ECLI:NL:GHARL:2020:2706

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
200.265.656
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident tot zekerheidstelling door buitenlandse partij in faillissementszaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 maart 2020 een tussenuitspraak gedaan in een incident tot zekerheidstelling door een buitenlandse partij, [appellant], die in Monaco woont. De appellant had een vordering tot zekerheidstelling ingediend in het kader van een faillissementsprocedure waarbij de curator, mr. [geïntimeerde], betrokken was. De curator vorderde dat [appellant] zekerheid zou stellen voor de proceskosten, omdat hij zonder woonplaats in Nederland is. Het hof oordeelde dat de appellant niet voldoende had aangetoond dat er uitzonderingen van toepassing waren op de verplichting tot zekerheidstelling, zoals vermeld in artikel 224 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof concludeerde dat de appellant niet redelijkerwijs aannemelijk had gemaakt dat verhaal in Nederland mogelijk zou zijn en dat er geen belemmeringen waren voor een effectieve toegang tot de rechter. De vordering tot zekerheidstelling werd toegewezen, waarbij het hof de hoogte van de te stellen zekerheid vaststelde op € 3.973,01. De appellant werd opgedragen deze zekerheid binnen vier weken na het arrest te stellen. De beslissing over de proceskosten werd aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.265.656
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 6663555)
arrest van 31 maart 2020
in het incident op grond van artikel 224 Rv in de zaak van
[appellant],
wonende te Monaco,
appellant,
in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,
verweerder in het incident,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. G.P. Geelkerken,
tegen:
mr. [geïntimeerde],
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] , kantoorhoudende te [A] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
eiser in het incident,
hierna: de curator,
advocaat: mr. J.J.P.T. van Summeren.

1.De procedure bij de rechtbank

Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 maart 2018, 8 augustus 2018 en 15 mei 2019, die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 14 augustus 2019,
- het anticipatie-exploot van 3 september 2019,
- de memorie van grieven, met producties,
- de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 jo 353 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met producties;
- de antwoordconclusie in het incident, met productie.
2.2
Vervolgens heeft de curator de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in het incident

