Belanghebbende, houder van een inrichting voor afvalverwerking, diende een negatieve aangifte afvalstoffenbelasting in over december 2011, resulterend in een verzoek tot teruggaaf van bijna €4,9 miljoen. De Inspecteur verleende aanvankelijk teruggaaf, maar verklaarde het bezwaar later ongegrond. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarop belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat het verzoek om teruggaaf niet als te laat ingediend kan worden beschouwd. Vervolgens wordt de overgangsregeling uit het Belastingplan 2012 strikt uitgelegd: alleen niet-gestorte afvalstoffen die de inrichting zullen verlaten vallen hieronder. Brandbare afvalstoffen die als gestort moeten worden aangemerkt, ook al is er intentie tot afvoer, vallen buiten de regeling.
Belanghebbendes beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het EVRM wordt afgewezen. Het hof stelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat er geen sprake is van een onrechtmatige inbreuk op eigendom. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.