Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
heffingsambtenaarvan
De Friese Meren(hierna: de heffingsambtenaar)
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De heffingsambtenaar legde voor het jaar 2013 aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) op voor een recreatiewoning gelegen op een bungalowpark, waarbij het eigenaarsdeel werd belast tegen het niet-woningentarief. Belanghebbende, eigenaar van de woning, betwistte dit en stelde dat de woning als woning moest worden aangemerkt. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde in eerste aanleg dat de woning als woning moest worden gekwalificeerd, waardoor de aanslag werd verminderd en het gebruikersdeel werd vernietigd.
De heffingsambtenaar ging in hoger beroep en voerde aan dat verhuurde recreatiewoningen als verblijfsaccommodaties moeten worden gezien, vergelijkbaar met hotels en pensions, en dus niet als woningen. Het hof stelde vast dat de Hoge Raad in arresten van 16 september 2016 had bepaald dat de fysieke kenmerken van de onroerende zaak doorslaggevend zijn voor de kwalificatie als woning, ongeacht het gebruik door de eigenaar of verhuur aan derden.
Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de recreatiewoning als woning moest worden aangemerkt. De aanslag eigenarenheffing werd bevestigd op het lagere woningentarief en de aanslag gebruikersheffing werd vernietigd. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door het hof te Leeuwarden op 29 november 2016 en is openbaar uitgesproken. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt ongegrond verklaard en de recreatiewoning wordt als woning aangemerkt voor de OZB-heffing.