Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling in hoger beroep
4.De slotsom
€ 287
€ 318
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de advocaat van appellant beroepsfouten heeft gemaakt bij de advisering over de verdeling van de gemeenschappelijke boedel tussen appellant en zijn voormalige partner. De minnelijke regeling uit 2007, waarbij onder meer een woning in Spanje en een woning in Nederland werden toegewezen, vormde het uitgangspunt. Appellant stelde dat de advocaat tekort was geschoten in zijn zorgplicht, onder meer door onvoldoende rekening te houden met de draagplicht van een deel van de hypotheekschuld die was gebruikt voor het bedrijf van de voormalige partner.
De rechtbank wees de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende aannemelijkheid van schade. In hoger beroep oordeelde het hof dat appellant tijdig had geklaagd over de beroepsfouten en dat de klachtplicht niet was geschonden. Het hof stelde vast dat de advocaat onvoldoende had gewaarschuwd voor het risico dat een deel van de hypotheekschuld (€113.000) ten onrechte niet aan de voormalige partner werd toegerekend, wat een beroepsfout was.
De schade werd berekend door de minnelijke regeling te vergelijken met een hypothetische situatie zonder die regeling. De onderbedeling van appellant bedroeg €36.500, verminderd met de extra rechtsbijstandskosten van €5.759,71, wat resulteerde in een schadevergoeding van circa €30.740. Het hof veroordeelde de advocaat tot betaling van deze schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten, en vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De advocaat wordt veroordeeld tot betaling van €30.740 schadevergoeding wegens beroepsfouten bij advisering over boedelverdeling.