Belanghebbende, een kind van de overleden erflater, voerde samen met hem een gezamenlijke huishouding zonder geregistreerd partnerschap en verleende intensieve zorg. De Inspecteur verleende geen partnervrijstelling bij de erfbelasting omdat belanghebbende geen mantelzorgcompliment had ontvangen voor de zorg in het jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het Hof overwoog dat de wettelijke voorwaarden voor de partnervrijstelling niet waren vervuld, mede omdat erflater een indicatie had voor intramurale zorg, waardoor geen mantelzorgcompliment kon worden toegekend.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en redelijkheid werd verworpen omdat de wettelijke criteria strikt zijn en het Hof niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Ook de berekening van belastingrente werd als correct beoordeeld. Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.