ECLI:NL:GHARL:2021:2522
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst door inwonende zoon na overlijden moeder afgewezen
De zaak betreft een vordering van de zoon van een overleden huurder om de huurovereenkomst voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, omdat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding zou hebben gehad. De moeder was huurder van een woning en overleed in oktober 2018. De zoon woonde met zijn familie in de woning.
De kantonrechter wees de vordering af omdat geen duurzame gemeenschappelijke huishouding was vastgesteld. Het hof bevestigt dit oordeel na beoordeling van de financiële bijdragen, de huishoudelijke taken en de intenties van de zoon. De zoon leverde onvoldoende bewijs voor een wezenlijk aandeel in de kosten en voor een duurzame huishouding. Ook de intentie om altijd bij zijn moeder te blijven wonen werd onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelt dat de omstandigheden niet leiden tot het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De ontruimingstermijn van vier maanden blijft gehandhaafd en de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen. Proceskosten worden verdeeld zoals door het hof bepaald.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst door de inwonende zoon wordt afgewezen en het vonnis tot ontruiming wordt bekrachtigd.