Belanghebbende, eigenaar van een melkpoederfabriek, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €18.759.000 voor 2011. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de waarde verlaagd tot €18.100.000. Belanghebbende stelde dat de waarde op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode slechts €9.900.000 bedroeg.
Het Hof oordeelde dat de melkpoederfabriek geen courante onroerende zaak is, waardoor de waardering op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet plaatsvinden. Het Hof nam het standpunt van belanghebbende niet over, maar vond dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met bodemverontreiniging en economische veroudering.
De bodemverontreiniging, die sinds 2008 aanwezig is en sinds 2010 verergerde, leidt tot overlast en gebruiksbeperkingen. De heffingsambtenaar had slechts de monitoringskosten in mindering gebracht, terwijl het Hof een extra afwaardering van 10% van de grondwaarde passend achtte. Ook werd economische veroudering door voortdurende verbouwingen onvoldoende meegenomen.
Omdat geen van beide partijen hun waarde aannemelijk had gemaakt, stelde het Hof de waarde in goede justitie vast op €16.500.000. Tevens werden de aanslag OZB en proceskosten aangepast. De uitspraak werd op 8 juli 2014 gedaan.