Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2]en
[geïntimeerde 3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de appellant onrechtmatig had gehandeld door in publicaties te stellen dat geïntimeerden opzettelijk te lage concentraties fijnstof en stikstofdioxide hadden berekend om gemeentelijke reconstructies mogelijk te maken. Het hof nam het tussenarrest over, waarin was vastgesteld dat de berekeningen te laag waren, maar dat opzet niet was aangetoond.
De appellant voerde aan dat de deskundigheid en het patroon van onjuistheden wezen op opzet, maar het hof oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd. De dynamiek van het beleidsproces en externe factoren konden de afwijkingen verklaren. Bewijsaanbod van getuigen werd gepasseerd wegens onvoldoende relevantie voor de kernvraag.
Het hof concludeerde dat de appellant onvoldoende had onderbouwd dat de berekeningen met opzet waren gemanipuleerd. Hierdoor moest het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van geïntimeerden prevaleren boven de vrijheid van meningsuiting van appellant. Het hoger beroep werd verworpen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland wordt bekrachtigd.