3.1
De curator is curator in het faillissement van de heer [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ), de vader van [appellant] Tussen [appellant] en de curator is in geschil of [appellant] met recht en titel gebruik maakt van een schuur/paardenstal, parkeeraccommodatie, opslag en buitenbak die horen bij een woning van [gefailleerde] De curator wenst in het kader van de vereffening van de faillissementsboedel de woning van [gefailleerde] met bijbehorende zaken te verkopen. [appellant] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij op basis van een tussen hem en [gefailleerde] gesloten “Huur Gebruikovereenkomst” met recht en titel gebruik maakt van de schuur/paardenstal, parkeeraccommodatie, opslag en buitenbak. De curator heeft dit bestreden en – kort weergegeven – in reconventie gevorderd [appellant] te veroordelen om hetgeen hij dacht te huren te ontruimen. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en de vordering van de curator toegewezen, alsmede [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
3.2
In hoger beroep vordert [appellant] , kort weergegeven, vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen uit eerste aanleg, met veroordeling van de curator in de kosten van de beide instanties.
3.3
De curator heeft in het incident gevorderd [appellant] te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten voor een bedrag van € 3.973,01, althans voor een door het gerechtshof te bepalen bedrag, door middel van een onherroepelijke bankgarantie met als begunstigde de curator, welke bankgarantie afkomstig is van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke condities, te stellen binnen een termijn van twee weken na het arrest in incident, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [appellant] en [appellant] te veroordelen in de proceskosten van het incident.
3.4
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Die verplichting bestaat niet indien er sprake is van één van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingsgronden. De uitzonderingsgronden betreffen, kort weergegeven, dat het stellen van zekerheid niet verplicht is indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening (artikel 224 lid 2 sub a Rv), dat een proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van eiser (artikel 224 lid 2 sub b Rv), dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor veroordeling tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn (artikel 224 lid 2 sub c Rv) en dat het stellen van zekerheid een effectieve toegang tot de rechter zou belemmeren (artikel 224 lid 2 sub d Rv). Ingevolge artikel 353 Rv is artikel 224 Rv ook in hoger beroep van toepassing.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] in Monaco woont en dat hij zowel de eiser in eerste aanleg als principaal appellant is. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 224 lid 1 en 353 lid 2 Rv is dus voldaan. Een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en sub a of b Rv doet zich niet voor. [appellant] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en sub c en d Rv. Het is aan [appellant] om de feiten en omstandigheden te stellen en – zo nodig – aannemelijk te maken waarop hij zijn beroep op artikel 224 lid 2 aanhef en sub c en d Rv baseert. Naar het oordeel van het hof doet de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en sub c Rv zich in deze zaak niet voor. [appellant] heeft niet redelijkerwijs aannemelijk gemaakt dat verhaal voor een eventuele veroordeling van [appellant] tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk is. [appellant] heeft weliswaar een woning in [B] geheel en een woning in [C] gedeeltelijk (voor de helft) in eigendom, maar het is niet redelijkerwijs aannemelijk dat deze woningen voor de curator tot verhaalsobject zullen kunnen dienen. Vaststaat dat de woning in [B] geen verhaal zal bieden voor de mogelijke vordering van de curator. Op de woning rust een hypotheekrecht van € 1.000.000,- en er is door verschillende schuldeisers voor een bedrag van ten minste in totaal € 6.113.000,- beslag op de woning gelegd. [appellant] heeft aangevoerd dat de woning in [C] op dit moment te koop staat voor € 225.000,- en na aftrek van het hypotheekrecht en een gelegd beslag, een restantopbrengst van € 37.000,- zal resteren. Het feit dat er al voor miljoenen beslag is gelegd onder [appellant] maakt het echter uiterst onzeker of verhaal in Nederland na afloop van de procedure op deze verkoopopbrengst mogelijk zal zijn. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] redelijkerwijs niet aannemelijk gemaakt dat verhaal voor een eventuele proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk is.
3.6
Ook het beroep van [appellant] op de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en sub d Rv gaat niet op. [appellant] heeft geen inzage in of toelichting gegeven op zijn huidige financiële situatie en op de vraag waarom zekerheidstelling niet of moeilijk te realiseren is. [appellant] heeft ook geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Naast de gegevens uit het kadaster zijn er geen stukken waaruit informatie volgt over de financiële positie van [appellant] Gelet op het voorgaande valt niet zonder meer in te zien waarom de gevraagde zekerheidstelling niet kan worden gesteld en waarom dit een effectieve toegang tot de rechter in de weg staat, zoals door [appellant] is gesteld. De vordering tot het stellen van zekerheid is in beginsel dan ook toewijsbaar.
3.7
Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. Voor zover in het eindarrest in de kosten van het incident zou worden veroordeeld, dan zullen deze kosten kunnen worden vastgesteld op basis van één procespunt tegen appeltarief II, € 1.074,-. Het hof zal van dit bedrag uitgaan bij de begroting van de bedragen waarvoor zekerheid dient te worden gesteld.
3.8
Over de hoogte van de zekerheidstelling overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door de curator gevraagde zekerheidstelling. Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat [appellant] ten gunste van de curator zekerheid dient te stellen voor een bedrag van € 3.973,01 (zijnde € 99,01 deurwaarderskosten, € 324,- griffierechten, € 3.222,- salaris advocaat (3 punten x appeltarief II) en € 328,- nakosten met betekening).
3.9
De curator heeft zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie door een gerenommeerde Nederlandse bank gevraagd. [appellant] heeft aangevoerd dat het voor hem onmogelijk is om aan de gevraagde zekerheidstelling door middel van een bankgarantie te voldoen, mede gelet op het feit dat er door verschillende banken beslag onder hem is gelegd. Voor de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting gezocht worden bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. Dat betekent dat de curator in ieder geval zonder moeite verhaal moet kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Het hof bepaalt dat, gelet op de vrijheid die artikel 6:51 lid 1 BW biedt aan degene die zekerheid dient te stellen, [appellant] zekerheid dient te stellen op een wijze die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW voldoet.
3.1
De curator heeft voorts gevorderd dat [appellant] de gevraagde zekerheid stelt binnen twee weken na de datum waarop arrest in incident is gewezen. Het hof acht een termijn van twee weken voor het stellen van zekerheid te kort, maar acht een termijn van vier weken na dagtekening van dit arrest wel redelijk.
3.11
Het hof zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol voor akte aan de zijde van de curator, waarin de curator het hof dient te berichten of [appellant] de bedoelde zekerheid heeft gesteld.
3.12
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
beveelt dat [appellant] ten behoeve van de curator zekerheid stelt voor een bedrag van
€ 3.973,01 ter zake van de proceskosten waartoe [appellant] in de procedure in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden;
voornoemde zekerheid dient te worden gesteld in een vorm die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW voldoet binnen vier weken na het wijzen van dit arrest;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de roldatum van
dinsdag 28 april 2020voor akte uitlating aan de zijde van de curator over de vraag of de hiervoor bevolen zekerheid door [appellant] is gesteld;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.