ECLI:NL:GHARL:2018:11016
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over verkoop inboedel bij mede-bewoning en eigendom
In deze zaak staat centraal of de executoriale verkoop van de inboedel in de woning van appellante onrechtmatig was, omdat de schuldenaar niet in haar woning zou wonen en dus niet eigenaar van de inboedel zou zijn. Het hof stelt vast dat de schuldenaar wel degelijk op het adres woont, mede op basis van verklaringen van de deurwaarder en andere getuigen. Hierdoor wordt vermoed dat hij mede-eigenaar is van de inboedel.
Appellante heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit vermoeden te ontzenuwen. Haar foto’s van een bank en betwistingen zijn niet concreet genoeg om het eigendom aan haar toe te schrijven. De voorzieningenrechter heeft daarom het verbod op executie terecht geweigerd en het hof bekrachtigt dit vonnis.
De gewijzigde eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige executie wordt niet toegewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, terwijl de schuldenaar geen proceskostenveroordeling krijgt. Het arrest bevestigt dat de executoriale verkoop rechtmatig was en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de executoriale verkoop rechtmatig was.