ECLI:NL:GHARL:2019:8686
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vader zonder gezag niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
In deze zaak verzocht de vader, die niet het gezag over zijn minderjarige kind heeft, om als belanghebbende te worden aangemerkt in de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling was eerder op zijn verzoek uitgesproken. De gecertificeerde instelling (GI) had verzocht om verlenging, maar dit verzoek werd door de kinderrechter afgewezen. De GI ging niet in hoger beroep, maar de vader wel.
Het hof overwoog dat volgens artikel 798 lid 1 Rv Pro belanghebbende is degene wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks door de zaak worden geraakt. De maatregel van ondertoezichtstelling raakt rechtstreeks de ouder met gezag, niet de ouder zonder gezag. De vader zonder gezag is daarom in beginsel geen belanghebbende en dus niet ontvankelijk in hoger beroep tegen de afwijzing van de verlenging.
De vader voerde aan dat hij op grond van artikel 1:260 BW Pro een eigen bevoegdheid heeft om verlenging te verzoeken indien de GI dat niet doet, en dat de ondertoezichtstelling mede gericht is op zijn positie en contactwens met het kind. Het hof oordeelde echter dat deze bevoegdheid niet impliceert dat hij belanghebbende is wanneer de GI zelf verlenging verzoekt. Ook het argument dat de ondertoezichtstelling was ingesteld vanwege het uitblijven van statusvoorlichting, waardoor zijn family life geraakt zou zijn, werd verworpen. Het hof stelde vast dat de ondertoezichtstelling geen directe inmenging in zijn rechten als ouder zonder gezag inhoudt.
Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beschikking van de kinderrechter die het verzoek tot verlenging afwees, blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De vader zonder gezag is niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de ondertoezichtstelling.