Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
rechtswege verleendevergunning op 7 februari 2007, maar van een (al vóór die datum)
regulierebouwvergunning. Het gaat dan, aldus de rechtbank, om de periode die begint op het moment gelegen vóór 7 februari 2007 waarop [appellant] over een reguliere bouwvergunning beschikte en die eindigt op 29 oktober 2007 (datum vervallen milieuvergunning van 14 september 2004).
5.De motivering van de beslissing in hoger beroep
zou hebben beslist(of gehandeld) als wel (direct) een rechtmatig besluit zou zijn genomen (zie HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18 (
UWV) en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (
Hengelo/ [y ]).
De ondernemers zijn voornemens om een nieuwe guste en drachtige zeugenstal te bouwen. Hiervoor is reeds een milieuvergunning afgegeven (…). Naar nu blijkt is in het bouwblok aan de gewenste zijde te krap. Er is binnen het bouwblok nog wel ruimte vrij om met een verschuiving het gewenste bouwblok te realiseren’.
6.De beslissing
19 november 2019voor het nemen van akten in de in 5.18 bedoelde zin;