Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [erflater] , kantoorhoudende te Arnhem,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure in hoger beroep tussen appellant en de curator in het faillissement van een erflater stond de vraag centraal of appellant voldoende zekerheid had gesteld voor de proceskosten die hij mogelijk aan de curator verschuldigd zou zijn.
Het hof had bij arrest van 31 maart 2020 appellant bevolen zekerheid te stellen conform artikel 6:51 lid 2 BW Pro. Na een eerdere constatering dat de zekerheid onvoldoende was gesteld, heeft appellant alsnog het gevraagde bedrag van €3.973,01 gestort op de derdengeldenrekening van zijn advocaat. Tevens is een escrow-overeenkomst gesloten tussen appellant, de curator en de stichting beheer derdengelden, waarin duidelijk is vastgelegd onder welke voorwaarden het bedrag aan de curator of aan appellant zal worden uitgekeerd.
Het hof concludeert dat hiermee aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW Pro is voldaan en dat de curator zijn vordering tot niet-ontvankelijkverklaring niet langer handhaaft. De beslissing over de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak, die wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.
Uitkomst: Appellant heeft voldoende zekerheid gesteld voor de proceskosten, waardoor het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.