen.
‘hun’[de politie]
“al die gesprekken[hebben]
wat ik met [naam 2] praat”en dat hij vervolgens zegt
“en hij[het hof begrijpt: [naam 2] ]
praat ook met [naam 4] (fon) en hij praat daarna met [naam 5] (fon)”. Kennelijk is [verdachte 3] ervan op de hoogte dat ‘ [naam 2] ’, die betrokken is bij het uitzetten van de moord (‘klusje’), met [naam 4] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte 1] ) en vervolgens met [naam 5] contact heeft gehad. Uit een later gesprek tussen [naam 3] en [verdachte 3] , in combinatie met hetgeen hiervoor onder ‘bijnamen’ is gezegd, leidt het hof af dat met ‘ [naam 5] ’ de verdachte [medeverdachte] wordt bedoeld. Immers, in dit hiervoor al benoemde gesprek noemt [naam 3] een van de twee mannen die is aangehouden
“de [naam 5] ( [naam 5] )”. Hiermee bedoelt [naam 3] de verdachte [medeverdachte] zo volgt uit de context van dit gesprek.
“ze die mannen koppelen”aan [verdachte 3] antwoordt [verdachte 3] :
“ze zijn/staan in mijn ding[het hof begrijpt: telefoon]
toch?”. Kennelijk was dus niet alleen de verdachte [verdachte 1] , zoals hiervoor als aan de orde kwam, een contact van [verdachte 3] , maar gold dat ook voor de verdachte [medeverdachte] .
[bestandsnaam 2] ’in het PGP-toestel van [verdachte 3] vermeld. Deze naam vertoont een opvallende gelijkenis met de hierboven aan de verdachte [medeverdachte] toegeschreven bijnaam
‘ [naam 10] ’terwijl het hof op basis van de PGP-gesprekken hiervoor heeft vastgesteld dat de verdachte [medeverdachte] ‘in de telefoon’ van [verdachte 3] stond.
‘ [naam 19] ’in het PGP-toestel van [naam 20] (die, zo valt te lezen in het dossier [zaaknaam 1] op p. 5, door de rechtbank tot 20 jaar gevangenisstraf is veroordeeld vanwege betrokkenheid bij een poging tot liquidatie). Verder stond [e-mailadres 2] in meerdere PGP-toestellen als contact opgeslagen, onder de namen
‘ [naam 10] !!!’,
‘ [naam 7] ’en
‘ [naam 10] ’: allemaal bijnamen, dan wel zeer sterk op die bijnamen gelijkende namen, van de verdachte [medeverdachte]
.
'Ja ben nu west weer'en straalde de [imeinummer 1] op dat moment een mast aan de op [straatnaam 2] in [plaats 3] West.
‘ [naam 21] ’in uitgaansgelegenheid [naam uitgaansgelegenheid] in [plaats 5] was. In diezelfde groepschat wordt
‘ [naam 21] ’op 26 september 2015 door verschillende personen gefeliciteerd. Uit de historische gegevens van de [imeinummer 1] blijkt dat het toestel in de nacht van 26 op 27 september 2015 een mast aanstraalde in [plaats 5] .
“de mannen hebben die dingen weggegooid want ik heb hem gevraagd…. Wat heb je met de telefoon gedaan… hij zei tegen mij dat hij hem had weggegooid”. Dit vormt bovendien een extra aanwijzing dat de telefoons door de verdachten [medeverdachte] en [verdachte 1] zijn gebruikt nu zij in de OVC-gesprekken immers als uitvoerders naar voren komen.
geen verlichting. De melding om naar de [straatnaam 6] in [plaats 2] te gaan vanwege – naar later – bleek de moord op het slachtoffer [slachtoffer 1] , is om 6.50 uur bij de politie binnengekomen. Om 6.57 uur ontving de politie de melding dat er een voertuig in brand stond in de [straatnaam 8] in [plaats 2] , dit blijkt later een donkerblauwe BMW te zijn geweest. Een getuige heeft gezien dat
twee personenwegrenden die het voertuig in brand hadden gestoken. Zoals hiervoor is vastgesteld is de schutter als passagier in de vluchtauto is gestapt en hebben er dus (in ieder geval) twee personen in de vluchtauto gezeten. Deze auto reed
zonder verlichtingweg. Op grond van het voorgaande is niet alleen de conclusie gerechtvaardigd dat de BMW op de beelden dezelfde BMW is als die in brand is gestoken, maar ook dat deze BMW is gebruikt door de daders van de moord.
(‘osso’)in [plaats 2] , de omgeving waar de vluchtauto in brand is gestoken.
