Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidOubaha Beheer B.V.,
5th Avenue Arnhem B.V.,
Aspen Valley Arnhem B.V.,
Coöperatieve Rabobank U.A.,
Coöperatieve Rabobank Rijk van Nijmegen U.A., voorheen genaamd
Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
"Deze afwijking van ca 1 mio zit voor een groot deel in omzet food, dit heeft m.n. te maken met verbouwing c.q. uitbreiding (…) met extra terrassen en keuken; er werd in 2009 een extra omzet van ca 1 mio verwacht. Daar de verbouwing is uitgesteld naar begin 2010, zal de omzet vanaf periode 6, 2e helft van 2010 toenemen".
grieven 2 tot en met 7, deels 8 en 9 tot en met 12zien alle op (aspecten) van het handelen van Rabobank vanaf februari 2010 tot het einde van de relatie. Uit de stellingen van Oubaha volgt dat - nadat hij op 19 juni 2009 het financieringsvoorstel van € 1.800.000 van Rabobank had getekend en op 26 juni 2009 de financiering voor de aankoop van twee bedrijfspanden van € 1.520.000 (hierna ook: de vastgoedfinanciering) had afgesloten - hij vanaf november 2009 Rabobank voortdurend om additionele financieringen heeft verzocht. Oubaha stelt – en heeft dit tijdens de zitting in hoger beroep nog nader toegelicht – dat de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na het aangaan van de financiering van € 1.800.000 nu eenmaal inherent zijn aan het kunnen ondernemen in de horecawereld. Zo waren onder meer de investering in het kassasysteem, de afspraken die hij met Inbev heeft kunnen maken over de hectoliterkorting en de aankoop van nog twee horecabedrijven, ontwikkelingen die zich voordeden en waarvan hij als ondernemer gebruik heeft gemaakt. Het hof stelt vast dat Oubaha Rabobank van de zich voordoende mogelijkheden weliswaar voortdurend en gedetailleerd op de hoogte houdt, maar dat dit telkens gebeurt nadat hij reeds de (additionele) verplichtingen is aangegaan. Ook volgt uit de berichten van Oubaha aan Rabobank over de financiële situatie (aanvankelijk vaak in reactie op herhaalde verzoeken van Rabobank om nadere informatie) en over de nadere financieringsbehoefte, dat Oubaha kampt met een voortdurende en ernstige liquiditeitskrapte. Een en ander staat ook in verband met de in januari 2010 gestarte verbouwing in drie horecaondernemingen, waardoor de inkomsten nog meer onder druk komen te staan. Oubaha heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij min of meer in een vicieuze cirkel terecht was gekomen en dringend behoefte had aan het bedrag dat hij met de financieringstoezegging van juni 2009 voor € 1.800.000 was overeengekomen. Naar het oordeel van het hof staat het Oubaha, in beginsel, vrij om van mogelijkheden die zich op zijn pad komen gebruik te maken, maar vindt dit zijn begrenzing in de financiële speelruimte die Oubaha daarvoor ter beschikking heeft. Oubaha was goed op de hoogte van zijn financiële speelruimte en was zich ook bewust van de additionele financieringsbehoefte die zijn beslissingen met zich brachten, terwijl het ook voor hem duidelijk was dat de liquiditeitspositie van zijn onderneming voortdurend onder druk stond. Het hof overweegt in dat verband als volgt.
Grief 11die is gericht tegen de constatering van de rechtbank dat in maart 2011 de informatievoorziening nog steeds niet volledig op orde was, treft in die zin doel, maar zal niet tot een ander oordeel leiden.