ECLI:NL:GHAMS:2026:1786

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/3565
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening (EG) nr. 397/2004Art. 1 Verordening (EG) nr. 695/2006Art. 6:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing terugbetaling antidumpingrechten beddenlinnen uit Pakistan

Belanghebbende verzocht om terugbetaling van antidumpingrechten die zij had betaald voor de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

In hoger beroep betwistte belanghebbende onder meer de geldigheid van de Europese verordeningen 397/2004 en 695/2006, die de antidumpingrechten instellen, en stelde zij dat er geen sprake was van dumping vanwege onder meer het onderscheid tussen duur en goedkoop beddenlinnen en de representativiteit van de steekproef van EG-producenten. Ook voerde zij aan dat andere factoren dan de invoer uit Pakistan de schade veroorzaakten.

Het Hof oordeelde dat de verordeningen geldig zijn en dat de motivering en vaststelling van de feiten door de Europese Commissie toereikend en niet kennelijk onjuist zijn. Het Hof verwierp het betoog over marktsegmenten en stelde dat beddenlinnen als één product wordt beschouwd. Ook de representativiteit van de steekproef en de invloed van andere factoren werden door het Hof niet aannemelijk geacht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten op beddenlinnen uit Pakistan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3566
16 juni 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[X], gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M.C. van de Leur)
tegen de uitspraak van 19 augustus 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/6014 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende de afwijzing van een verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten (betaald voor in het vrije verkeer brengen van beddenlinnen uit Pakistan ) ongegrond verklaard.
1.2.
Na het instellen van het hoger beroep door belanghebbende zijn de volgende stukken ingediend:
  • een nadere motivering van het hoger beroep door belanghebbende;
  • een verweerschrift door de inspecteur;
  • een conclusie van repliek door belanghebbende;
  • een brief van de inspecteur en
  • een tiendagenstuk door belanghebbende.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, de volgende feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1.1. Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van de Europese Unie van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 397/2004) is op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan een definitief antidumpingrecht vastgesteld van 13,1%. Deze verordening is gewijzigd met de Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 397/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 695/2006), waarbij op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan – afhankelijk van de fabrikant – een definitief antidumpingrecht is ingesteld van 0% tot 8,5%.
1.2.
In de periode van 31 mei 2005 tot en met 17 juni 2005 heeft eiseres, blijkens het verweerschrift, in eigen naam en voor eigen rekening diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan van katoenhoudend beddenlinnen van oorsprong uit Pakistan .
1.3.
Op 14 februari 2008 heeft de gemachtigde, (…), een verzoek om terugbetaling ingediend voor deze aangiften, voor een bedrag van (uiteindelijk) in totaal € 19.968,86. Het verzoek om terugbetaling heeft betrekking op de antidumpingrechten die eiseres naar aanleiding van haar aangiften verschuldigd was.
1.4.
Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling op 17 mei 2022 afgewezen. (…) De rechtbank heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als bezwaarschrift doorgestuurd naar verweerder. Verweerder heeft het bezwaar op 8 november 2022 ongegrond verklaard. (…)”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3.Geschil in hoger beroep

In geschil is of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende trekt ook in hoger beroep de geldigheid van Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad (hierna: verordening 397/2004) en Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad (hierna: verordening 695/2006) in twijfel. Zij stelt het Hof voor om, op de voet van artikel 267 VWEU Pro, het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de geldigheid van deze verordeningen.
4.2.
Het Hof stelt bij de beoordeling van het voorstel van belanghebbende om een vraag naar de geldigheid van verordening 397/2004 en verordening 695/2006 te stellen voorop dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan (1) of de procedureregels in acht zijn genomen, (2) of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en (3) of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie laatstelijk HvJ EU 28 november 2024, Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics en Jushi Egypt for Fiberglass Industry/Commissie , C‑269/23 P en C‑272/23 P, EU:C:2024:984, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Geen dumping omdat de normale waarde te laag is vastgesteld?
4.3.
Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep in de eerste plaats dat destijds geen grond aanwezig was voor het instellen van een antidumpingrecht op beddenlinnen uit Pakistan , omdat geen sprake was van dumping door Pakistaanse producenten op de Europese markt voor beddenlinnen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende in de door haar ingediende stukken een uitvoerige beschouwing gegeven, met als strekking:
(1) dat concurrentie door EG-producenten met Pakistaanse producenten in het algemeen niet mogelijk was, reeds vanwege de veel lagere lonen in Pakistan en de aanzienlijke looncomponent in de kostprijs van beddenlinnen;
(2) dat de EG-producenten op het moment van het instellen van het antidumpingrecht al waren overgestapt op de productie van hoogwaardig(er) beddenlinnen, waardoor geen sprake was van concurrentie met de productie van eenvoudig beddenlinnen uit Pakistan en er daarom geen aanleiding was om door middel van dumping de markt voor eenvoudig beddenlinnen “te veroveren”;
(3) dat de geringe productie van eenvoudig beddenlinnen die in de EG nog resteerde, de instelling van een antidumpingrecht niet rechtvaardigde;
(4) dat op de EG-markt voor beddenlinnen sprake was van een felle concurrentiestrijd tussen de producenten van de EG-lidstaten onderling, met name door het verschil in loonkosten tussen de EG-lidstaten, en
(5) dat de lage prijzen van de Pakistaanse producenten hun oorzaak vonden in de destijds gevoerde felle concurrentiestrijd tussen fabrikanten in Pakistan onderling en met fabrikanten in andere ‘lagelonenlanden’.
Belanghebbende verbindt hieraan in haar verweerschrift in hoger beroep de volgende conclusie:
“Gelet op het voorgaande kan het dan ook niet anders zijn dan dat de Europese Commissie fouten heeft gemaakt bij de samenstelling/berekening van de normale waarde van beddenlinnen uit Pakistan .
De Rechtbank is van mening dat de berekening van de normale waarde door de Europese Commissie wel correct is geweest, hetgeen wij hiervoor dus uitgebreid bestrijden. Controle van deze gegevens is niet mogelijk omdat de bedrijfscijfers/bedrijfsgegevens van de producenten van de steekproef uit Pakistan onder de geheimhoudingsclausule vallen.”
4.4.
Het Hof overweegt ter zake als volgt. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dat product bij uitvoer naar de Europese Gemeenschap (thans: Europese Unie) (de uitvoerprijs) lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product in het land van uitvoer is vastgesteld (de normale waarde), zo volgt uit artikel 1, lid 2 van de destijds geldende basisverordening (verordening 384/96). Of de betrokken exporteurs in het land van uitvoer het
oogmerkhebben om met hun prijsstelling de EG-producenten te verdringen op de EG-markt, hoeft niet te worden vastgesteld. In de preambule van verordening 397/2004 (punt 53 t/m 62) en verordening 695/2006 (punt 24 t/m 44) heeft de Raad uiteengezet hoe voor het Pakistaanse beddenlinnen de normale waarde is vastgesteld door de Europese Commissie (hierna: de Commissie). Daarmee heeft de Raad uitvoering gegeven aan de op hem rustende verplichting om genoemde verordeningen (ook) op dit punt met redenen te omkleden, zoals artikel 253 EG Pro (thans artikel 296 VWEU Pro) destijds voorschreef.
4.5.
Belanghebbende kan worden toegegeven dat zij aan de hand van de vermeldingen in de preambule niet kan narekenen of de Commissie de normale waarde op juiste wijze heeft vastgesteld, maar tot een zodanig uitgebreide motivering zijn de Raad en de Commissie volgens vaste rechtspraak ook niet gehouden. Zie laatstelijk Hof van Justitie 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube Co. Ltd, C‑891/19 P, ECLI:EU:C:2022:38 (hierna: arrest Hubei), waarin het volgende is overwogen (cursivering Hof):
“87. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de door artikel 296 VWEU Pro vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de handeling in kwestie en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punt 81, en 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 75).
88. Eveneens volgens die rechtspraak moet op basis van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld of aan het motiveringsvereiste is voldaan, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten – of andere personen die door de handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt – bij een verklaring kunnen hebben.
Het is niet vereist dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU Pro, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betreffende materie regelen (arresten van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punt 81, en 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 76).
89. Evenzo kan er bij de motivering van een verordening mee worden volstaan te verwijzen naar het geheel van omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van deze verordening, en naar de algemene doelstellingen van die verordening.
Derhalve mag van de instellingen van de Unie niet worden verlangd dat zij een nadere beschrijving geven van de verschillende, soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop de verordening is vastgesteld, laat staan dat zij deze feiten min of meer volledig beoordelen(arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 77).”
4.6.
Naar ’s Hofs oordeel is de in de preambule van verordening 397/2004 (punt 53 t/m 62) en verordening 695/2006 (punt 24 t/m 44) gegeven toelichting op de wijze waarop de normale waarde is bepaald, toereikend. Het Hof vindt in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond om te twijfelen aan juistheid van de vaststelling van de feiten door de Commissie. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de vastgestelde feiten door de Commissie.
Betrokken product/soortgelijk product
4.7.
Belanghebbende heeft in beroep en in vrijwel al haar gedingstukken in hoger beroep expliciet vermeld dat zij het met de inspecteur eens is dat goedkoop beddenlinnen onderling uitwisselbaar is met duur(der) beddenlinnen. Verwezen zij onder meer naar punt 3.5 van de rechtbankuitspraak, punt 3.3.6 van het hogerberoepschrift, punt 3.3 van de conclusie van repliek en punt 1.21 van het tiendagenstuk van 7 april 2026. Ter zitting in hoger beroep is belanghebbende op dit standpunt teruggekomen en heeft zij betoogd dat goedkoop en duur beddenlinnen niet uitwisselbaar is.
4.8.
Het Hof overweegt ter zake als volgt. Het “betrokken product” waarop het onderzoek van de Commissie zich heeft gericht, omvat alle beddenlinnen genoemd in punt 21 van de preambule van verordening 397/2004 en punt 17 van de preambule van verordening 695/2006, ongeacht de prijs. In de preambule van verordening 397/2004 is ter zake vermeld in punt 25 en 26, voor zover hier van belang:
(25) Het onderzoek wees uit dat alle producten ongeacht de wijze waarop het weefsel is afgewerkt (bleken, verven, bedrukken), onderling uitwisselbaar zijn en op de EG-markt met elkaar concurreren. (…).
(26) Ondanks de verschillende mogelijke productsoorten die voortvloeien uit verschillen in weefpatroon, afwerking van het weefsel, presentatie, maten, verpakking, enz., zijn al deze soorten in het kader van deze procedure als een en hetzelfde product te beschouwen, omdat zij dezelfde fysieke kenmerken en gebruiksdoeleinden hebben.
4.9.
De Commissie heeft ook onderzocht of enerzijds katoenhoudend beddenlinnen dat in de EG werd vervaardigd en op de EG-markt werd verkocht en anderzijds katoenhoudend beddenlinnen dat in Pakistan werd vervaardigd en aldaar en op de EG-markt werd verkocht “soortgelijke producten” zijn, in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. De preambule van verordening 397/2004 vermeldt ter zake in de punten 28 en 29:
(28) Uit het onderzoek bleek dat, hoewel de weefsels op verschillende manieren kunnen worden afgewerkt (bleken, verven, bedrukken), alle eindproducten dezelfde fysieke kenmerken hebben en in wezen voor dezelfde doeleinden worden gebruikt.
(29) De conclusie was derhalve dat, hoewel er soms verschillen waren tussen de productsoorten die in de Gemeenschap werden vervaardigd en de productsoorten die uit Pakistan naar de Gemeenschap werden uitgevoerd, er geen verschillen waren in de fysieke basiskenmerken en toepassingen van de verschillende productsoorten en kwaliteiten van katoenhoudend beddenlinnen. Het product dat in Pakistan wordt vervaardigd en verkocht, het product dat vanuit Pakistan naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd en het door de EG-producenten vervaardigde en in de Gemeenschap verkochte product worden derhalve als soortgelijke producten beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.
De preambule van verordening 695/2006 vermeldt ter zake in punt 22 en 23:
2. Soortgelijk product
(22) Zoals bij het oorspronkelijke onderzoek werd ook nu geconstateerd dat het betrokken product en het beddenlinnen dat in Pakistan wordt geproduceerd en op de binnenlandse markt verkocht, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken en gebruiksdoeleinden hebben. Zij worden daarom als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening beschouwd.
(23) Een aantal medewerkende exporteurs voerde aan dat het betrokken product en het beddenlinnen dat op de binnenlandse markt in Pakistan werd verkocht, verschillende producten zijn, omdat zij verschillende fysieke en technische basiskenmerken en gebruiksdoeleinden zouden hebben. Deze beweringen werden echter niet met bewijsmateriaal gestaafd en derhalve afgewezen.
Aldus heeft de Raad voldoende gemotiveerd dat beddenlinnen uit Pakistan en beddenlinnen uit de EG soortgelijk is.
Twee verschillende marktsegmenten?
4.10.
Belanghebbende heeft in hoger beroep haar door de rechtbank verworpen standpunt herhaald dat de Commissie, in strijd met het bepaalde in artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening, heeft nagelaten de segmentering van de markt voor het betrokken product in aanmerking te nemen bij haar analyse van de onderbieding en de gevolgen daarvan. Dit acht belanghebbende van belang, omdat de invoer uit Pakistan volgens haar in het goedkope marktsegment was geconcentreerd, terwijl de productie in de EG voor de EG-markt “het dure marktsegment” betrof. Zij verwijst in dit verband onder meer naar (1) het arrest van het Gerecht in eerste aanleg van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T-35/01, EU:T:2004:317 (hierna: Shanghai Teraoka) en (2) het rapport van de Appellate Body van de WTO van 14 oktober 2015 betreffende een klacht van Japan over een door China ingesteld antidumpingrecht op “High-Performance Stainless Steel Seamless Tubes” (hierna: rapport "HP-SSST")”.
4.11.
Het Hof stelt in dit verband voorop dat de basisverordening de Commissie in beginsel geen verplichting oplegt om te analyseren of sprake is van prijsonderbieding op een ander niveau dan dat van het soortgelijke product (zie voormeld arrest Hubei, punt 75), zodat het ontbreken van zo’n analyse in beginsel geen schending van een procedureregel vormt. Uit de punten 77 en 78 van het arrest Hubei volgt evenwel dat, omwille van de objectiviteit van de analyse van de prijsonderbieding, de Commissie in bepaalde omstandigheden gehouden kan zijn om een analyse te verrichten op het niveau van de marktsegmenten voor het product in kwestie. Dat is het geval indien (1) sprake is van een
uitgesprokensegmentering van de markt en (2) er aanzienlijke prijsverschillen bestaan tussen de marktsegmenten (punten 80 en 81 van het arrest Hubei). Een dergelijke uitgesproken segmentering deed zich voor in de zaak die voorlag in het door belanghebbende genoemde arrest Shanghai Teraoka, betreffende elektronische weegschalen: in die markt wordt gewoonlijk een onderscheid gemaakt in een basissegment, een middensegment en een topsegment (zie punt 66 van het arrest). [1] Ook voor de “High-Performance Stainless Steel Seamless Tubes” geldt een dergelijke segmentering op basis van kwaliteit (Grades A, B, and C, zie punt 5.174 van voormeld WTO-rapport inzake “HP-SSST”). De markt voor beddenlinnen kent evenwel niet een dergelijke uitgesproken segmentering. Beddenlinnen is volstrekt uitwisselbaar/verwisselbaar: verschillen in prijs, kwaliteit, design, etc. maken geen verschil voor het beoogde gebruik: stoffering van een bed. Evenzo is de analyse van de prijsonderbieding objectief, aangezien door de onderlinge uitwisselbaarheid de verkopen van EG-producten de gevolgen ondervonden van de invoer met dumping (vgl. HvJ EU 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie, C‑478/21 P, ECLI:EU:C:2023:685, punt 168).
Representatieve steekproef van EG-producenten?
4.12.
Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat de steekproef die de Commissie heeft uitgevoerd op de EG-producenten niet representatief is, omdat de vijf geselecteerde producenten slechts 0,5% van hun productie afzetten buiten de Europese Gemeenschap. Daardoor wisten deze producenten hun bezettingsgraad niet te optimaliseren en aldus hun vaste productiekosten te dekken, c.q. laag te houden. De schade die de vijf producenten leden is daarom niet representatief voor de rest van de EG-bedrijfstak, die wél een aanzienlijk deel van zijn productie exporteerde, aldus belanghebbende.
4.13.
Naar ’s Hofs oordeel faalt dit betoog van belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de in de steekproef betrokken EG-producenten slechts een gering deel van hun productie exporteren, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij hun bezettingsgraad niet zouden weten te optimaliseren. Het had genuanceerder kunnen liggen indien vastgesteld had kunnen worden dat de vijf in de steekproef betrokken producenten in de beoordelingsperiode niet in staat zijn gebleken om een terugvallende verkoop binnen de EG te compenseren door een groeiende export, terwijl de EG-bedrijfstak als geheel wél een dergelijke ontwikkeling heeft laten zien, maar een dergelijk verschil is gesteld noch gebleken.
Schade veroorzaakt door andere factoren dan invoer uit Pakistan ?
4.14.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Commissie, in strijd met het bepaalde in artikel 3, lid 7, van de basisverordening niet alle “andere gekende factoren” heeft onderzocht die de bedrijfstak van de Gemeenschap schade hebben toegebracht. Zij noemt in haar hogerberoepschrift en conclusie van repliek de volgende factoren:
(1) invoer uit andere derde landen dan Pakistan en dan met name concurrentie uit China ;
(2) intracommunautaire leveringen vanuit Portugal ;
(3) achterblijvende exportprestaties van de EG-producenten, en
(4) economische recessie in 2001 en 2002.
4.15.
Ten aanzien van (1) de invoer uit andere derde landen sluit het Hof zich aan bij de overwegingen 3.7.13 tot en met 3.7.16 van de rechtbank, die luiden:
3.7.13.
De rechtbank wijst erop dat in Verordening 397/2004 de resultaten van het onderzoek van de Commissie naar schade door invoer uit andere landen dan Pakistan is opgenomen (zie overwegingen 108 tot en met 111). In overweging 108, over gesubsidieerde invoer uit India , komt de Raad tot de conclusie dat, hoewel de invoer van gesubsidieerde producten uit India heeft bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, niet kan worden ontkend dat de invoer met dumping uit Pakistan , in aanzienlijke en steeds stijgende hoeveelheden, op zich, ook de oorzaak was van de aanmerkelijke schade. In overweging 111 komt de Raad tot de conclusie dat invoer uit andere derde landen niet het oorzakelijk verband heeft verbroken tussen de invoer met dumping uit Pakistan en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.
3.7.14.
In het arrest van het Gerecht T-199/04 RENV (reeds aangehaald, punt 170) heeft het Gerecht als volgt geoordeeld over de invoer uit derde landen:
“Finally, and in particular, it is apparent from recitals 109 to 111 of the contested regulation that the Council, contrary to the applicant’s claim, assessed to the requisite legal standard the impact of imports of the product concerned from other countries including Turkey and that it was entitled to conclude, without committing a manifest error of assessment, that the relatively high prices of imports originating in those countries compared with the prices of imports originating in Pakistan precluded the imports originating in third countries from breaking the causal link established in recital 107 of the contested regulation. Such a finding is supported by the fact that it is apparent from recitals 105 to 107 of the contested regulation that price was the main element of competition between the EU and Pakistani products.”
3.7.15.
In zijn arrest C-100/17 P in de hogere voorziening oordeelde het Hof van Justitie als volgt:
“75 Aangaande (…), moet worden vastgesteld dat het Gerecht zijn beslissing met de juiste redenen heeft omkleed door in punt 170 van het bestreden arrest te oordelen dat uit de overwegingen 109 tot en met 111 van de litigieuze verordening bleek dat de Raad de impact van de invoer van het betrokken product uit andere derde landen, waaronder Turkije , rechtens genoegzaam had beoordeeld, en dat hij zonder een kennelijke beoordelingsfout tot de conclusie had kunnen komen dat het wegens de relatief hoge prijzen van de invoer uit deze landen ten opzichte van de invoer uit Pakistan uitgesloten was dat de invoer uit de derde landen genoemd oorzakelijk verband had verbroken.
76. Na erop te hebben gewezen dat rekwirante geen bewijs had aangedragen dat dit oorzakelijk verband in twijfel kon trekken, heeft het Gerecht beslist dat de Raad de feiten niet kennelijk onjuist had beoordeeld en dat de in de litigieuze verordening vervatte gegevens het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband konden aantonen.”
3.7.16.
Eiseres heeft in de onderhavige procedure geen gegevens verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de conclusies van de Raad over invoer van beddenlinnen uit andere derde landen en de oordelen van het Gerecht en het Hof van Justitie daarover onjuist zouden zijn.
Het Hof maakt dit oordeel tot het zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.16.
Ten aanzien van (2) de door belanghebbende gestelde invloed van intracommunautaire leveringen vanuit Portugal sluit het Hof zich aan bij de het oordeel van de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 3.7.9 tot en met 3.7.11, die luiden:
3.7.9.
Eiseres stelt dat Portugese producenten geen deel uitmaken van de onderzochte bedrijfstak van de Gemeenschap, en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden door de concurrentie van die Portugese producenten. Bij brief van 22 februari 2024 heeft eiseres een kopie overgelegd van een deel van een onderzoek door [naam] , Strategische besluitvorming in een neergaande bedrijfstak, Onderzoek maar de strategische maatregelen in de KRL-textielindustrie in de periode 1950-2000 (Delft 2020). Uit de passage in dit onderzoek “Door de relatief hoge loonkosten heeft de Nederlandse industrie veel marktaandeel verloren aan de concurrentie uit West-Duitsland , Frankrijk en Italië .” leidt eiseres af dat voor de productie van beddenlinnen in de beoordelingsperiode 1999-onderzoektijdvak 2001/2002 geldt dat de Duitse , Franse en Italiaanse producenten door lagere loonkosten in Portugal aanzienlijke schade hebben geleden door communautaire leveringen uit Portugal . De rechtbank volgt deze conclusie niet.
3.7.10.
Uit de stukken die eiseres heeft ingebracht blijkt niet dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geen Portugese producenten omvat, zodat de stelling van eiseres reeds hierom niet kan worden aanvaard. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij haar stelling heeft gebaseerd op het feit dat geen Portugese producent in de steekproef is opgenomen en op haar overtuiging, dat áls een Portugese producent tot de bedrijfstak van de Gemeenschap had behoord, deze zonder twijfel in de steekproef was opgenomen. De rechtbank merkt op dat het onderzoek naar antidumping is ingeleid met een klacht die in november 2002 is ingediend door het " [bedrijf 1] " (" [bedrijf 1] ") namens producenten die meer dan 25% van de productie van katoenhoudend beddenlinnen in de Gemeenschap voor hun rekening namen. Van eiseres mag worden verwacht dat zij de relevante informatie over de in november 2002 door [bedrijf 1] gerepresenteerde bedrijven had overgelegd en niet met de enkele stelling had volstaan dat zij ervan overtuigd is dat bij aanwezigheid van een Portugees bedrijf in de bedrijfstak, dit bedrijf voor de steekproef zou zijn geselecteerd.
Wanneer de rechtbank er veronderstellenderwijs van uitgaat dat de bedrijfstak van de Gemeenschap inderdaad geen Portugese producenten omvat, dan blijkt uit Verordening 397/2004 het volgende.
3.7.11.
De invoer met dumping uit Pakistan is (absoluut en relatief) veel sterker gestegen dan de productie door de bedrijfstak van de Gemeenschap. In de periode van 1999 tot in het onderzoektijdvak groeide het verbruik in de Gemeenschap met 15% (van 173.651 ton tot 199.881 ton, zie overweging 75 van Verordening 397/2004). In diezelfde periode steeg de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 5% (van 37.700 ton tot 39.500 ton, zie overweging 84 van Verordening 397/2004) en de invoer uit Pakistan steeg met 37% (van 36.000 ton tot 49.300 ton, zie overweging 104 van Verordening 397/2004). De totale invoer steeg in de beoordelingsperiode met 35% (tot 139.000 ton, zie overweging 88). Het marktaandeel van Pakistaans katoenhoudend beddenlinnen steeg van 18,9% in 2001 tot 24,7% in het onderzoektijdvak (zie overweging 77 van Verordening 397/2004). Dat de invoer uit Pakistan zo sterk steeg ten opzichte van de veel geringere stijging van de productie van de bedrijfstak, en Pakistan haar marktaandeel op de Gemeenschapsmarkt aanzienlijk heeft vergroot, betekent dat de concurrentie die de bedrijfstak wellicht ondervond van de rest van de Gemeenschapsmarkt niet het causale verband van de schade door de dumping heeft kunnen doorbreken. Dit betekent dat ook de door eiseres ingebrachte statistiekgegevens van [bedrijf 2] van de intracommunautaire leveringen van katoenhoudend beddenlinnen vanuit Portugal niet tot de conclusie kunnen leiden dat de aanzienlijke schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap is veroorzaakt door Portugese producten. Uit deze gegevens blijkt in ieder geval niet dat Portugese productie aanmerkelijke schadelijke gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, of dat de economische situatie van de Portugese producenten zich op een andere wijze heeft ontwikkeld dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
Het Hof maakt dit oordeel tot het zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.17.
Wat betreft (3) de exportprestaties van de EG-producenten blijkt uit punt 114 van de preambule bij verordening 397/2004 dat de Commissie deze factor reeds in haar onderzoek heeft betrokken (zie ook 4.12 en 4.13).
4.18.
De economische neergang in de jaren 2001 en 2002, onder meer als gevolg van de aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001, trof niet specifiek de EGproducenten van beddenlinnen, maar de gehele wereldeconomie, dus ook de import van beddenlinnen uit Pakistan . Van een “andere gekende factor” waarmee de Commissie in haar onderzoek rekening had moeten houden, is daarom geen sprake. Overigens leidde de economische neergang niet tot een daling van het verbruik van beddenlinnen in de Gemeenschap: zoals vermeld in de punten 88 en 101 van de preambule bij verordening 397/2004 daalde het verbruik in de beoordelingsperiode ondanks de economische neergang niet, maar steeg met 15%. In diezelfde periode steeg de invoer uit Pakistan met 37%.
Slotsom
4.19.
Gelet op het vorenoverwogene ziet het Hof geen aanleiding om te twijfelen aan de geldigheid van verordening 397/2004 en verordening 695/2006, zodat er geen grond aanwezig is om op de voet van artikel 267 VWEU Pro een prejudiciële vraag te stellen over de geldigheid van deze verordeningen. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, leidt evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom bevestigen.

5.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is aangetekend per post verzonden op:

Voetnoten

1.Volgens punt 10 van de considerans van Verordening (EG) nr. 2605/2000 variëren elektronische weegschalen van een “autonome [elektronische weegschaal], zonder ingebouwde printer, tot meer geavanceerde modellen met een pre-setfunctie en de mogelijkheid tot integratie in computergestuurde controle- en managementsystemen”.