Uitspraak
1.[appellant] ,
Defam,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
de overige grieven. Deze overige grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond centraal of Defam B.V. haar zorgplicht had geschonden bij het verstrekken van een krediet aan appellanten, waarbij het krediet zou worden afgelost met opbrengsten uit een effectenleaseovereenkomst. Appellanten stelden dat Defam op de hoogte was van deze constructie en hen niet had gewaarschuwd voor de risico's, waardoor zij onrechtmatig had gehandeld.
Het hof stelde vast dat appellanten onvoldoende hadden onderbouwd dat Defam wist of had moeten weten van de samenhang tussen het krediet en de effectenleaseovereenkomst. De kennis en het handelen van de tussenpersoon AFAB konden niet aan Defam worden toegerekend. Ook was onvoldoende bewijs geleverd dat er sprake was van een nauwe samenhang tussen de overeenkomsten die wanprestatie van Defam zou rechtvaardigen.
Verder oordeelde het hof dat Defam haar zorgplicht niet had geschonden. De kredietovereenkomst was duidelijk en eenvoudig van aard, met een aflossingsvrije periode van vijf jaar en een mogelijkheid tot vervroegde aflossing. Defam had de kredietwaardigheid van appellanten getoetst en had geen verplichting om na vijf of tien jaar extra te informeren over het niet aflossen. Appellanten waren vrij om af te lossen en hadden ervoor gekozen rente te blijven betalen.
De grieven van appellanten faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren en was uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de grieven van appellanten af; zij zijn veroordeeld in de proceskosten.