“omdat deze waarschijnlijk in de Volkswagen Polo lag”[het hof begrijpt: de hiervoor genoemde VW Polo]. Volgens de verdediging in hoger beroep had de verdachte [verdachte 1] de pincode die bij de pas hoorde op een briefje geschreven dat hij bij de pinpas bewaarde. Dit niet of nauwelijks onderbouwde scenario, dat ervan uitgaat dat de pinpas met code
waarschijnlijkin de VW Polo lag, acht het hof hoogst onwaarschijnlijk, mede bezien tegen de achtergrond van de bewijsvoering in zijn geheel. Het is buitengewoon onaannemelijk dat – als er al vanuit moet worden gegaan dat de pinpas en pincode in de auto hebben gelegen – een gebruiker van deze VW Polo (waar doorgaans de toenmalige vriendin van de verdachte [verdachte 1] in reed, getuige haar verklaring op de terechtzitting van 21 september 2022) de pinpas ongevraagd en ongemerkt heeft gebruikt om 1,39 liter benzine te tanken. Daar komt bij dat niet valt in te zien waarom de verdediging, als dit scenario waar zou zijn, ter onderbouwing van dit scenario niet inmiddels een begin van een aanknopingspunt heeft kunnen formuleren wie dat dan mogelijk zou zijn geweest. Daarbij zij opgemerkt dat er slechts een gering aantal mensen gebruikmaakte van de VW Polo terwijl deze transactie reeds ten tijde van zijn inbewaringstelling aan de verdachte [verdachte 1] is tegengeworpen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
- de onderscheiden plaatsen delict,
- het korte tijdsbestek tussen de moord en de melding van de autobrand,
- het feit dat in beide gevallen sprake is van eenzelfde kleur en type BMW,
- het feit dat op beide plaatsen delict sprake is van twee personen,
- de reisbewegingen van de [imeinummer 2] en de [imeinummer 1] en
- de inhoud van het berichtenverkeer over een schuilplaats in [plaats 2] ,
8.Bewezenverklaring
hij op
of omstreeks15 december 2015 te [plaats 2] ,
[pleegplaats 1], tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,[slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door
/inhet hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1]
(een)zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden;
hij op
of omstreeks15 december 2015 te [plaats 2]
[pleegplaats 1] ,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een personenauto (merk/type: BMW/M5), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan voornoemde personenauto
geheel of gedeeltelijkis verbrand
, in elk geval brand is ontstaan,en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen schuur
(en)en
/ofstoeptegels en
/oflantaarnpaal
(en), in elk geval enig straatmeubilair, in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
hij op
of omstreeks15 december 2015 te [plaats 2]
[pleegplaats 1] ,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,opzettelijk en wederrechtelijk één
of meerschuur
(en)en
/oféén
of meerlantaarnpaal
(en)en
/of één of meerstoeptegels,
in elk geval enig goed,diegeheel of ten deleaan een ander,
te weten aan [slachtoffer 2] en/of de vereniging van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer nog onbekend gebleven (rechts)perso(o)n(en)toebehoorden, heeft
vernield,beschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt;
hij
op één of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 te [plaats 2] en/of elders in Nederland , tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,een goed, te weten een personenauto (merk/type/ oorspronkelijk kenteken: BMW/M5/ [kenteken 1] )
heeft verworven, voorhanden
heeftgehad
en/of overgedragen,terwijl hij en zijn mededader ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed wisten
, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
9.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
10.Strafbaarheid van de verdachte
11.Oplegging van straf
“Bro een turk ij werkt gewoon alles elctro shit ofo hij rijd witte busje met [bedrijf 1] erop waar hij moet slapen weet ik niet en wil ik niet eens weten hahaha simpele mannetje in de 40 gezin gewoon alles”. Een contact van de verdachte – die een tweede uitvoerder en een schuiladres voor hem zoekt – noemt de toen nog te plegen aanslag op [slachtoffer 1] een “mooien klusje”. Het hof ziet de verdachte, mede gelet op deze woorden, als een persoon die vanaf het eerste uur betrokken was bij de planning van de moord. In die zin is de rol van de verdachte anders en meer prominent dan de medeverdachte die pas later betrokken raakte. Het gemak en de achteloosheid waarmee in vorenbedoelde berichten over het beëindigen van een mensenleven wordt gesproken zijn ronduit stuitend en huiveringwekkend.
12.Vorderingen van de benadeelde partijen
materiële schadeziet op:
€ 296,25
materiële schadeziet op:
€ 21.281,00
ten aanzien van beide benadeelde partijenals volgt:
benadeelde partij [benadeelde 1]overweegt het hof:
in persoon(dat wil zeggen zonder gemachtigde) procedeert (artikel 228 lid 1 Rv Pro). In dit geval hebben de benadeelden zich laten bijstaan door een gemachtigde. Om die reden zal het deel van de vordering dat ziet op het bijwonen van de zitting en het bezoeken van de advocaat, groot € 175,25, worden afgewezen.
13.Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
14.Toepasselijke wettelijke voorschriften
gevangenisstrafvoor de duur van
23 (drieëntwintig) jaren en 6 (zes) maanden (drieëntwintig) jaren.
€ 249.588,23 (tweehonderdnegenenveertigduizend vijfhonderdachtentachtig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 224.588,23 (tweehonderdvierentwintigduizend vijfhonderdachtentachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
materiëleschade op:
- 1 februari 2016 over een bedrag van € 7.375,95 ter zake van kosten lijkbezorging;
- 29 februari 2016 over een bedrag van € 296,25 ter zake van eigen risico;
- 15 augustus 2016 over een bedrag van € 2.246,00 ter zake van kosten grafsteen;
- 3 augustus 2018 over een bedrag van € 30,11 ter zake van reiskosten voor het slachtoffergesprek;
- 25 februari 2019 over een bedrag van € 2.354,92 ter zake van factuur [bedrijf 2] expert;
- 1 januari 2020 over een bedrag van € 212.285,00 ter zake van gederfd levensonderhoud
immateriële schadeop 15 december 2015.
€ 46.281,00 (zesenveertigduizend tweehonderdeenentachtig euro) bestaande uit € 21.281,00 (eenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
materiëleschade op:
immateriëleschade op: