In deze zaak stond de indeplaatsstellingsvordering centraal waarbij appellant zijn dochter en schoonzoon als pachters wilde laten optreden in plaats van zichzelf. De pachtkamer van de rechtbank Limburg wees deze vordering af en kende de beëindigingsvordering van geïntimeerden toe, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.
Appellant stelde in hoger beroep een incident in tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis ex artikel 351 RvPro. Hij betoogde dat de rechtbank niet had voldaan aan de bijzondere norm van artikel 7:369 lid 1 BWPro, die vereist dat een beëindigingsvonnis alleen uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard indien het verweer van de pachter kennelijk ongegrond is. Tevens stelde appellant dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard en geen belangenafweging had gemaakt.
Het hof constateerde dat de rechtbank zich niet had rekenschap gegeven van deze norm en onvoldoende had gemotiveerd. Het hof voerde een belangenafweging uit waarbij het bedrijfseconomische belang van appellant om het gepachte te behouden zwaarder woog dan het belang van geïntimeerden bij tenuitvoerlegging. Daarom werd de tenuitvoerlegging geschorst. De hoofdzaak werd verwezen voor memorie van antwoord en verdere beslissingen werden aangehouden.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis van de pachtkamer rechtbank Limburg is geschorst.
in het incident ex artikel 351 RvPro in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats ] ,
appellant,
eiser in het incident,
in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.E. Brands,
tegen:
1.[geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats ] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats ] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats ] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonende te [woonplaats ] ,
5. [geïntimeerde 5],
wonende te [woonplaats ] ,
6. [geïntimeerde 6] ,
wonende te [woonplaats ] ,
geïntimeerden in de hoofzaak,
verweerders in het incident,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen.
1.Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 november 2016 en 10 mei 2017 die de pachtkamer van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, tussen [appellant] en [geïntimeerden] . heeft gewezen.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 juni 2017,
- de memorie van grieven, tevens inhoudende incidentele vordering tot schorsing van het vonnis ex artikel 351 RvPro,
- de memorie van antwoord in het incident.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.
3.De motivering van de beslissing in het incident
3.1
In de hoofdzaak staat in conventie ter beoordeling de indeplaatsstellingsvordering van [appellant] waarbij [appellant] vordert om zijn dochter en schoonzoon in zijn plaats te stellen als pachters in de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst. In reconventie staat ter beoordeling de beëindigingsvordering ex artikel 7:369 lid 2 BWPro van [geïntimeerden] De pachtkamer van de rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen, de vordering in reconventie toewezen en het toewijzend vonnis bovendien uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellant] , die in de hoofdzaak diverse grieven tegen het vonnis opwerpt, vordert in dit incident dat het hof de tenuitvoerlegging van het bedoelde vonnis ex artikel 351 RvPro zal schorsen. In dat verband beroept [appellant] zich op de bijzondere norm van het eerste lid van artikel 7:369 BWPro, volgens welke een beëindigingsvonnis slechts uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard indien het verweer van de pachter de rechter kennelijk ongegrond voorkomt. [appellant] voert bovendien aan dat de pachtkamer van de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de door [appellant] ingeroepen nietigheid van de afstandsverklaring, de belangen van partijen niet heeft afgewogen, niet (expliciet) overweegt dat zij het verweer van [appellant] kennelijk ongegrond acht en dat ook niet motiveert, alsmede dat zijn verweer ook niet kennelijk ongegrond is.
3.2
Uit het vonnis blijkt niet dat de pachtkamer van de rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de bijzondere, tot terughoudendheid nopende norm van het eerste lid van artikel 7:369 BWPro. De pachtkamer van de rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de veroordeling door haar uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Maatstaf in dat verband zijn immers de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling kreeg. Het hof verwijst naar de beschikking van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688. Omtrent diebelangen houdt het vonnis niets in.
3.3
Het hof zal in het kader van het door [appellant] opgeworpen incident bedoelde maatstaf alsnog dienen aan te leggen. Daarbij blijft de kans van slagen van het tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.
3.4
Tegenover elkaar staan het (bedrijfseconomisch) belang van [appellant] om over het gepachte te kunnen blijven beschikken tot in hoger beroep is beslist, waarbij van belang is dat hij voor de uitoefening van zijn agrarisch bedrijf van het gepachte mede afhankelijk is en het financiële belang van [geïntimeerden] bij tenuitvoerlegging van het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank. Met betrekking tot laatstbedoeld belang is van betekenis dat [geïntimeerden] al in een eerder stadium - in 2011 - de pachtovereenkomst hebben opgezegd, maar tot op heden geen uitvoering hebben gegeven aan deze opzegging. [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord in het incident geen nadere concretisering van hun belangen gegeven en hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.5
Gelet op een en ander weegt naar het oordeel van het hof het bedoelde belang van [appellant] zwaarder dan dat van [geïntimeerden] en moet schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis volgen. Een beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat bij einduitspraak over de kosten zal worden beslist.
3.6
Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor het nemen van memorie van antwoord. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident:
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 11 mei 2016;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de roldatum van 24 oktober 2017voor memorie van antwoord;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, J.H. Lieber en L.M. Croes en de deskundige leden ir. J.H. Jurrius en ing. P. Kerkstra en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2017.