Uitspraak
1.[appellante1] ,
,
2. [appellant2] ,
3. [appellante3] ,
[appellanten] c.s.,
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerden] c.s.,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
ƒ 664,74
ƒ 9.985,09
3.Het geschil in eerste aanleg en de beslissing van de rechtbank
4.De vorderingen in hoger beroep
5.De verdere beoordeling van de grieven en de vordering
grief V in het incidenteel hoger beroepis het belang komen te ontvallen, omdat deze grief betrekking heeft op het deel van de vordering betreffende het pand aan de [a-straat] 13 en [geïntimeerden] c.s. ter zitting van 23 juli 2019 dit deel van de vordering hebben ingetrokken. Het hof zal grief V daarom verder onbesproken laten.
de grieven II en VII in het incidenteel hoger beroep, waarin [geïntimeerden] c.s. stellen dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.13 er klaarblijkelijk, zij het ten onrechte, van is uitgegaan dat [geïntimeerden] c.s. over een afschrift van de notariële akte van 19 december 1980 hebben beschikt waarin de geldlening is beschreven en dat het beroep van [geïntimeerden] c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid met betrekking tot het door [appellanten] c.s. gedane beroep op verjaring niet slaagt. In
grief IV in het incidenteel hoger beroephebben [geïntimeerden] c.s. onder meer de grondslagen onder de vordering uit hoofde van de geldlening aangevuld.
grief IV in het incidenteel hoger beroepaangevoerde nieuwe gronden echter van mening dat een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen op het moment dat [appellanten] c.s. in 2004, toen de hiervoor bedoelde verjaringstermijnen nog niet waren verstreken, de nalatenschap van [F] zuiver hebben aanvaard. Het hof volgt hen daarin niet. Zoals [geïntimeerden] c.s. betogen zijn [appellanten] c.s. door die zuivere aanvaarding verplicht de schulden van de nalatenschap van [F] , waartoe de vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening behoort, ten laste van hun overig vermogen aan de nalatenschap van oma te voldoen (artikel 4:184 lid 2 BW Pro). Het hof is echter, anders dan [geïntimeerden] c.s., van oordeel dat door die aanvaarding de rechten en plichten van [F] uit de overeenkomst van geldlening onder algemene titel op [appellanten] c.s. zijn overgegaan en dat dit niet verandert wanneer [geïntimeerden] c.s., namens de nalatenschap van oma, verhaal voor de leenschuld zoeken op het overig vermogen van [appellanten] c.s. [appellanten] c.s. komen dan ter afwering van een vordering uit hoofde van die geldlening dezelfde weren toe als [F] zou hebben gehad wanneer hij niet zou zijn overleden, ook wat betreft de aanvang van verjaringstermijnen. Het hof is mede daarom van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de vorderingen uit hoofde van de geldlening zijn verjaard, en neemt de desbetreffende overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.