Belanghebbende, beheerder van een groot natuurpark, betaalde over augustus 2012 omzetbelasting over parkeergelden tegen het algemene tarief van 19%. De Inspecteur weigerde teruggaaf van het verlaagde tarief van 6%, waarop belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het verlaagde tarief van toepassing was, maar het Gerechtshof vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.
Het geschil betreft de vraag of het geven van gelegenheid tot parkeren een zelfstandige prestatie is of een bijkomende dienst bij de toegang tot het park. Het Hof volgt de Hoge Raad en het Europese Hof van Justitie in het oordeel dat parkeren een zelfstandige prestatie is, omdat het voor de bezoeker een doel op zich vormt en financieel, economisch en organisatorisch losstaat van de toegang tot het park.
Daarnaast wees het Hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat de situatie van parkeergelden bij het park wezenlijk verschilt van die bij kampeer- en logiesbedrijven, waar het verlaagde tarief wel geldt. Parkeren bij het park is tijdelijk en overdag, terwijl bij kampeerbedrijven het parkeren langer duurt en noodzakelijk is voor het vervoer van kampeerspullen.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Er worden geen proceskosten toegewezen.