Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
DE ONDERGETEKENDEN:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende had in 2005 een lening van € 200.000 ontvangen van een onafhankelijke derde, [J], en deze lening doorgeleend aan [F] B.V. ter financiering van de overname van aandelen. De Inspecteur betwistte de zakelijkheid van deze lening en stelde dat deze onzakelijk was en later in 2007 onzakelijk werd door het vestigen van zekerheden ten gunste van een derde.
De rechtbank oordeelde dat de Inspecteur niet slaagde in de bewijslast om de lening als onzakelijk te kwalificeren en stelde het verlies op de lening aftrekbaar vast. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat de lening zakelijk was omdat een onafhankelijke derde bereid was het bedrag te lenen onder vergelijkbare voorwaarden. Bovendien was de rentecorrectie van € 2.000 zakelijk en wordt deze in aanmerking genomen.
Het hof wijst ook het subsidiaire standpunt van de Inspecteur af dat de lening in 2007 onzakelijk werd door het vestigen van zekerheden door een derde. Gezien de omstandigheden en het faillissementsrisico van de vennootschappen was het berusten in deze zekerheden niet onzakelijk. De Inspecteur heeft onvoldoende bewijs geleverd dat een zakelijke geldverstrekker andere maatregelen had genomen.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de lening zakelijk is en het daarop geleden verlies aftrekbaar is; het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard.