ECLI:NL:GHAMS:2026:1725

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
23-000904-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11b OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 140 SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor deelname aan criminele organisatie en eenvoudig witwassen in cocaïnehandel

In deze megastrafzaak Rockdale I en II stond verdachte terecht voor betrokkenheid bij de productie en handel in cocaïne en witwassen. Het hof verwierp de verweren tot bewijsuitsluiting van EncroChat-data en sprak verdachte vrij van medeplegen voorbereidingshandelingen gericht op productie van cocaïne in een drugslaboratorium in Nijeveen.

Wel werd verdachte veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk de handel en distributie van cocaïne, en voor eenvoudig witwassen van grote geldbedragen afkomstig uit zijn eigen cocaïnehandel. Het bewijs bestond uit uitgebreide EncroChat-berichten, forensisch onderzoek en andere bewijsmiddelen.

De straf werd gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarna een gevangenisstraf van 5 jaar en 5 maanden werd opgelegd met aftrek van voorarrest. Het hof nam ook beslissingen over beslag en teruggave van geld en voorwerpen. De zaak illustreert de complexe bewijsvoering rond digitale communicatie en georganiseerde drugshandel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 jaar en 5 maanden gevangenisstraf voor deelname aan criminele organisatie en eenvoudig witwassen, vrijgesproken van medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïneproductie.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000904-22
datum uitspraak: 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-995033-20 (zaak A) en 13-997060-21 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,
adres: [adres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei, 3 juni en 26 juni 2026 en, overeenkomstig artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2.Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder feit 1 en onder feit 5, zesde gedachtestreepje (cumulatief; het bedrag van € 725.000,00), en in zaak B is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze beslissingen. Tegen een beslissing tot vrijspraak staat voor een verdachte geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

3.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg, en voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, ten laste gelegd dat:
Zaak A
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 7 augustus 2020 te Wijk en Aalburg en/of Nijeveen en/of Apeldoorn en/of Elshout, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een stof bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een stof vermeld op lijst 1 van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, toen aldaar
- voorbereidingen getroffen om te Nijeveen in een cocaïnewasserij in bedrijf te stellen en/of
- overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt en/of inlichtingen uitgewisseld en/of geld geregeld over/voor het zoeken van een geschikte locatie voor de bewerking of verwerking van cocaïne en/of
- overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt en/of inlichtingen uitgewisseld en/of geld geregeld over/voor de bouw en/of inrichting en/of voorzieningen en/of ingebruikname van een locatie voor de bewerking of verwerking van cocaïne en/of
- één of meer locaties bestemd voor de bewerking of verwerking van cocaïne en/of de opslag van het dragermateriaal en/of het afval van eerdergenoemd bewerkings-/verwerkingsproces gezocht en/of ter beschikking gesteld en/of verhuurd en/of gehuurd en/of
- een deel van de manege te Nijeveen verbouwd en/of ingericht en/of van apparatuur voorzien om dat deel van die manege geschikt te maken voor de bewerking en/of de verwerking van cocaïne en/of
- een productieopstelling voor de bewerking en/of verwerking van cocaïne gebouwd en/of ingericht en/of laten bouwen en/of inrichten en/of voorhanden gehad en/of
- apparatuur en/of cocaïne bevattende grondstoffen en/of chemicaliën en/of chemisch afval en/of andere voorwerpen en/of geld en/of arbeiders/personeel, benodigd bij en/of bestemd voor de bewerking en/of verwerking van cocaïne, geregeld, vervoerd en/of voorhanden gehad en/of
- een of meer vervoermiddelen en/of een heftruck, bestemd voor het transport van
- apparatuur en/of cocaïne bevattende grondstoffen en/of chemicaliën en/of andere voorwerpen en/of afval afkomstig van de bewerking en/of verwerking van cocaïne, geregeld en/of voorhanden gehad.
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 augustus 2020 te Wijk en Aalburg en/of Nijeveen en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Heerde en/of Elshout, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een Organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een stof vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, zijnde een middel(en) vermeld op de hij de Opiumwet behorende lijst 1.
4. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 16 april 2020 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, in elk geval in Nederland, en/of in Bradfort en/of Wakefield en/of Leeds en/of Liverpool, althans in het Verenigd Koninkrijk, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, op de hierna te noemen tijdstippen (telkens) van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of een voorwerp, te weten een contant geldbedrag, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik gemaakt, te weten:
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 90.000 pond en/of
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 180.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 199.060 euro en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 195.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 263.000 pond en/of
- op of omstreeks 11 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 22.500 pond en/of
- op of omstreeks 14 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 17.250 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 74.000 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 281.500 pond
terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,
dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.
4. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 16 april 2020 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, in elk geval in Nederland, en/of in Bradfort en/of Wakefield en/of Leeds en/of Liverpool, althans in het Verenigd Koninkrijk, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de hierna te noemen tijdstippen (telkens) een voorwerp, te weten een contant geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden gehad dat onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf, te weten:
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 90.000 pond en/of
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 180.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 199.060 euro en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 195.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 263.000 pond en/of
- op of omstreeks 11 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 22.500 pond en/of
- op of omstreeks 14 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 17.250 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 74.000 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 281.500 pond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld (
verweer V) dat onvoldoende duidelijk is op welk samenwerkingsverband de tenlastelegging betrekking heeft, zodat deze partieel nietig moet worden verklaard. Dat verweer wordt verworpen. De tenlastelegging beschrijft inderdaad in algemene termen een criminele organisatie, maar deze wordt afgebakend door de periode, de pleegplaatsen en het oogmerk, zodat met het onderliggende dossier – verdeeld in zaakdossiers waarin ook telkens de rol van de verdachte is beschreven – voor de verdachte voldoende duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen.

4.Vernietiging vonnis

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

5.Inleiding

Op 30 juni 2020 werd door de Dienst Landelijke Recherche een afschermproces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen ontvangen waarin stond dat uit onderzoek was gebleken dat er zich in een manege aan de [adres 4] in Nijeveen vermoedelijk een in aanbouw of gereed zijnde cocaïnewasserij dan wel drugslaboratorium bevond. Hierop is onder de naam Rockdale een strafrechtelijk onderzoek gestart. Achteraf is gebleken dat deze inlichtingen gebaseerd waren op onderzoeksbevindingen uit het – in strafrechtelijke kringen bekende – onderzoek 26Lemont die, met machtiging van de rechter-commissaris, nader zijn onderzocht en gedeeld in het onderzoek Rockdale. Na verder onderzoek is de politie op 7 augustus 2020 binnengetreden in de manege in Nijeveen en trof daar een zeer groot cocaïnelaboratorium aan. In het laboratorium werden vijftien verdachten aangehouden. Daarnaast werd [medeverdachte 1] , de eigenaar van de manege, aangehouden. Dit betreft het onderzoek
Rockdale 1.
Rockdale 2 betreft het vervolgonderzoek naar de betrokkenen achter het cocaïnelaboratorium. Uiteindelijk zijn in dat onderzoek als verdachten aangemerkt: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [verdachte] en [medeverdachte 12] .
Alle verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. Door een aantal verdachten is hoger beroep ingesteld. Voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft een aantal verdachten aangegeven het hoger beroep niet langer te willen handhaven. Zij zijn door het hof niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Uiteindelijk stonden in hoger beroep alleen nog terecht [medeverdachte 1] (Rockdale 1) en [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 8] (Rockdale 2). Aan hen zijn verschillende feiten ten laste gelegd.
Voor de leesbaarheid worden de verdachte en de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.

6.Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

7.Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat de ‘EncroChat-data’ moeten worden uitgesloten van het bewijs. De daaraan ten grondslag gelegde verweren heeft de raadsvrouw in haar pleitnota als volgt samengevat:
‘Het eerste verweer (
verweer I) is dat de juistheid, integriteit en betrouwbaarheid van de EncroChat data, toegeschreven aan de accounts [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] niet, of in ieder geval onvoldoende zijn onderzocht om als bewijs te nadele van mijn client te worden gebruikt.
In verlengde daarvan (
verweer II) wordt betoogd dat het gebruik van de data van beide accounts voor het bewijs strijdig is met artikel 6 EVRM Pro en om die reden moet worden uitgesloten, omdat:
(1) de verdediging onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om het bewijs zelf te (laten) onderzoeken en tegen te spreken, terwijl
(2) onvoldoende compenserende mogelijkheden zijn geboden (door O.M. of rechter) om de verdediging een reële kans te geven het bewijs op inhoudelijke gronden tegen te spreken en ontlastende elementen aan te dragen waarmee de beslissing van de rechter kan worden beïnvloed.
En op de derde plaats geldt (
verweer III) dat onvoldoende steunbewijs uit de ‘werkelijke’ (dat wil zeggen, niet virtuele) wereld is verkregen om aan te nemen (1) dat mijn cliënt de gebruiker is geweest van de beide EncroChat-accounts en (2) dat hij medepleger is geweest van voorbereidingshandelingen voor overtreding van de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie of het witwassen van geldbedragen.
De gezamenlijke conclusie van deze eerste drie verweren is dat is dat de EncroChat data het bewijs moeten worden uitgesloten en dat mijn cliënt van de hem verweten feiten moet worden vrijgesproken.’
Subsidiair heeft de raadsvrouw (
verweer IV) aangevoerd dat, in het geval het hof de EncroChat-data toch voor het bewijs zou gebruiken, er (desondanks) onvoldoende bewijs is voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen, zoals ten laste gelegd onder 2.

8.Verweer bewijsuitsluiting

De verweren I en II lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof stelt daarbij voorop dat het bewijs tegen [verdachte] voor een zeer belangrijk deel bestaat uit leesbaar gemaakte berichten van en naar de EncroChat-accounts [EncroChat-account 1] @encrochat.com en [EncroChat-account 2] @encrochat.com (hierna: [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] ). Samen met de koppeling van [verdachte] aan deze accounts vormt dit de basis van de verdenking van zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten.
Over de achtergronden van de hack op EncroChat en de daarmee verkregen data is in de rechtspraktijk inmiddels veel gezegd en geschreven. Dit zal het hof daarom niet herhalen [1] . Gelet op de meest recente jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de raadsvrouw niet de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging bestreden. De kern van haar betoog komt er op neer dat de ‘juistheid, integriteit en (toevoeging van het hof: daarmee) de betrouwbaarheid’ van de door Franse opsporingsautoriteiten vergaarde data nooit is vastgesteld en de verdediging evenmin in de gelegenheid is geweest die data te (laten) onderzoeken. De verdediging doelt hiermee dus op de data – zo berijpt het hof – die de Franse opsporingsautoriteiten met de hack hebben verkregen en opgeslagen (hierna: de ruwe data). Het gaat nadrukkelijk niet om de data waarover de Nederlandse politie (in het onderzoek 26Rockdale) de beschikking heeft gekregen (hierna: de brondata [2] ). Dat die brondata gelijk is aan de (ruwe) data die in de onderzoeksomgeving van de Franse opsporingsautoriteiten is opgeslagen staat, ook volgens de raadsvrouw, niet ter discussie. Het punt van de raadsvrouw is dat een ‘chain of custody’ ontbreekt tussen – eenvoudig geformuleerd – het moment van de hack en het moment waarop de verkregen (ruwe) data in de onderzoeksomgeving van de Franse opsporingsautoriteiten is opgeslagen. Dat heeft er primair mee te maken dat door Frankrijk geen informatie wordt prijsgegeven over de werking van de interceptietool. Volgens de raadsvrouw ontbreekt (daardoor) verslaglegging van enig onderzoek naar de integriteit en betrouwbaarheid van de ruwe data, anders dan dat ‘JIT-partner (Frankrijk)’ aan Nederland heeft laten weten dat de verstrekte informatie rechtmatig is verkregen en
betrouwbaar(cursivering hof) is [3] . Dat leidt er volgens de raadsvrouw bijvoorbeeld toe dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de koppelingen (gemaakt op basis van de ruwe data) tussen ‘account ID’ en IMEI-nummer correct zijn. Dat zelfde geldt volgens de raadsvrouw voor bijvoorbeeld ‘de koppeling van datum en tijd aan de inhoud van berichten, de koppeling tussen, in tegenaccounts opgeslagen namen en het betreffend account-ID, tussen de inhoud van berichten en het betreffende account ID’.
Behalve een toetsingskader dat betrekking heeft op (de beoordeling van) de rechtmatigheid van het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, heeft de Hoge Raad ook een toetsingskader gegeven dat betrekking heeft op (de beoordeling van) de betrouwbaarheid van de resultaten van dat onderzoek. De overweging van de Hoge Raad [4] luidt als volgt:
‘Waar het gaat om de
betrouwbaarheidvan onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken. Daartoe kan hij bijvoorbeeld – met tussenkomst van het openbaar ministerie – nadere informatie inwinnen over de wijze waarop het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is verlopen en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht zijn genomen; één en ander voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door die autoriteiten verkregen resultaten van belang is. Deze nadere informatie kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de waarborgen die bij de verkrijging van gegevens in acht zijn genomen in relatie tot de betrouwbaarheid, integriteit en/of herleidbaarheid van die gegevens. Deze plicht tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de resultaten hangt samen met het op grond van artikel 6 EVRM Pro aan de verdachte toekomende recht om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten’.
Het hof neemt in deze zaak tot uitgangspunt dat het onder verantwoordelijkheid van de Franse opsporingsautoriteiten verrichte onderzoek op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Concrete aanwijzingen van het tegendeel zijn door de verdediging niet aangevoerd, noch is daarvan anderszins gebleken. Door de raadsvrouw is één voorbeeld genoemd, namelijk dat de politie heeft gerelateerd dat [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) op 10 april 2020 om 21.56 uur enkele berichten doorstuurt aan [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) die ‘kennelijk eerder tussen hen beiden zijn verzonden’. De raadsvrouw leidt uit het woord ‘kennelijk’ af dat niet is, of kon worden vastgesteld dat die berichten eerder tussen hen waren gewisseld. Dat kan zo zijn, maar in zijn algemeenheid [5] staat niet ter discussie dat er soms data ontbreken. Dat kunnen bijvoorbeeld berichten zijn of tijdstempels. Het enkele ontbreken van gegevens betekent echter nog niet dat de wel beschikbare gegevens onbetrouwbaar zijn. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of die voor het bewijs van een bepaalde gedraging kunnen worden gebruikt.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het hiervoor genoemde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met de waarborgen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) biedt. Dat blijkt volgens de verdediging (onder meer) uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije [6] . De beslissing in die zaak kan, zoals altijd, niet los worden gezien van de casus. Het hof vat die heel kort samen. Klager Yalçinkaya was leraar en is veroordeeld vanwege lidmaatschap van een gewapende terroristische organisatie (Gülen-beweging). Volgens de Turkse autoriteiten zit deze organisatie achter de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016. De veroordeling van klager was in beslissende mate gebaseerd op het gebruik door klager van de encryptiedienst ‘ByLock’. De Turkse nationale rechter heeft geoordeeld dat deze applicatie gebruikt wordt uitsluitend door of ten behoeve van activiteiten van de Gülen-beweging. Het downloaden van de applicatie Bylock of het gebruik maken daarvan als enige grond voor een veroordeling wegens lidmaatschap van een gewapende terroristische organisatie, is volgens het EHRM in strijd met de vereisten uit artikel 7 EVRM Pro (legaliteitsbeginsel; het enkele gebruik van een cryptocommunicatiedienst was niet afzonderlijk strafbaar gesteld). Het EHRM nam daarnaast ook een schending aan van artikel 6 EVRM Pro. In de kern houdt de beslissing van het EHRM in dat bij de beoordeling van de vraag of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad een rol speelt of hij de mogelijkheid heeft gehad de authenticiteit en kwaliteit van het elektronische bewijsmateriaal te onderzoeken. Dat heeft de Hoge Raad in het hiervoor geschetste toetsingskader ook erkend, dus in zoverre noopt deze beslissing van het EHRM niet hiervan af te wijken. In de zaak Yalçinkaya concludeert het EHRM tot een schending, omdat – samengevat en in de woorden van het hof: gegeven het beperkte bewijs – de verdediging geen toegang had tot de ruwe data en alle verweren en verzoeken op dat punt door de nationale rechter zijn verworpen of onbesproken zijn gelaten. Dat is in de onderhavige zaak bepaald anders.
Tijdens de regiefase in hoger beroep heeft de verdediging verzocht om (onderzoek naar) de ‘data zoals door de Nederlandse van de Franse autoriteiten ontvangen vóór inladen in Hansken’. Dit verzoek is gemotiveerd afgewezen. Voor de volledigheid merkt het hof op dat tijdens de inhoudelijke behandeling geen verzoeken zijn gedaan met betrekking tot de ruwe data, zoals hierboven gedefinieerd. De vergelijking met de zaak Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije gaat dan ook daarom niet op. Deze uitspraak geeft het hof verder ook geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor besproken toetsingskader van de Hoge Raad.
De data die de Nederlandse politie heeft ontvangen (en die als gezegd ook volgens de raadsvrouw gelijk is aan de data in de Franse onderzoeksomgeving) is aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ter beschikking gesteld. Het NFI heeft deze data geladen in het forensische onderzoeksprogramma Hansken. Een deel van de data is eerst in Hansken ontsleuteld (de enkele verstrekking van deze data zou dus deels onleesbare gegevens hebben opgeleverd). Om welke data het gaat en hoe het NFI deze heeft verwerkt is beschreven in het NFI-rapport van 17 maart 2021 [7] . In dat rapport is beschreven dat met een ‘technisch hulpmiddel’ (lees: de door de Franse opsporingsautoriteiten ontwikkelde interceptietool) gegevens zijn veilig gesteld afkomstig van telefoons waar de applicatie EncroChat op was geïnstalleerd. Het technisch hulpmiddel sloeg deze gegevens op in bestanden. Die bestanden bevatten digitale sporen van onder andere chatberichten, gebruikersnamen en verstuurde of ontvangen afbeeldingen. Het NFI heeft deze data doorzoekbaar en zichtbaar gemaakt in Hansken. De soorten bestanden die zijn veilig gesteld heeft het NFI aangeduid als bronbestanden. Deze bestanden zijn de bron voor de digitale sporen die inzichtelijk zijn gemaakt in Hansken. Over de ontsleuteling van berichten (en voor afbeeldingen geldt hetzelfde) is in het rapport het volgende opgenomen:
‘De realm-bestanden die van de EncroChat applicatie afkomstig zijn, staan in versleutelde
toestand opgeslagen op de telefoon en zijn in diezelfde versleutelde toestand veiliggesteld. Hansken is in staat de realm-bestanden te ontsleutelen door een cryptografische sleutel die opgeslagen is in de json-bestanden te gebruiken.
De gebruikte cryptografie (AES) om de bestanden mee te versleutelen, heeft de eigenschap dat een minimale verandering in de sleutel of de versleutelde data een enorme verandering in het ontsleutelde resultaat oplevert en daarmee volstrekt onleesbaar wordt. Dit wordt ook wel het lawine-effect (Engels: avalanche effect) genoemd. De sleutel die met deze cryptografie (AES) gebruikt wordt om bestanden mee te versleutelen moet ook gebruikt worden om het versleutelde bestand mee te ontsleutelen.
Zekerheid over de ontsleutelmethode voorrealm
-bestanden
Door het hiervoor beschreven ’lawine-effect’ is het verkrijgen van leesbare resultaten na ontsleuteling extreem veel waarschijnlijker onder de hypothese dat de gebruikte sleutel en onsleutelmethode correct zijn, dan onder de hypothese dat de gebruikte sleutel of ontsleutelmethode niet correct zijn.
Zowel de versleutelde als de ontsleutelde versies van de realm-bestanden, alsmede
het sleutelmateriaal zijn in Hansken zichtbaar. De ontsleuteling kan dus door derden
worden geverifieerd.’.
Deze conclusie zegt, naar het oordeel van het hof, iets over de betrouwbaarheid van de methode waarmee de (ruwe) data met behulp van de interceptietool is veiliggesteld. Fouten bij het kopiëren van de data lijken daarmee immers niet heel waarschijnlijk [8] .
De verdediging heeft in de regiefase verzocht om inzage in de ‘(meta)data van de aan [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] toegeschreven accounts’. Het openbaar ministerie heeft daarmee ingestemd. Na de regiezitting is de verdediging in de gelegenheid gesteld bij het NFI hierin – via Hansken – inzage te krijgen. In zoverre heeft de verdediging dus toegang gekregen tot voor [verdachte] potentieel relevante data (dus niet enkel hetgeen in het dossier is opgenomen) waarover ook de politie en/of het openbaar ministerie konden beschikken en heeft daarop commentaar kunnen leveren. Voor de volledigheid: dat commentaar is uitgebleven.
In het dossier is ook een rapport van het NFI naar de ‘volledigheid en correctheid van EncroChatberichten’ opgenomen [9] (ook wel het validatieonderzoek genoemd). Om vast te stellen hoe volledig en correct de gegevens in de berichten uit het technisch hulpmiddel zijn, zijn de metadata en inhoud van berichten op vijf fysiek uitgelezen telefoons (de berichten uit het toestel) vergeleken met de berichten uit het technisch hulpmiddel voor diezelfde telefoons. Deze telefoons zijn geselecteerd uit
de bij het NFI veilig gestelde telefoons. De ‘twee criteria’ waren dat ze uit een periode komen dat het technisch hulpmiddel ook actief was. Vervolgens zijn de vijf telefoons met de meeste berichten geselecteerd. De werking van het technische hulpmiddel zelf is niet onderzocht. Er is enkel onderzoek gedaan naar de gegevens die geproduceerd zijn door het technisch hulpmiddel. De eindconclusie luidt:
‘Er zijn geen redenen gevonden om te twijfelen aan de correctheid van de
berichten uit technisch hulpmiddel, behalve de fout met de omgedraaide bellende en gebelde tegenpartij. De correcte bellende en gebelde partij is nog af te leiden door de aangegeven richting (zie hoofdstuk 5.2). De berichtengeschiedenis is echter niet volledig. In de via technisch hulpmiddel verkregen berichten kunnen berichten ontbreken. Dit kan een enkel bericht zijn, maar langere perioden aan ontbrekende berichten komen ook voor. Op de toestellen is door het automatisch verwijderen van berichten na de
burn timeook geen volledige berichtengeschiedenis aanwezig. Daarnaast is het mogelijk dat berichten handmatig door de gebruiker zijn gewist, en daardoor ontbreken op het toestel.’.
Hoewel het vergelijkend onderzoek beperkt is geweest, zeggen de in dit rapport opgenomen resultaten naar het oordeel van het hof iets over de betrouwbaarheid van de ruwe data en daarmee – uiteindelijk – iets over de betrouwbaarheid van het (uit de brondata verkregen) bewijs. Voor de goede orde: het hof heeft voor het bewijs alleen gebruik gemaakt van de inhoud van de berichten, niet van belgegevens.
De verdediging is, in eerste aanleg, in de gelegenheid gesteld de opsteller van de NFI-rapporten als deskundige te horen. In het proces-verbaal van verhoor [10] staat onder meer, voor zover relevant:
‘Welke werkzaamheden heeft u binnen het onderzoek Lemont verricht?
Ik heb onderzoek gedaan naar de validatie van de gegevens verkregen met het technisch hulpmiddel en het inzichtelijk maken van die gegevens.
Bent u bekend met de werking van het technisch hulpmiddel?
De data die zijn verzameld, heb ik bekeken en daaruit kan ik veel uit afleiden over de werking.
Weet u of de data rechtstreeks van de telefoons is verkregen, of van een server?
Ik heb begrepen dat de gegevens van de toestellen komen. Dat heb ik kunnen afleiden uit de
vergelijking van de gegevens op de toestellen met de gegevens uit het technisch hulpmiddel. Zie ook het validatierapport van 25 januari 2021.
(…)
Het technisch hulpmiddel zal alle gegevens die er zijn, kopiëren. Van de gegevens die ik heb gezien en kunnen onderzoeken, heb ik geconstateerd dat die niet zijn gewijzigd door het technisch hulpmiddel.
Gaat het bij fouten om verlies van data of verandering van data?
Gegevens kunnen verloren gaan omdat het programma crasht, programmeurs kunnen fouten maken. Ik neem aan dat als er bijvoorbeeld iets omgedraaid is zoals “to” en “from”, dat overal omgedraaid is als gevolg van een programmeerfout. Van tevoren heb je wel een idee over wat fout zou kunnen zijn, bijvoorbeeld als de klok niet goed staat ingesteld, is de tijdvermelding in de berichten onjuist. In mijn rapport heb ik de gegevens vergeleken wat betreft: tijdstip, van en naar, inhoud. Ik heb geen afwijkingen gezien in de tijdstippen, evenmin in de inhoud van de berichten en ook in “van” en “naar” in de berichten. Alleen bij de telefoongesprekken is geconstateerd dat “van” en “naar” zijn omgedraaid, dat zal een programmeerfout zijn.
Ik vraag u naar verandering in data. Kan dat bestaan? Valt dat op?
Ik heb geen aanleiding gezien voor de vaststelling dat data zouden zijn gewijzigd. Een programmeerfout kan, denk ik, niet leiden tot een andere inhoud van het bericht.
Een software of hardwarefout?
Een computer of programma kan crashen, maar dan wordt niet de inhoud van de chat aangepast, dan is er eerder geen bericht.
Kan contaminatie plaatsvinden met digitaal bewijs?
In algemene zin kan dat. Wij proberen die kans te verkleinen bij de inrichting van het proces van ontvangen en opslaan van digitale gegevens. Met name als er sprake is van moedwil kan dat. Ik kan me niet voorstellen dat dit digitaal bewijsmateriaal onbedoeld, dus zonder moedwil, kan worden aangepast. Kunt u dat uitsluiten? Nee, dat kan nooit. Ik acht de kans echt heel klein. Er is geen reden aan te nemen dat dat is gebeurd.
U benoemt in uw rapportage (pagina 13 – opmerking hof: van het rapport genoemd in voetnoot 9) dat missende reeksen of ontbrekende overlap kunnen worden verklaard door een niet succesvolle installatie of werking van het technische hulpmiddel. Wat kunnen de gevolgen zijn van een niet succesvolle werking van het technische hulpmiddel?
De reeksen van ontbrekende berichten zijn in smalle tijdsgebieden en de berichten zijn aansluitend. Ik concludeer daaruit dat het technisch hulpmiddel werkte of niet werkte. Het werkte niet half of een beetje of heel even wel en dan weer niet. Het lijkt erop dat de applicatie op dat ogenblik gecrasht was.
Kan het ook een minuut niet gewerkt hebben?
Dat hebben we niet gezien.
Op pagina 10, tabel 8, wordt vermeld wat er weg was in een bepaalde week. In een lopende dialoog is er dus niet zomaar een bericht uit gevallen. Zo’n dialoog zou compleet moeten zijn.
U beschrijft dat uit de naamgeving van de mappen waarin de bronbestanden zijn opgeslagen is
afgeleid over welke periode en van welke telefoon de bestanden komen. Hoe heeft deze naamgeving plaatsgevonden?
Deze informatie staat ook in de JSON bestanden, die informatie is waarschijnlijk leidend daarin. Het technisch hulpmiddel ontvangt een JSON bericht en zet op basis van de informatie in dat bericht het in het JSON bestand in het juiste mapje, is mijn verwachting.
Kan door een fout een JSON bestand in het verkeerde mapje terecht komen?
In theorie wel. Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat dat is gebeurd.
U geeft een voorbeeld van een mapnaam: [mapnaam] . U duidt daarin de IMEI, de IMSI en de datum van veiligstellen. Wat betekent x2 in deze naam?
x2 is meen ik de toestelversie, nl staat voor Nederland.’
Ook uit deze verklaring volgt dat met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de ruwe data in beginsel betrouwbaar zijn en daarmee ook de daaruit blijkende koppelingen (tussen bijvoorbeeld het toestel en berichten).
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdediging in enige mate beperkt is geweest in het onderzoeken van de ruwe data (zoals hierboven gedefinieerd), doordat vanwege het Franse staatsgeheim nooit informatie is of kon worden verstrekt over de werking van de interceptietool en daarmee de precieze wijze waarop gegevens, afkomstig uit gehackte EncroChat-telefoons, zijn gekoppeld en opgeslagen. Niettemin zijn er meer dan voldoende aanwijzingen dat deze data betrouwbaar zijn. Dat leidt het hof af uit genoemde deskundigenrapportages, waarover de verdediging uiteraard ook de beschikking had. Bovendien heeft de verdediging de deskundige over zijn bevindingen en conclusies uitgebreid kunnen ondervragen. Deze beperking in het onderzoek naar de ruwe data is daarmee voldoende gecompenseerd. Overigens had de verdediging in dit opzicht geen andere positie dan de aanklagers, die evenmin over de ruwe data hebben beschikt. Concrete feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie omtrent de betrouwbaarheid of tot nader onderzoek zouden moeten leiden zijn niet aangevoerd. De ruwe data hebben uiteindelijk ten grondslag gelegen aan de bronbestanden die door het NFI zijn onderzocht en inzichtelijk gemaakt. Deze methode van onderzoek kon door de verdediging wel gecontroleerd worden. Uit de bronbestanden heeft de politie het bewijsmateriaal geselecteerd dat in het dossier is opgenomen. Dat bewijsmateriaal heeft de verdediging ook (inhoudelijk) kunnen bestrijden, maar er is ten aanzien van de betekenis die aan de berichten kan worden toegekend geen inhoudelijk verweer gevoerd. Evenmin is aangevoerd dat er berichten ontbreken die een ander licht op de belastende betekenis van het bewijs werpen. De verdediging heeft enkel aangevoerd dat de inhoud van de berichten geen steun vindt in ander bewijsmateriaal. Dat is echter onjuist, gelet op het feit – en dan beoordeelt het hof ook de berichten in het dossier van andere gebruikers – dat een belangrijk deel van de berichten gaan over een cocaïnelaboratorium dat ook daadwerkelijk is aangetroffen. Meer specifiek met betrekking tot berichten van de verdachte constateert het hof dat er berichten zijn over een drugstransport naar Zweden (Malmö), waarvoor hetzelfde geldt. Dat de verdachte door de rechtbank voor het ook ten laste gelegde drugstransport naar Zweden is vrijgesproken doet daar niet aan af. Verder geldt dat sommige berichten die (vermoedelijk) over drugshandel gaan, zijn vergezeld van afbeeldingen van blokken cocaïne. En sommige berichten die (vermoedelijk) over geld gaan, zijn vergezeld van afbeeldingen met daarop grote hoeveelheden papiergeld. Deze afbeeldingen geven uiteraard ook steun aan de conclusies die op grond van de berichten kunnen worden getrokken.
Daarmee komt het hof tot het oordeel dat er geen reden is tot bewijsuitsluiting en het gebruik van het in het dossier opgenomen bewijs niet in strijd is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces [11] . Het verweer wordt op al zijn onderdelen verworpen.
9.
Beoordeling van het bewijs [12]
8.1
Identificatie
[verdachte]
De verdediging heeft, zoals hierboven benoemd (verweer III), zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] de gebruiker was van de EncroChat-accounts [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] . Dat verweer was verbonden aan de verweren dat koppelingen in de data (van bijvoorbeeld het IMEI-nummer [mapnaam] aan de telefoon waarmee het EncroChat-account [EncroChat-account 1] werd gebruikt) moeten worden uitgesloten van het bewijs. Die verweren zijn echter verworpen, zodat ook de voornaamste grondslag aan verweer III komt te ontvallen. Uit het proces-verbaal van bevindingen ‘Identificatie ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘risingssun’ als [verdachte] ’ [13] blijkt daarnaast genoegzaam dat [verdachte] de gebruiker was van de EncroChat-accounts [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] . In dat proces-verbaal is het volgende opgenomen, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
‘Door mij, verbalisant, werden de chatberichten geanalyseerd waaraan Encro gebruiker ‘ [EncroChat-account 1] ’ deelnam, met als doel tot een identificatie te kunnen komen.
Ik zag dat (de telefoon van) ‘ [EncroChat-account 1] ’:
- gekoppeld was aan IMEI-nummer [mapnaam] , behorende bij een BQ Aquarius cryptofoon;
- in de diverse contactenlijsten voorkwam onder (onder andere) de namen:
Surina rdam , Buurman [nummer 3] , [voornaam verdachte] Rotterdam , onze koelie , wijnbar.
- het meest gebruik maakte van zendmasten in Rotterdam/Hillegersberg en Berkel en Rodenrijs;
- als wachtwoord heeft ingesteld: Roffadam .
Ik zag dat ‘ [EncroChat-account 1] ’ rond 2 mei 2020 aan verschillende van zijn contacten heeft doorgegeven dat hij ze een uitnodiging zal sturen met zijn 'nieuwe’, waarmee kennelijk zijn nieuwe Encro naam werd bedoeld.
Berichten tussen [EncroChat-account 1] (S) en [EncroChat-account 4] (A) op 2 en 3 mei 2020:
20.42
S: Ik nodig je uit met me nieuwe
18:19 A: Welke naam maat
18:19 S: Begint met r
18.2
A: Rising. Ok top maat.
Berichten van [EncroChat-account 4] (A) aan [EncroChat-account 2] (R) op 3 mei 2020:
18.2
A: Heb hem maat
18.2
R. Toppie.
Na bevraging van (de telefoon van) ‘ [EncroChat-account 2] ’ in de beschikbare applicaties zag ik dat:
- (de telefoon van) ‘ [EncroChat-account 2] ’ niet kon worden gekoppeld aan een IMEI-nummer;
- in de diverse contactenlijsten voorkwam onder (onder andere) de namen:
jaguar, Surinamrotterdam, [bijnaam 1] , Nieuwe [voornaam verdachte] , buurman [nummer 3] . , [EncroChat-account 1] .
Na bevraging van [verdachte] in de politiesystemen bleek onder meer het volgende:
- [verdachte] staat in het GBA ingeschreven op adres [adres] in Berkel en Rodenrijs;
- [verdachte] heeft de roepnamen ' [bijnaam 1] ', ' [voornaam verdachte] ' of ‘ [bijnaam 2] ’;
- [verdachte] heeft een Jaguar XF, kenteken [kenteken 1] ;
- onder [verdachte] werd in juni 2018 een BQ Aquaris cryptofoon in beslag genomen;
- [verdachte] is gelinkt aan een wijnbar , gelegen aan de [straatnaam] [nummer 3] te Rotterdam.
Berichten tussen [EncroChat-account 2] (R) en [EncroChat-account 5] (A) op 4 mei 2020:
21.03
A: zijn jullie morgen thuis?
21.02
R: Ja middag zijn we terug. Ochtend ff naar [persoon] die is jarig
21.04
A: Ah gefeliciteerd.
Door mij werden de ouders van [verdachte] bevraagd in de GBA waarna bleek dat [persoon] van [verdachte] is geboren op 5 mei [jaartal] .
Gezien het vorenstaande kan Edu Hermandath [verdachte] als gebruiker van de gebruikersnamen ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’ worden geïdentificeerd.’
Deze conclusie wordt versterkt door de verklaring van [verdachte] dat hij (nog steeds) werkzaamheden verricht voor [naam 5] (het hof begrijpt) [naam wijnbar] [14] in Rotterdam [15] en de bevindingen die zijn opgenomen in het proces-verbaal ‘Analyse mastlocaties IMEI-nummer [mapnaam] en vergelijking locatie met foto’s Iphone 12’ [16] . Daarin staat, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
‘Na onderzoek in de beschikbare data in 26Lemont betreffende de mastlocaties van de telefoon met IMEI-nummer [mapnaam] , zag ik dat deze gegevens bekend waren over de periode van 15 februari 2020 tot en met 20 mei 2020. Genoemd IMEI-nummer had voornamelijk gebruik gemaakt van zendmasten in Rotterdam / Hillegersberg en Berkel en Rodenrijs. Daarnaast had dit nummer in deze periode gedurende meerdere dagen gebruik gemaakt van zendmasten in andere landen dan Nederland.
Kaapverdië - Berkel in Rodenrijs: periode 15 t/m 20 februari 2020:
De telefoon met IMEI-nummer [mapnaam] , behorend bij een BQ Aquaris X2 telefoon, gebruikt door Encrochat ‘ [EncroChat-account 1] ’, heeft gedurende de periode van 15 tot en met 18 februari 2020 gebruik gemaakt van zendmasten in Kaapverdië.
Uit foto’s, opgeslagen in de IPhone 12 telefoon die onder verdachte [verdachte] in beslag is genomen, blijkt dat hij op 15, 17 en 18 februari 2020 in Kaapverdië was.
De telefoon met IMEI-nummer [mapnaam] heeft op 19 februari 2020 weer gebruik gemaakt van de zendmast, gevestigd Slingerstraat te 2652XW Berkel en Rodenrijs.
Uit foto’s, opgeslagen in de IPhone 12 telefoon, blijkt dat hij op 20 februari 2020 thuis aan [adres] in Berkel en Rodenrijs was.
Frankrijk: periode 22 t/m 29 februari 2020:
De telefoon met IMEI-nummer [mapnaam] , behorend bij een BQ Aquaris X2 telefoon, gebruikt door Encrochat ‘ [EncroChat-account 1] ’, heeft van 22 februari 2020 tot en met 29 februari 2020 onder meer gebruik gemaakt van zendmasten in Frankrijk.
Uit foto’s, opgeslagen in de IPhone 12 telefoon van verdachte [verdachte] , blijkt dat hij op 22, 23, 24 en 28 februari 2020 in de omgeving van skigebied Les Arcs, Bourg-Saint-Maurice in Frankrijk was.
Op de harde schijf, aangetroffen in de woning van verdachte [verdachte] , is een boekingsbevestiging en factuur op naam van [verdachte] aangetroffen die betrekking hebben op een vakantie voor de periode van 22 februari 2020 tot 29 februari 2020 voor 7 personen in appartementen L'Orée des Cimes, Peisey-Vallandry (Frankrijk).
Turkije: periode 11 t/m 15 maart 2020:
De telefoon met IMEI-nummer [mapnaam] , behorend bij een BQ Aquaris X2 telefoon, gebruikt door Encrochat ‘ [EncroChat-account 1] ’, heeft gedurende de periode van 11 tot en met 15 maart 2020 gebruik gemaakt van zendmasten in Turkije.
Uit foto’s, opgeslagen in de IPhone 12 telefoon, blijkt dat hij op 12, 13, 14 en 15 maart 2020 in Turkije in de omgeving van de plaats Izmir was. In deze telefoon is een foto opgeslagen die op zondag 15 maart 2020 is gemaakt. Op deze foto is een digitaal vertrektijdenbord zichtbaar, met onder andere de geplande vertrektijd van vlucht [vluchtnummer] om [vertrektijd 2] uur met bestemming Amsterdam.
Het vluchtschema van vlucht [vluchtnummer] betreft een tweewekelijkse vlucht van Izmir naar Amsterdam, waarbij op de zondagen de geplande vertrektijd [vertrektijd 2] uur is en de geplande aankomsttijd 18:50 uur in Amsterdam is. De telefoon met genoemd IMEI-nummer heeft op zondag 15 maart 2020 om 18.44 uur voor het eerst weer gebruik gemaakt van een zendmast in Nederland, de zendmast aan de Amsterdamseweg in Velsen Zuid.
Op de harde schijf, aangetroffen in de woning van verdachte [verdachte] , is een reserveringsbevestiging op naam van verdachte [verdachte] aangetroffen, betreffende de vluchten Amsterdam-Istanbul-Izmir op 11 maart 2020.’.
Hierbij komt dat [EncroChat-account 1] op 20 april 2020 aan de gebruiker van het Encrochat-account ‘ [EncroChat-account 6] ’ schrijft dat hij de dag ervoor ‘ Van Persie ’ heeft geleerd hoe te voetballen. In de onder [verdachte] in beslag genomen iPhone zijn berichten van 19 en 20 april 2020 aangetroffen waarin [verdachte] (dat hij het was is door de verdediging erkend [17] ) aan verschillende contacten schrijft dat hij ‘ Van Persie heeft leren voetballen’. Ook is er op 19 april 2020 met de IPhone een foto verstuurd waarop twee mannen zichtbaar zijn die bij een barbecue staan. Een verbalisant heeft een van deze personen herkend als een voetballer met de achternaam Van Persie [18] .
Tenslotte heeft [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [medeverdachte 13] kent [19] , de gebruiker van het EncroChat-account [EncroChat-account 3] @encrochat.com met wie [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] veelvuldig contact hebben.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] de gebruiker was van de EncroChat-accounts [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2] . Hetgeen de raadsvrouw daartegen heeft ingebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Overige gebruikers
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de medeverdachten de gebruikers waren van de volgende Encrochat-accounts. Bij sommige verdachten zijn ook één of meer aan hen toegekende ‘bijnamen’ opgenomen, zoals daarvan blijkt uit de ‘contactboeken’ of ‘gebruikersnamen’:
[medeverdachte 3] [20]
[EncroChat-account 7] @encrochat.com en [EncroChat-account 8] @encrochat.com
[bijnaam 4]
[medeverdachte 4] [21]
[EncroChat-account 10] @encrochat.com
[medeverdachte 5] [22]
[EncroChat-account 11] @encrochat.com
[bijnaam 5] [23]
[medeverdachte 7] [24]
[EncroChat-account 12] @enrochat.com
[medeverdachte 6] [25]
[EncroChat-account 13] @encrochat.com
[bijnaam 6]
[medeverdachte 8] [26]
[EncroChat-account 14] @encrochat.com
[bijnaam 7] , [bijnaam 8]
[medeverdachte 2] [27]
[EncroChat-account 15] @encrochat.com
[medeverdachte 10] [28]
[EncroChat-account 16] @encrochat.com
[medeverdachte 13] [29]
[EncroChat-account 3] @encrochat.com en vanaf 9 juni 2020 [EncroChat-account 17] @encrochat [30]
8.2
Zaak A, feit 2
Cocaïnelaboratorium Nijeveen
Op 7 augustus 2020 heeft de politie een inval gedaan bij handel- en pensionstal [bedrijfsnaam] , gevestigd aan de [adres 4] te Nijeveen. De eigenaar daarvan is [medeverdachte 1] . [31] [medeverdachte 1] had een deel van een hem toebehorende managebak verhuurd voor € 3.500,00 per maand. [32]
In die overdekte manegebak is een werkend cocaïnelaboratorium aangetroffen. In het cocaïnelaboratorium werden vijftien mannen aangehouden, waarvan er veertien de Colombiaanse nationaliteit hadden. Meerdere van hen hadden zwart stof en de indruk van een masker op hun gezicht. [33] Het hof leidt hieruit af dat zij bezig waren met het bewerken en verwerken van cocaïne.
Door politieambtenaren van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) is onderzoek gedaan naar het cocaïnelaboratorium. In de manegebak was een gedeelte met isolatiepanelen afgescheiden van de rest van de manegebak. In het afgescheiden gedeelte van 30 bij 26,5 meter werd een complete productielijn aangetroffen, waarin onversneden cocaïne werd teruggewonnen uit dragermateriaal. Het cocaïnelaboratorium was verdeeld in een aantal ruimtes: een extractieruimte, luchtbehandelingsruimte, zuiveringsruimte, opslagruimte, wasruimte, keuken, twee slaapkamers en een droogruimte. Er was capaciteit om 150 tot 200 kilo onversneden cocaïne per dag uit dragermateriaal te produceren met een straatwaarde van (destijds) 4,5 tot 6 miljoen euro. [34]
Genoemd dragermateriaal betrof steenkool met een teerachtig materiaal. In de opslagruimte werden vijf in stukken gesneden ‘big bags’ aangetroffen met restanten van een mengsel van steenkoolachtig materiaal en plakkerig teerachtig materiaal. [35] [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij kolen moest wassen, bij het water vloeistoffen werden gegooid en dat het uiteindelijk ‘coca’ werd. [36] [medeverdachte 2] zal met vloeistoffen chemicaliën bedoeld hebben. In het cocaïnelaboratorium zijn ook duizenden liters chemicaliën aangetroffen, waaronder hexaan. [37]
In het cocaïnelaboratorium is verder ongeveer 106 kilo cocaïnebase aangetroffen. [38] Ook werd er een tafel met daarop persmallen met logo’s, waaronder URUS, vervuild met restanten wit poeder, bevattende cocaïne, aangetroffen en een droogtafel met restanten wit poeder. [39]
Observaties
Door middel van een camera is het terrein van de [bedrijfsnaam] geobserveerd. Op 27 juli, 30 juli en 6 augustus 2020 is op dat terrein een vrachtwagen gezien van het merk Scania, met kenteken [kenteken 2] , met daaraan een oplegger, met kenteken [kenteken 3] , gekoppeld. [40]
Loods Apeldoorn
Op 30 juli 2020 reed genoemde Scania vrachtwagen vanaf het terrein van de manege naar een loods aan [adres 3] in Apeldoorn. Deze loods werd vanaf 15 mei 2020 gehuurd door [medeverdachte 9] . [41] De vrachtwagen werd in de loods geparkeerd. Op 7 augustus 2020 vond ook in deze loods een doorzoeking plaats. Tijdens de doorzoeking werden onder andere, de vrachtwagen, vier doorzichtige containers voor de opslag en transport van vloeistoffen (zogenaamde IBC’s) en 82 big bags met een daarin een steenkoolachtig materiaal. In zeventien van de big bags werd naast het steenkoolachtige materiaal ook teerachtig materiaal aangetroffen. [42] Daarin is cocaïne aangetroffen. De zestien nader onderzochte big bags wogen per stuk gemiddeld netto 1.350 kilo. [43] De totale hoeveelheid cocaïne in deze zestien big bags wordt geschat op een gemiddelde van 663 kilo cocaïne. [44] Op een van de big bags die in de loods in Apeldoorn is aangetroffen zat een papiertje met de tekst ‘ [nummer 2] ’. [45] De zending waarvan deze container deel uitmaakte is op 18 maart 2020 gelost in de haven van Rotterdam en was afkomstig van een bedrijf uit Colombia. [46]
Vrijspraak
Het hof spreekt [verdachte] vrij van het ten laste gelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen. Uit het dossier volgt niet dat [verdachte] een bijdrage van dusdanig wezenlijk gewicht heeft geleverd dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met personen die betrokken waren bij het plan om een cocaïnelaboratorium in Wijk en Aalburg en/of Nijeveen te exploiteren. Uit het dossier volgt dat [verdachte] wist dat [medeverdachte 3] cocaïne produceerde en in dat verband beschikte over een of meer drugslaboratoria. Uit het dossier volgt ook dat [verdachte] door [medeverdachte 3] geproduceerde blokken cocaïne van [medeverdachte 3] kocht en in dat verband met hem sprak over de kwaliteit en onderhandelde over de verkoopprijs. Uit de stukken volgt echter niet dat [verdachte] betrokken was bij het voorbereiden van de productie van cocaïne in één van de drugslaboratoria van (de organisatie van) [medeverdachte 3] . Een enkel bericht waaruit blijkt dat [verdachte] chemische middelen aan [medeverdachte 3] te koop aanbood is daartoe niet voldoende. Zeker niet nu nergens uit blijkt dat [medeverdachte 3] ook daadwerkelijk chemische middelen van of via [verdachte] heeft afgenomen. Uit de stukken kan het hof evenmin afleiden dat [verdachte] op enigerlei wijze de benodigde financiën ten behoeve van het opzetten van een drugslaboratorium heeft geregeld of daarin heeft geïnvesteerd, zoals de advocaat-generaal stelt. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 8] in maart 2020 voor [medeverdachte 3] een loods voor opslag van dragermateriaal heeft geregeld en dat [medeverdachte 3] hier 1,2 miljoen voor moest betalen, maar zijn betalingsverplichtingen niet nakwam. Uit het dossier blijkt voorts dat [medeverdachte 3] [verdachte] hiervan op de hoogte hield en met hem afsprak dat [verdachte] (een deel van) de koopsom van door [verdachte] gekochte cocaïne rechtstreeks aan [medeverdachte 8] gaf om daarmee (in delen) de door [medeverdachte 3] verschuldigde kosten voor de loods met dragermateriaal te voldoen. Ook blijkt uit het dossier dat [medeverdachte 3] eigen geld in een drugslaboratorium had geïnvesteerd en dat [verdachte] en [medeverdachte 13] met elkaar bespraken hoeveel kosten [medeverdachte 3] had en hoeveel cocaïne [medeverdachte 3] zou moeten verkopen om winst te maken. Dit is echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [verdachte] betrokken was bij het financieren van een drugslaboratorium en al helemaal niet dat hij betrokken was bij de financiering van een drugslaboratorium in Wijk en Aalburg en/of Nijeveen.
Hoewel uit het dossier zonder meer volgt dat [verdachte] strafbare feiten heeft gepleegd, zoals het afnemen en verkopen van grote hoeveelheden cocaïne, kan het hof hieruit niet afleiden dat deze gedragingen verband hielden met (het voorbereiden van) het produceren van cocaïne in een drugslaboratorium.
Nu het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit ziet op enkel het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van cocaïne in drugslaboratoria in Nijeveen en Wijk en Aalburg – hetgeen door de advocaat-generaal ter zitting uitdrukkelijk is bevestigd – en niet ook ziet op bijvoorbeeld het voorbereiden van de koop, verkoop of uitvoer van cocaïne wordt [verdachte] vrijgesproken van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit.
8.3
Zaak A, feit 4 (zaaksdossier Verenigd Koninkrijk)
Onder feit 4 wordt [verdachte] – kort gezegd – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van grote geldbedragen. Primair is feit 4 ten laste gelegd als het medeplegen van (schuld)witwassen, subsidiair als het medeplegen van eenvoudig witwassen.
Bij de beoordeling van feit 4 stelt het hof voorop dat de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) er niet aan in de weg staan dat iemand die wordt veroordeeld voor (schuld)witwassen, als hij een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit een misdrijf dat hij zelf heeft begaan. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis/420quater lid 1 Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie (schuld)witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan alleen het verwerven of voorhanden hebben van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp.
Uit de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het zaaksdossier Verenigd Koningrijk, volgt dat [verdachte] zich bezig hield met de handel in cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de cocaïnehandel veel contant geld omgaat. Dat vindt ook bevestiging in genoemd deelonderzoek. Uit de berichten, verzonden tussen [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) en de gebruiker van het Encrochat-account ‘ [EncroChat-account 6] ’, blijkt dat [verdachte] kiloblokken cocaïne leverde aan [EncroChat-account 6] . [EncroChat-account 6] betaalde de verschuldigde bedragen voor deze leveringen in contanten aan [verdachte] . [verdachte] bevond zich in Nederland, [EncroChat-account 6] bevond zich in het Verenigd Koninkrijk. De leveringen van de cocaïne vonden doorgaans op dezelfde dag in meerdere deelleveringen op diverse locaties plaats. De ontvangst van gelden vond doorgaans eveneens op dezelfde dag in diverse deelleveringen op diverse locaties plaats. Voor zowel de levering en ontvangst van de kiloblokken cocaïne als de levering en ontvangst van de contante geldbedragen werd gebruik gemaakt van koeriers, die met zogenaamde ‘tokens’ werkten. Met deze tokens werd de juistheid van de levering en betaling door [verdachte] en [EncroChat-account 6] aan elkaar bevestigd, zonder dat zijzelf fysiek bij de leveringen en ontvangsten aanwezig hoefden te zijn. Uit de berichten, zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, valt op te maken dat [verdachte] de volgende contante geldbedragen heeft ontvangen van [EncroChat-account 6] :
6 april 2020
GBP 195.000
6 april 2020
GBP 263.000
6 april 2020
EUR 199.060 (GBP 189.580 tegen koers van 1,05)
11 april 2020
GBP 22.500
14 april 2020
GBP 17.250
16 april 2020
GBP 74.000
16 april 2020
GBP 281.500
In totaal
GBP 853.250 + EUR 199.060
Daarnaast volgt uit berichten, verzonden tussen [verdachte] en de gebruiker van het Encrocat-account ‘ [EncroChat-account 18] ’, dat [verdachte] op 27 maart 2020 om 10:42 uur aan [EncroChat-account 18] schrijft dat hij euro's op moet halen in Bedfort. Hij vraagt of [EncroChat-account 18] kan organiseren dat dit wordt opgehaald. Daarop worden meerdere berichten uitgewisseld. [verdachte] schrijft dat iemand om 17:00 uur Engelse tijd ‘90k’ (het hof begrijpt: 90.000) komt brengen en om 19.00 Engelse tijd iemand ‘180k’ (het hof begrijpt: 180.000) komt brengen. [EncroChat-account 18] vraagt of het in euro’s zal zijn. [verdachte] antwoordt dat alles in ponden is. Uit de rest van de berichten, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, blijkt vervolgens dat deze geldbedragen daadwerkelijk zijn afgeleverd aan [EncroChat-account 18] , kennelijk met het doel deze voor [verdachte] naar Nederland te laten overbrengen.
Is sprake van medeplegen van (schuld)witwassen als bedoeld in artikel 420bis/420quater Sr?
Uit het voorgaande leidt het hof af dat de door [verdachte] van [EncroChat-account 6] ontvangen geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door [verdachte] zelf begaan misdrijf, namelijk de handel in cocaïne. Alhoewel uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat ook de door [EncroChat-account 18] voor [verdachte] in ontvangst genomen geldbedragen (90.000 pond en 180.000 pond) direct afkomstig zijn van door [verdachte] (aan een ander of anderen) geleverde cocaïne is het hof van oordeel dat dit, ook bij gebreke van enige verklaring van [verdachte] over de herkomst van deze geldbedragen, zo in de rede ligt dat het hof aanneemt dat ook deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door [verdachte] zelf begaan misdrijf (cocaïnehandel).
Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] , tezamen en in vereniging met zijn mededaders, de hiervoor genoemde geldbedragen, onmiddellijk afkomstig uit de door [verdachte] begane handel in cocaïne, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Strafbaarheid van de verdachte
Anders dan het openbaar ministerie heeft betoogd, heeft het hof niet kunnen vaststellen dat [verdachte] één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen. Naar het oordeel van het hof zijn de door het openbaar ministerie genoemde omstandigheden en gedragingen, namelijk dat het ging om grote geldbedragen, het gebruik van tokens en de inzet van anonieme koeriers, daarvoor onvoldoende.
Dit betekent dat het in zaak A onder 4 primair bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als (schuld)witwassen als bedoeld in artikel 420bis en 420quater Sr. [verdachte] dient daarom ter zake van dit bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Is sprake van medeplegen van eenvoudig (schuld)witwassen?
Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht het hof bewezen dat [verdachte] grote geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad die onmiddellijk afkomstig zijn uit een door [verdachte] zelf begaan misdrijf. Voor de strafbaarheid van eenvoudig (schuld)witwassen is niet vereist dat in de bewijsvoering ook een gedraging van de verdachte is vastgesteld, die (kennelijk) gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 4 subsidiair ten laste gelegde eenvoudig witwassen.
8.4
Zaak A, feit 3
Berichten over de opslag van steenkool en de (ver)koop van cocaïne
In de periode van 27 maart tot en met 31 maart 2020 stuurt de gebruiker van EncroChat-account ‘ [EncroChat-account 19] ’ berichten tussen hem en [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ) door naar de gebruiker van EncroChat account ‘ [EncroChat-account 20] ’. Daaruit blijkt dat [medeverdachte 8] geld moet regelen. Ze maken zich daar niet al te veel zorgen over, want ze hebben de steenkool en de controle. [EncroChat-account 19] schrijft op 30 maart 2020 aan [medeverdachte 8] wanneer hij het denkt af te ronden want de bakken moeten eruit, dat het niet zijn verantwoordelijkheid is en dat hij dacht dat het geld zou klaarliggen. [medeverdachte 8] schrijft op 31 maart 2020 dat de centen klaarliggen en stelt [EncroChat-account 19] voor elkaar vandaag te zien. [EncroChat-account 20] schrijft vervolgens aan [EncroChat-account 19] dat hij benieuwd is waar ze mee komen, het moet ‘1m 20K’ (het hof begrijpt: € 1.020.000,00) zijn. [EncroChat-account 19] stuurt hierna een foto naar [EncroChat-account 20] van een Bill of Lading met nummer [nummer 1] , het nummer van de lading die op 18 maart 2020 is aangekomen en waarvan de container met nummer [nummer 2] deel uitmaakt, en een foto van een factuur van RHB met daarop dit Bill of Ladingnummer. [47]
Op 29 maart 2020 stuurt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) berichten naar [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) waaruit blijkt dat [bijnaam 10] [48] (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) geld van [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) krijgt (‘ [bijnaam 10] heeft nog niet 1 euro gehad mensen zijn op vertrouwen 2x doorgegaan maar niemand heeft wat gekregen’). [49] [medeverdachte 13] stuurt vervolgens berichten van [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ) door naar [verdachte] waaruit blijkt dat de spullen nu aan de kant van [medeverdachte 8] staan en hij ( [medeverdachte 3] ) de mensen nu eerst moet gaan betalen, omdat de mensen zeggen dat anders niets weggaat. Hij ( [medeverdachte 3] ) heeft behalve de tp (het hof begrijpt: transportkosten) niets betaald. [medeverdachte 13] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 8] : ‘Ok dus als 150 betaald is heeft die voir de eerste keer tp en werk betaald maar daar zit jij ook bij toch gap’. Waarop [medeverdachte 8] antwoordt dat hij niks krijgt van die mensen. Hij heeft hem ( [medeverdachte 3] ) rechtstreeks met die mensen aan de tafel gezet over de prijs en [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) moest voor hem ( [medeverdachte 8] ) zorgen. Hierna zegt [medeverdachte 8] dat die mensen centen willen en boos zijn, omdat hij ( [medeverdachte 3] ) van alles beloofd heeft en zijn woord erop gaf en niks nakomt. [50] Vervolgens vraagt [medeverdachte 13] hoeveel [medeverdachte 8] moet krijgen (‘Wat denk jij wat je moet krijgen gap gewoon eerlijk zeggen. Ik denk als die een miljoen zou geven dat die dan spekkoper is ook al is het in systeem gekomen, hij heeft zeker veel kosten en hij denkt mee, dus min jij 150 is normaal wat denk jij gap’). [medeverdachte 8] zegt vervolgens dat hij vindt dat hij meer dan 150.000 euro van [medeverdachte 3] moet krijgen, omdat hij veel voor hem heeft geregeld. (‘Nee. Heb nog meer geregeld voor hem gab. Loods voor ze chemie opslag met bewaking dag en nacht … Loods voor kool opslag nu ook geregeld. En via me vrienden allemaal... loodskool opslag heeft ook tp bij…’). [51]
Op 31 maart 2020 stuurt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) ‘ [EncroChat-account 8] ’ naar [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) en daarna ‘nieuwe [bijnaam 4] ’. [52]
Op 1 april 2020 stuurt [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) een foto van een wit blok met logo URUS [53] (het hof concludeert: een foto van een blok cocaïne) aan [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) met de tekst ‘Eerste 50 zijn gemaakt vandaag of mirgen komt weer 50’. [medeverdachte 3] moet zijn stukjes eerst verkopen om het bedrijf te betalen voor een nieuwe zending. [verdachte] vraagt voor welke prijs [medeverdachte 3] ze weg doet. [medeverdachte 3] denkt aan 28. [verdachte] vindt dat prijzig. Hij heeft zelf net bolli (het hof begrijpt cocaïne uit Bolivia) aangenomen voor 27.5. [verdachte] mag het vervolgens voor 27 hebben. [verdachte] zegt hierop dat hij het even moet gaan aanbieden, waarna [medeverdachte 3] zegt dat het geld dan meteen naar ‘ [bijnaam 8] ’ ( [medeverdachte 8] ) moet. Even later laat [verdachte] weten dat iemand er 33 zoekt en dat hij hem een voorbeeld gaat geven. Hierna sturen [verdachte] en [medeverdachte 3] elkaar berichten over de kwaliteit van de cocaïne. [verdachte] is daar niet tevreden over. Degene die hij laatst 20% gemixt had zagen er qua zicht beter uit. [medeverdachte 3] zegt dat de geur en smaak top zijn. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens hoe laat [bijnaam 12] er is en hoeveel hij klaar moet zetten. [verdachte] geeft aan dat hij het zo laat weten en zegt vervolgens om 11:20 uur dat hij ( [bijnaam 12] ) er nu 40 komt halen. [medeverdachte 3] vraagt hierna of [verdachte] ze niet eerst moet testen. Even later zegt [medeverdachte 3] dat hij net van hok komt en dat ze een andere stempel gaan maken. [verdachte] reageert daarop met ‘beter man’ en zegt dat ze zo als de 545 moeten zijn. Die waren ‘toppp’. Vervolgens stuurt [verdachte] een bericht van de gebruiker van EncroChat-account [EncroChat-account 21] door waarin [EncroChat-account 21] zegt dat hij heel sterk is en de geur en smaak goed zijn (‘cijfer 7,5’). [verdachte] zegt hierna dat de kwaliteit ‘toppp’ is en dat het daarom zonde is als de presentatie niet goed is. Er moet ook op de verpakking gelet worden. [54]
Op 1 april 2020 stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) de hiervoor weergegeven berichten (deels) door naar [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ). [verdachte] zegt vervolgens tegen [medeverdachte 13] dat ze echt slecht gemaakt zijn. [medeverdachte 13] stelt voor om ze over te doen of te mixen. [verdachte] zegt daarop dat ze er maar weinig hebben en dat ze gewoon moeten proberen ze zo weg te doen. Vervolgens stuurt [verdachte] het bericht van [medeverdachte 3] door met de vraag wanneer [bijnaam 12] komt en hoeveel hij er klaar moet zetten en vraagt hij aan [medeverdachte 13] of hij het met ‘ [bijnaam 9] ’ wil regelen. Waarna [medeverdachte 13] om 11:18 uur laat weten dat ‘ [bijnaam 9] ’ er 40 komt pakken en om 11:20 uur dat hij nu weg kan. [55]
Op 1 april 2020 stuurt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) een bericht van [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ) naar ( [EncroChat-account 1] ) [verdachte] waaruit blijkt dat [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) tegen [medeverdachte 8] heeft gezegd dat hij stukjes aan de vriend van [EncroChat-account 3] (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft gegeven die een klant heeft en [medeverdachte 8] straks pap (geld) gaat geven. [medeverdachte 13] zegt vervolgens tegen [verdachte] dat [medeverdachte 3] slim is en het doorschuift waardoor ‘ [bijnaam 10] ’ ( [medeverdachte 8] ) niet bij [medeverdachte 3] kan klagen, want dan zegt hij dat [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) je pap (geld) heeft. [56] Uit de daaropvolgende berichten blijkt dat [medeverdachte 13] ontevreden is over de gang van zaken en de stukkies daarom terug wil geven. (‘ [bijnaam 10] moet die mensen betalen en nu zijn wij degene die zijn troep moeten opruimen’). [verdachte] ziet het een beetje als meehelpen. Als het niet lukt, dan lukt het niet, maar ze kunnen het proberen. Later stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 13] dat hij net bij [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) was en dat deze een beetje boos was. [medeverdachte 3] vindt dat ‘ [bijnaam 11] ’ lekker niets zit te doen, maar geen idee heeft wat er allemaal speelt en makkelijk kan zeuren, terwijl hij ( [medeverdachte 3] ) er 1.2 miljoen eigen geld in heeft zitten. [medeverdachte 13] zegt vervolgens dat [medeverdachte 3] niet moet vergeten dat [bijnaam 10] ( [medeverdachte 8] ) hun man is en niet [medeverdachte 3] en dat hij dus had kunnen zeggen ‘geef mij maar 100K of zo’. Dat hij [medeverdachte 8] rechtstreeks met hem heeft laten zitten betekent volgens [medeverdachte 13] niet dat hij ( [medeverdachte 13] ) niet de tussenpersoon is en als hij ( [medeverdachte 3] ) het zakelijk gaat bekijken, weet hij dat als er twee partijen bij elkaar worden gebracht dat die ene ook krijgt. [57]
Tussenconclusie
Het hof leidt uit hiervoor en hierna opgenomen berichten af dat [medeverdachte 8] tegen betaling een loods voor de opslag van de steenkool die op 18 maart 2020 uit Colombia is ingevoerd en waarvan in ieder geval een deel is aangetroffen in de loods in Apeldoorn, heeft geregeld. Deze steenkool was eerst opgeslagen in een loods waarbij [EncroChat-account 19] en [EncroChat-account 20] betrokken waren, hetgeen blijkt uit de door [EncroChat-account 19] aan [EncroChat-account 20] gestuurde Bill of lading, waarop het nummer staat dat ook op het papiertje staat dat in de loods in Apeldoorn is aangetroffen. [medeverdachte 8] moest voor de opslag en het transport van deze steenkool geld aan [EncroChat-account 19] en [EncroChat-account 20] betalen (1,2 K). Dit geld zou hij van [medeverdachte 3] krijgen, maar [medeverdachte 3] had dit geld niet en kwam zijn afspraken niet na. Uit de berichten leidt het hof verder af dat [medeverdachte 3] door hem geproduceerde cocaïne aan [verdachte] en [medeverdachte 13] heeft verkocht en dat [verdachte] en [medeverdachte 13] van de opbrengst, via [medeverdachte 8] , [EncroChat-account 20] en [EncroChat-account 19] afbetalen. [medeverdachte 8] onderhield hierover contact met [medeverdachte 3] enerzijds en [medeverdachte 13] (die de berichten van [medeverdachte 8] weer doorstuurde naar [verdachte] ) anderzijds.
Berichten over URUS en een transport naar Zweden
Op 2 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 13] of hij [bijnaam 9] wil zeggen dat blackie hem gaat contacten voor 2 te brengen. Vervolgens zegt [medeverdachte 13] dat ze beter tegen [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) kunnen zeggen dat ze ze opnieuw kunnen laten maken, omdat de verkoop dan sneller gaat. [verdachte] vindt dat zonde want dat kost op die 30 stukkies 1.5 blok. [58]
Op 3 april 2020 stuurt [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) berichten van ( [EncroChat-account 14] ) [medeverdachte 8] door naar [verdachte] . In de berichten staat dat die van de kolen pissig zijn en zelf een laborant gaan halen als het niet geregeld wordt. [medeverdachte 3] heeft daarop aan [medeverdachte 8] geantwoord dat ze hun bek moeten houden, dat ze hun centen krijgen, dat hij net stukjes aan [bijnaam 11] heeft gegeven en dat ze anders blokken kunnen pakken. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 3] dat ze hun pap krijgen, dat ze onderpand hebben en dat ze zich niet druk moeten maken. [medeverdachte 3] zegt dat de verkoop moeilijk is. [verdachte] zegt dat het zeker goed komt en er 2,5 miljoen onderweg is. Hij moet wel nog 1,4 betalen voor Boli, maar als bij hem alles terug is neemt hij desnoods de stukkies over. [59]
Op 3 april 2020 stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) berichten van [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) door naar [bijnaam 11] ( [medeverdachte 13] ). In die berichten staat dat [medeverdachte 3] de blokken voor jullie (het hof begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 13] ) klaar heeft liggen en stelt voor dat [bijnaam 12] morgen komt. [medeverdachte 3] vraagt verder hoe het met URUS gaat, waarna [verdachte] antwoordt dat hij er net nog 6 aan iemand heeft gegeven en later pap (geld) hoopt te hebben. [60]
Op 4 april 2020 stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) aan [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) dat het traag gaat maar dat hij 80k heeft en dat ze die morgen aan [bijnaam 10] ( [medeverdachte 8] ) geven. Hierna zegt [verdachte] : ‘ [bijnaam 10] is [bijnaam 8] ’. [61]
Op 5 april 2020 stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) opnieuw berichten van [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) door naar [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ). In die berichten staat dat [bijnaam 12] er al een uur staat en dat [medeverdachte 3] antwoordt dat hij het nu gaat afgeven. [medeverdachte 13] reageert daarop door te zeggen dat [bijnaam 9] hem ook laat testen en een nieuwe foto laat maken. [62]
Op 5 april 2020 zegt [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) tegen [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) ‘tp’ (het hof begrijpt transport) naar Zweden, waarop [verdachte] zegt dat hij het nu gaat vragen. [medeverdachte 3] wil 30 stuks naar Malmö sturen. [63]
Op 6 april 2020 zegt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) tegen [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) dat hij voor [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) tp naar Zweden aan het regelen is. [verdachte] denkt dat [medeverdachte 3] daar een klant heeft. [64]
Op 6 april 2020 vraagt [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) aan [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) hoe het met de verkoop gaat. [verdachte] zegt hierop dat hij het later hoort. Daarna zegt hij dat los van de verkoop hem sowieso is toegezegd dat hij deze week 1.5 miljoen (‘milj’) krijgt toegestuurd. Hij moet nog 1.35 miljoen betalen en daarna kunnen ze zelf werken met die spullen. URUS is wel moeilijker dus die probeert hij hier, maar andere stempel kan wel in UK. [65]
Op 6 april 2020 schrijft ( [EncroChat-account 8] ) [medeverdachte 3] aan [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) dat hij een nieuwe plek moet hebben, hij moet eruit van die boer en die andere is brand, ook weg. [medeverdachte 3] schrijft: ‘Maat goede boerderij is moeilijkste ik moet super plek hebben waar ze met 15 man kunnen werken. Dat alles makkelijk gaat.’ [medeverdachte 13] zal ook eens vragen voor ruimte. [66]
Uit berichten op 9 april 2020 tussen [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) en [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) blijkt dat ze stukkies van [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) willen kopen, maar alleen als [medeverdachte 3] de prijs omlaag doet. Het is een gunst aan [medeverdachte 3] om hem te helpen, maar ze betalen [bijnaam 10] ( [medeverdachte 8] ) sowieso niet alles tot zij hun eigen stukkies ook helemaal hebben. Ze betalen [bijnaam 10] ( [medeverdachte 8] ) 25 stukkies als [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) nog niet de rest heeft gegeven. [67]
Op 9 april 2020 laat [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) aan [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) weten dat vanaf morgen zijn laatste stukkies weg zijn en dat hij dan in principe alles kan pakken. Vervolgens is er een gesprek over de prijs, die is gezakt. [verdachte] heeft iemand die er dit weekend 25 wil hebben van die laatste stempel die [medeverdachte 3] hem gaf. Alleen de prijs is een probleem. [68]
Op diezelfde dag stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) (een deel van) de hiervoor weergegeven berichten door naar [bijnaam 11] ( [medeverdachte 13] ). [medeverdachte 13] vraagt vervolgens hoeveel ze kunnen krijgen. [verdachte] antwoordt: “zeker 27”, waarna hij laat weten dat Crips op 26.75 en bij aantallen 26.5 kan krijgen. Ook stuurt hij een foto van een blok cocaïne met de tekst bolli. Hierna zegt [verdachte] dat als [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) de prijs niet omlaag doet ze gewoon hun eigen stukkies wegdoen. [69]
Op 10 april 2020 stuurt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) aan [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) een foto van een grote stapel geld met de opmerking dat er weer pap onderweg is. Later die dag zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 13] dat hij kleine net 27.5 gegeven heeft en hij zo weer pap krijgt. Wederom stuurt hij een foto van een afbeelding van een stapel geld en zegt dat hij dit net gehad heeft en vervolgens ‘Lee 725’. Als het goed is geeft Lee komende week weer ‘min 1/1.2 milj’. [70]
Diezelfde dag stuurt [medeverdachte 13] berichten met [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ) door aan [verdachte] . In een van de berichten staat dat hij ( [medeverdachte 13] ) nu 40 heeft en er een groot bedrag komt. [medeverdachte 8] zegt daarop dat hij ze meer had beloofd, waarop [medeverdachte 13] zegt dat hij zijn vriend is, maar buiten de afspraken met [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) staat en hij geen druk wil voelen en alleen probeert te helpen. [71]
Op 12 april 2020 zegt [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) tegen [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) dat dinsdag zijn laatste stukkies weg gaan. Dan heeft hij alleen nog 12/13 URSUL over. Daarna kan hij weer aannemen. Hij kan het alleen wel goedkoper pakken, dus de prijs moet omlaag om bij [medeverdachte 3] te pakken. [72] Deze berichten stuurt [verdachte] (deels) door naar [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ). Vervolgens zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 13] dat als dinsdag alles weg is ze hem ( [medeverdachte 3] ) gewoon de keus geven en dat ze het anders ergens anders gaan pakken. Ze kunnen ook weer bolli pakken die is goed en er zijn geen klachten. [verdachte] gaat dat pas doen als [medeverdachte 3] bij zijn prijs blijft. Als hij zijn prijs laat zakken pakken ze het bij hem. [73]
Op 16 april 2020 laat [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) aan [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) weten dat hij net [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) heeft gezien en dat het ‘tp swe’ gisteren bij aankomst is gepakt. Het ging om 43, waarvan er 26 van [medeverdachte 3] waren. Vervolgens zegt [verdachte] dat ze er 50/100 willen nemen voor 26 en dat hij ( [medeverdachte 3] ) dat met de collos (het hof begrijpt: Colombianen) gaat overleggen. [74]
Bij navraag via Europol bij de opsporingsautoriteiten in Zweden is gebleken dat op 15 april 2020 in Malmö een partij van 43 kilo cocaïne is aangetroffen en in beslaggenomen. De in Zweden in beslaggenomen blokken cocaïne hadden het logo URUS. [75]
Tussenconclusie
Het hof leidt uit de berichten af dat [verdachte] en [medeverdachte 13] cocaïne kopen en verkopen. Zij kopen onder andere cocaïne van [medeverdachte 3] , met wie zij regelmatig over de koopprijs onderhandelen. (Een deel van) de koopsom gaat (nog steeds) naar [medeverdachte 8] om daarvan de kosten voor de opslag van dragermateriaal (steenkool) te voldoen. Dit doen ze om [medeverdachte 3] te helpen. Verder blijkt uit de berichten dat [medeverdachte 3] aan [verdachte] heeft gevraagd of hij een cocaïne transport naar Zweden kan regelen.
Berichten over een overval
Op 4 mei 2020 vraagt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) of ze klaar zijn voor [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) en stelt voor om te vagen of ze nieuwe voor 25.75 kunnen krijgen. [verdachte] reageert daarop met de mededeling dat [bijnaam 9] elk moment krijgt. Hij pakt ook weer 8 bij anti op 26. Ze hebben genoeg voor de komende dagen. [verdachte] gaat 400 aan [medeverdachte 3] geven. Ze pakken alles. Dat zijn er 68. [verdachte] kan er misschien 40 al meteen wegdoen. [76]
Op 5 mei 2020 vraagt de gebruiker van EncroChat account [EncroChat-account 22] aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) of hij bolli spullen heeft. Iemand zoekt rond 80st. [verdachte] heeft alleen collo. Op 13 mei 2020 vraagt [verdachte] of [EncroChat-account 22] een foto heeft van stukkie met 30% mix. [EncroChat-account 22] stuurt vervolgens een aantal foto’s van witte blokken met opdruk (het hof begrijpt: foto’s van blokken cocaïne) met de reactie 800 maar niet top spullen. [77]
In een bericht van 8 mei 2020 zegt [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) tegen [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) dat de 68 morgen worden opgehaald. [78]
Op 9 mei 2020 vraagt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) of [bijnaam 9] onderweg is naar [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ). [verdachte] bevestigt dit. Uit berichten tussen [medeverdachte 13] en [verdachte] blijkt vervolgens dat ze zijn beroofd (‘ [bijnaam 9] beroofd van alles’). Hij wou wegrijden en doet de garagedeur open en ze kwamen naar binnen. Er zijn 80 stukkies weg en 131k (het hof begrijpt: 80 kilo cocaïne en 131.000 euro). Er waren er 67 gehaald (het hof begrijpt: bij [medeverdachte 3] ) en de rest lag er nog. [79] Uit verdere berichten blijkt dat er camerabeelden [80] zijn van de overval. Op de camerabeelden zijn een Audi en een Volvo [81] te zien. Op 9 mei 2020 laat [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) aan [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) weten dat ze de platen van de Volvo hebben en ze de kentekenplaten gaan opvragen. Ook vraagt hij aan [medeverdachte 3] of hij soldaten klaar heeft. [medeverdachte 3] laat weten dat als het moet hij meteen jongens klaar heeft. [82] [medeverdachte 13] houdt [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ), die van [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) heeft gehoord wat er is gebeurd op de hoogte. [83]
Op 10 mei 2020 deelt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) mee dat hij tegen [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) heeft gezegd dat als de auto’s niet gestolen zijn hij een team klaar moet maken en (ze) op moet gaan halen. [84] In een daarop volgend bericht zegt [medeverdachte 13] tegen [verdachte] dat [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) met de colos (het hof begrijpt: Colombianen) moet praten en moet vertellen wat er is gebeurd. Als ze dan weer gaan draaien moeten ze voor hem en [verdachte] iets opzij zetten, want [medeverdachte 3] kan ook tegen colos zeggen dat ze van hem hebben gepikt. [85] Uit verdere berichten volgt dat [medeverdachte 13] er achter is gekomen op welke naam de Audi staat. [verdachte] vraagt of hij dit al aan [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) heeft doorgegeven, maar dat is niet het geval. [86] Om 16.03 uur laat [verdachte] weten dat hij bij [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) is aangekomen. [87]
Die avond laat [verdachte] weten dat de loods van ‘ [bijnaam 9] ’ weg moet en dat hij een nieuwe kan nemen als hij wil. [88] Ook laat [verdachte] weten dat het dossier van de Audi is opgevraagd en hij morgenochtend van [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) gps krijgt die ze er onder gaan plakken. [89]
Op 11 mei 2020 stuurt [EncroChat-account 3] ( [medeverdachte 13] ) berichten met [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) door aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ). In die doorgestuurde berichten laat [medeverdachte 3] weten dat de Nederlandse jongen met de Audi er 100% zeker mee te maken heeft en dat hij (het hof begrijpt: de jongen van de Audi) hen bij de opdrachtgever brengt. Ook zegt [medeverdachte 3] dat een hij een hele goede politiemedewerker heeft, waarna [medeverdachte 13] zegt dat er 1 binnen is geweest zonder handschoen en hij weet dat de politie kits heeft om vingerafdrukken te nemen, maar dat dat niet makkelijk is als je niemand bij de popo (het hof begrijpt: politie) hebt. [verdachte] laat vervolgens weten dat hij naar [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) gaat en de gps gaat halen. [90] Die avond laat [verdachte] aan [medeverdachte 13] weten dat hij crisp heeft gezien, maar dat die geen focus heeft want zijn maatje is gisteren doodgeschoten. Hij kan wel een team regelen die ze ophaalt, maar hij kan niet alles doen. Vervolgens zegt [verdachte] dat hij denkt dat mensen van buitenaf alleen werkt al je 100 % de dader hebt en dat je anders beter met iemand van hier zoals [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) kunt werken. [verdachte] stelt voor om [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) te vragen. [bijnaam 4] moet dan gewoon doen of het zijn stukkies zijn. [verdachte] en [medeverdachte 13] willen eenmalig alle info die ze hebben aan [medeverdachte 3] geven en dan neemt hij de regie over. [91] Vervolgens stelt [medeverdachte 13] voor om de volgende tekst naar [medeverdachte 3] te sturen: ‘maat jonge die voor ons team zo klaar zetten kan even niets doen verlopig, denk je zal gelezen hebben hebben gisteren in onze stad zijn beste maar (het hof begrijpt: maat) dood geschoten, als jij zegt je heb een goed team geven we alle info die we hebben, en stel je heb groot gedeelte terug zeg jij dan maar wat te doen’. Even later bericht [medeverdachte 13] aan [verdachte] dat [medeverdachte 3] heeft gezegd dat het ramadan is en dat dan niemand wil werken. [verdachte] zegt vervolgens dat hij de gps eronder gaat doen. [92]
Op 12 mei 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 13] wat [medeverdachte 3] heeft gezegd over het verlies. [medeverdachte 13] antwoordt hierop dat [medeverdachte 3] niets heeft gezegd, maar dat hij ( [medeverdachte 13] ) ervan uitgaat dat alles aan [medeverdachte 3] teruggeven moet worden. Hij hoopt met de colos te kunnen praten om iets te regelen qua prijs of wat extra mee te lopen. [verdachte] stelt voor om [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ) elke week 100k te geven om makkelijker door te kunnen werken. Verder zegt [verdachte] dat ze over eventuele compensatie nu misschien al moeten beginnen. [verdachte] stelt voor om het volgende te zeggen: ‘maat eerste rondje hebben we netjes alle kosten mee betaald maar je weet is ook mijn contact dus met tweede lading verdien jij sowieso op % van collos… Zorg dan dat wij gewoon netto krijgen wat we meelopen zonder kosten’. [93]
Tussenconclusie
Uit de berichten leidt het hof af dat ‘ [bijnaam 12] ’ cocaïne bij [medeverdachte 3] heeft opgehaald en dat hij kort daarna in een loods is overvallen. [medeverdachte 13] en [verdachte] roepen vervolgens de hulp van [medeverdachte 3] in om de cocaïne terug te bemachtigen en met de Colombianen (Collos/colos) iets te regelen, waardoor ze door kunnen werken. Uit de berichten blijkt verder dat er al langer wordt samengewerkt en dat ze hopen de samenwerking voort te zetten.
Berichten over een nieuwe locatie
Op 9 juni 2020 laat [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) aan [EncroChat-account 2] ( [verdachte] ) weten dat ze zijn begonnen met bouwen en dat hij echt geld nodig heeft. Hij heeft [bijnaam 11] ( [medeverdachte 13] ) een bericht gestuurd, maar die reageert niet. [verdachte] gaat kijken wat er volgende week komt en vraagt of [medeverdachte 3] liquids (het hof begrijpt: chemische middelen) nodig heeft. [medeverdachte 3] zegt dat hij die ook nodig heeft. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 3] precies moet aangeven wat hij nodig heeft en dat zij daar dan voor zullen zorgen. [94]
Op 12 juni 2020 om 12.29 uur vraagt [EncroChat-account 17] ( [medeverdachte 13] ) aan [EncroChat-account 14] ( [medeverdachte 8] ) of hij contact heeft gehad met [bijnaam 4] ( [medeverdachte 3] ). [medeverdachte 8] laat hem vervolgens weten dat dit het geval is dat hij ( [medeverdachte 3] ) aan hem pap gaat sturen om een vrachtwagen te kopen. Op diezelfde dag laat [EncroChat-account 8] ( [medeverdachte 3] ) aan [EncroChat-account 1] ( [verdachte] ) weten dat hij een grote vrachtwagen heeft gekocht en dat [bijnaam 8] ( [medeverdachte 8] ) dat heeft geregeld. [95]
Tussenconclusie
Het hof leidt uit de berichten af dat [verdachte] weet dat [medeverdachte 3] een nieuwe locatie voor de productie van cocaïne gevonden heeft en is begonnen met verbouwen. [verdachte] kan chemische middelen regelen, maar [medeverdachte 3] moet dan wel aangeven wat hij nodig heeft.
Juridisch kader
Artikel 11b van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 Sr Pro. Dat betekent dat voor de betekenis van de bestanddelen van art. 11b Opiumwet aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 140 Sr Pro. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr Pro. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang).
Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr Pro is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr Pro is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Conclusie
Uit de bewijsmiddelen – ook die ten aanzien van het cocaïnelaboratorium en het witwassen – volgt, samengevat, dat [verdachte] al langere tijd in georganiseerd verband actief was in de handel in cocaïne. Hij werkte daarbij intensief samen met [medeverdachte 13] , maar ook met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , een persoon die [bijnaam 9] / [bijnaam 12] werd genoemd en onbekend gebleven afnemers in onder andere Engeland. [verdachte] en [medeverdachte 13] verkochten cocaïne vanuit hun eigen voorraad, kochten en verkochten door [medeverdachte 3] geproduceerde cocaïne van en voor [medeverdachte 3] en leverden cocaïne aan partners in Engeland.
Van [medeverdachte 3] was [verdachte] niet slechts een afnemer. Ze hadden veelvuldig contact over de kwaliteit en presentatie van door [medeverdachte 3] geproduceerde cocaïne, kennelijk zodat dit beter zou verkopen. [bijnaam 9] / [bijnaam 12] haalde meerdere keren cocaïne op bij [medeverdachte 3] . In dat verband hadden [verdachte] en [medeverdachte 13] de beschikking over een loods. Toen [bijnaam 9] / [bijnaam 12] daar werd beroofd, onder meer van door [medeverdachte 3] geproduceerde cocaïne, hielden [verdachte] en [medeverdachte 13] [medeverdachte 3] op de hoogte en riepen zij zijn hulp in bij het terughalen van de buit. Zij hoopten dat de langdurige samenwerking ondanks het verlies voortgezet kon worden.
Daarnaast speelde [verdachte] en [medeverdachte 13] een rol bij het oplossen van een probleem tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 8] , een contact van [medeverdachte 13] , had voor [medeverdachte 3] onder meer een loods geregeld voor de opslag van dragermateriaal (steenkool). Toen [medeverdachte 3] de kosten daarvan niet kon voldoen riep hij de hulp van [verdachte] en [medeverdachte 13] in. Zij verkochten cocaïne voor [medeverdachte 3] en gaven een deel van de opbrengst aan [medeverdachte 8] , die daarvan in termijnen de kosten van de opslag betaalde. [verdachte] onderhield hierover intensief contact met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 13] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 13] onderhielden contact met [medeverdachte 8] en hielden [verdachte] hiervan op de hoogte. Ook riep [medeverdachte 3] de hulp van [verdachte] in voor een transport naar Zweden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] een vaste afnemer was van door [medeverdachte 3] geproduceerde cocaïne. Hij had een sturende en initiërende rol. Hij besliste samen met [medeverdachte 13] of en hoeveel cocaïne er werd afgenomen en onderhandelde over de prijs. Hij regelde de gang van zaken en zocht kopers voor door [medeverdachte 3] geproduceerde cocaïne. [verdachte] trad op als groothandelaar of leverancier.
Gelet op deze vaststelling was sprake van een duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. In zoverre kan feit 3 bewezen worden.

10.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 3 en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A
3.
hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 augustus 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.
4. primair
hij in de periode van 27 maart 2020 tot en met 16 april 2020 in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een andere of anderen, op de hierna te noemen dagen een voorwerp, te weten een contant geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden gehad:
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 90.000 pond en/of
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 180.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 199.060 euro en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 195.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 263.000 pond en/of
- op of omstreeks 11 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 22.500 pond en/of
- op of omstreeks 14 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 17.250 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 74.000 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 281.500 pond,
terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf.
4. subsidiair
hij in de periode van 27 maart 2020 tot en met 16 april 2020 in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op de hierna te noemen dagen een contant geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden gehad dat onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf, te weten:
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 90.000 pond en/of
- op of omstreeks 27 maart 2020 een bedrag van (ongeveer) 180.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 199.060 euro en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 195.000 pond en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 263.000 pond en/of
- op of omstreeks 11 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 22.500 pond en/of
- op of omstreeks 14 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 17.250 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 74.000 pond en/of
- op of omstreeks 16 april 2020 een bedrag van (ongeveer) 281.500 pond.
Hetgeen in zaak A onder 3 en 4 primair en subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage.

11.Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Zoals reeds overwogen kan het in zaak A onder 4 primair bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd als (schuld)witwassen als bedoeld in artikel 420bis en 420quater Sr. De verdachte dient daarom ter zake van dit bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.
Het in zaak A onder 4 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd.

12.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

13.Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor de in zaak A onder 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft geëist dat de verdachte voor de in zaak A onder 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot de door de rechtbank opgelegde straf.
De raadsvrouw heeft verzocht de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep te compenseren in de strafmaat. Zij heeft naar voren gebracht dat de lange procedure en onzekerheid over de uitkomst van de strafzaak een grote impact hebben gehad op de verdachte en zijn gezin. Tenslotte heeft zij opgemerkt dat de verdachte een blanco strafblad heeft.
Het hof heeft de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte was langere tijd in georganiseerd verband actief in de handel in verdovende middelen, waarbij hij grote hoeveelheden cocaïne heeft gekocht, verkocht en geleverd aan partners in onder andere Engeland. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van gebruikers van deze middelen. De handel in verdovende middelen gaat bovendien gepaard met diverse andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit en levert overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving op. Een en ander wordt bevestigd in onderhavige zaak. Uit het dossier blijkt niet alleen dat de verdachte en zijn kompanen zelf zijn beroofd van een groot geldbedrag en cocaïne, maar ook dat de zij bereid waren vergaande maatregelen te nemen om de gestolen spullen terug te krijgen.
Bovendien corrumpeert het met drugshandel behalen van grote criminele winsten en het witwassen daarvan het financiële verkeer.
Door deel te nemen aan de georganiseerde handel in cocaïne heeft de verdachte zijn eigen geldelijke gewin boven de gezondheid van de afnemers en de belangen van de maatschappij gesteld.
Op feiten van deze orde kan slechts worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de precieze duur van de gevangenisstraf heeft het hof gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de rol van de verdachte en de straffen die in de zaken van medeverdachten zijn opgelegd. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren in beginsel passend.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 31 maart 2022 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 26 juni 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met 2 jaar en bijna 3 maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf met 7 maanden zal worden gematigd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 5 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.

14.Beslag

De rechtbank heeft beslist tot de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen aan de verdachte. De rechtbank heeft geen beslissingen genomen ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ‘klassiek’ beslag dat rust op het gelbedrag van € 43.725,00 dient te worden opgeheven. De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat op dit bedrag wel nog conservatoir beslag rust en heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het beslag.
Het hof overweegt ten aanzien van de in beslag genomen patronen als volgt. Het hof stelt vast dat deze patronen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro. Het beslag is daarom ingevolge artikel 134, tweede lid onder c, Sv beëindigd. Dat laat echter onverlet dat het hof daarover op grond van artikel 353, eerste lid, Sv een beslissing moet nemen, nu geen last tot teruggave is gegeven. Juridisch is verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer echter niet mogelijk en zou moeten worden beslist tot teruggave aan de verdachte. Dat kan niet de bedoeling zijn. Overigens heeft de verdachte ook niet verzocht om teruggave van de patronen. De enige rechtens toegestane en verantwoorde beslissing die het hof kan nemen is bevelen dat deze voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende (artikel 353, tweede lid, onder c, Sv). Het openbaar ministerie kan dan te zijner tijd, wanneer de daarvoor geldende bewaartermijn is verstreken, alsnog een beslissing nemen met betrekking tot deze voorwerpen, die erop neerkomt dat de voorwerpen alsnog aan het verkeer worden onttrokken.
Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen en voorwerp aan de verdachte dienen te worden teruggegeven:
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 1] , t.w.v. € 29.000,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 2] , t.w.v. € 2.450,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 3] , t.w.v. € 365,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 4] , t.w.v. € 8.000;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 5] , t.w.v. € 2.000;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, t.w.v. € 1.910;
  • Geld buitenlands, [beslagnummer 6] 4x2000, 6x1000, 1x200 kaapv;
  • 1 STK Schilderij, [beslagnummer 7] , [beslagnummer 8] in zalm deken.
Voor de volledigheid merkt het hof op dat er conservatoir beslag is gelegd op de euro-geldbedragen en het schilderij, zodat deze niet zonder meer aan de verdachte worden teruggegeven, maar eventueel worden uitgewonnen ter verhaal van de opgelegde ontnemingsmaatregel. Het conservatoir beslag blijft van rechtswege in stand zodat het hof daaromtrent geen beslissing kan nemen.

15.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 36b, 47, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

16.BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder feit 1 en feit 5, zesde gedachtestreepje en in het in zaak B tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak met parketnummer A onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging.
Verklaart het in zaak A onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren en 5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 1] , t.w.v. € 29.000,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 2] , t.w.v. € 2.450,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 3] , t.w.v. € 365,-;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 4] , t.w.v. € 8.000;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, [beslagnummer 5] , t.w.v. € 2.000;
  • Geld Euro, IBN-datum 15-11-2020, t.w.v. € 1.910;
  • Geld buitenlands, [beslagnummer 6] 4x2000, 6x1000, 1x200 kaapv;
  • 1 STK Schilderij, [beslagnummer 7] , [beslagnummer 8] in zalm deken.
Beveelt de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2 STK Patroon, [beslagnummer 9] .
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. J. Piena en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld recent ECLI:NL:HR:2026:650, r.o. 2.2 en 3.4.
2.Het hof gebruikt hier de term brondata, omdat het NFI deze term gebruikt voor de data die in het forensische onderzoeksysteem Hansken is geladen en de bron vormt voor daaruit verkregen bewijs, zoals gepresenteerd in door de politie opgemaakte processen-verbaal van bevindingen.
3.Rockdale 2, Algemeen dossier, proces-verbaal van bevindingen ‘gebruik data 26Lemont’, pag. 203-204.
4.ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.6.
5.Zie daarvoor ook het in voetnoot 9 genoemde rapport van het NFI.
6.ECLI:CE:ECHR:2023:0926JUD001566920
7.NFI-rapport ‘Sporenbeschrijving van EncroChat uit de 26Lemont gegevens in Hansken’ van 17 maart 2021 zoals (o.a.) opgenomen in de Binder 26Lemont, pag. 156 ev. Deze binder is – niet doorgenummerd – aan het dossier toegevoegd.
8.Vgl. ECLI:NL:RBROT:2022:2805, r.o. 6.2.3.
9.NFI-rapport ‘Onderzoek naar volledigheid en correctheid van Encrochatberichten verzameld met een technisch hulpmiddel’ van 25 januari 2021, zoals (o.a.) opgenomen in de Binder 26Lemont, pag. 140 ev.
10.Proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris, van ‘getuige-deskundige NFI [nummer 4] ’ van 29 oktober 2021, niet doorgenummerd.
11.Vgl. ECLI:NL:HR:2024:192, r.o. 6.2.3.
12.Het bewijs dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd is gegrond op de feiten en omstandigheden, zoals daarvan blijkt uit de bewijsmiddelen. Deze redengevende feiten en omstandigheden zijn zo nauwkeurig, maar omwille van de leesbaarheid ook zo kort mogelijk opgenomen in de bewijsoverwegingen. Ten aanzien van het bewezenverklaarde wordt in voetnoten verwezen naar de bewijsmiddelen. Dat zijn, tenzij anders vermeld, telkens in de wettelijk vorm opgemaakte processen-verbaal. Een (groot) aantal keren heeft het hof, na controle van de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal of geschriften, uit overwegingen van efficiënte verwezen naar een proces-verbaal van relaas. Het hof heeft voor het gebruik van voetnoten gekozen, omdat het overgrote merendeel van de uit het politieonderzoek blijkende feiten en omstandigheden niet door de verdachte is bestreden. Ten aanzien van feit 4 zijn de bewijsmiddelen wel uitgewerkt in een bijlage bij dit arrest.
13.Proces-verbaal van bevindingen ‘Identificatie ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’ als [verdachte] ’ van 20 oktober 2020, PD [verdachte] . pag. 3-6.
14.Zie pleitnota in hoger beroep, pag. 19, laatste alinea.
15.Verklaring van [verdachte] , afgelegd te terechtzitting in hoger beroep op 26 mei 2026.
16.Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse mastlocaties IMEI-nummer [mapnaam] en vergelijking locatie met foto’s Iphone 12’ van 26 maart 2021, PD [verdachte] 1e aanvulling, pag. 151-181.
17.Zie pleitnota in hoger beroep, pag. 21 onderaan.
18.Proces-verbaal van bevindingen ‘Encrochat berichten [EncroChat-account 1] – [EncroChat-account 6] ’ van 7 april 2021, ZD Verenigd Koninkrijk, pag. 83.
19.Verklaring van [verdachte] , afgelegd te terechtzitting in hoger beroep op 26 mei 2026.
20.Rockdale 2 Algemeen dossier (AD), Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 8] als [medeverdachte 3] ’ van 9 juli 2020, pag. 61-72.
21.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 10] als [medeverdachte 4] van 22 juli 2020 pag. 79-81.
22.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 11] als [medeverdachte 5] van 17 juli 2020, pag. 91-94.
23.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van bevindingen [medeverdachte 5] is [bijnaam 5] van 22 januari 2021, pag. 223-225.
24.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 12] als [medeverdachte 7] van 9 juli 2020, pag. 95-99.
25.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 13] als [medeverdachte 6] van 23 juli 2020, pag. 88-90.
26.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 14] als [medeverdachte 8] van 3 augustus 2020, pag. 100-106.
27.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 15] als [medeverdachte 2] , pag. 127-132.
28.Rockdale 2 AD, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 16] als [medeverdachte 10] met nummer van 21 juli 2020, pag. 107-109.
29.Rockdale 2 AD, deel 4, Proces-verbaal van identificatie [EncroChat-account 3] als [medeverdachte 13] , pag. 2339.
30.Proces-verbaal van bevindingen ‘Encrochat-gebruiker [EncroChat-account 17] @encrochat.com/ [medeverdachte 13] (los verstrekt).
31.Rockdale 2 ZD Manege, Proces-verbaal van relaas van 27 april 2021 (kopje KvK en kadaster [bedrijfsnaam] ), pag. 17 en 18.
32.ZD Nijenveen 02, Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 20 augustus 2020, pag. 537-540.
33.Rockdale 2 ZD Manege, Proces-verbaal van relaas van 27 april 2021 (kopje Binnentreden en aanhouding [adres 4] Nijeveen), pag. 19.
34.ZD Manege, Proces-verbaal van relaas van 27 april 2021 (kopjes Omschrijving cocaïnelaboratorium/wasserij en Situatietekening cocaïnelaboratorium/wasserij), pag. 19 en 20.
35.Rockdale 2 ZD Manege, deel 1, Proces-verbaal LFO 1e bevindingen van 19 augustus 2020, pag. 1141.
36.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 3 september 2020, PD [medeverdachte 2] , pag. 442-446.
37.ZD Manege, proces-verbaal van relaas van 27 april 2021 (kopje NFI rapportage [adres 4] te Nijeveen), pag. 22.
38.Rockdale 2 ZD Manege, Proces-verbaal van relaas d.d. 27 april 2021 (kopje NFI rapportage [adres 4] te Nijeveen), pag. 22.
39.Rockdale 2, ZD Manege, Proces-verbaal LFO 1e bevindingen van 19 augustus 2020, pag. 1138 en een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op 7 augustus 2020 op de locatie [adres 4] te Nijeveen’ d.d. 10 augustus 2020, bijlage bij Proces-verbaal LFO 1ste bevindingen, pag. 1148.
40.Rockdale 2 ZD Manege, proces-verbaal van relaas d.d. 27 april 2021, pag. 18 en 19, bovenaan.
41.ZD Apeldoorn, een geschrift, te weten een huurovereenkomst [adres 3] in Apeldoorn van 15 mei 2020, p. 158-168.
42.Rockdale 2 ZD Manege, proces-verbaal van relaas d.d. 27 april 2021, pag. 23.
43.ZD Apeldoorn, Proces-verbaal van bevindingen LFO van 20 augustus 2020, pag. 170 – 173 en een geschrift, te weten een Onderzoekcertificaat van het NFI van 11 december 2020, pag. 226 - 227.
44.ZD Apeldoorn, een geschrift, te weten een Onderzoekscertificaat van het NFI van 20 april 2021, pag. 480-481.
45.ZD Carbon, Proces-verbaal van bevindingen aantreffen briefjes op BigBags van 9 december 2020, pag. 445 - 446.
46.ZD Carbon, Proces-verbaal van relaas van 30 maart 2021, pag. 13 en 14 (kopje Aankomst 6 partijen containers).
47.ZD Carbon, pag. 195 t/m 199.
48.Zie voetnoot 61 ( [bijnaam 10] = [bijnaam 8] ).
49.ZD Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 326
50.ZD Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 328 en 329
51.Rockdale 1 ZD Manege bijlage 1, pag. 330
52.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 222 en 334.
53.ZD Zweden, pag. 79.
54.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 222 en 223.
55.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 335 t/m 338.
56.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 339
57.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 341.
58.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 341.
59.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2333 en 2334
60.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 342.
61.Rockdale 2 ZD Manege, bijlage 4, pag. 2320.
62.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 342.
63.ZD Zweden, pag. 80.
64.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 343.
65.ZD Zweden, pag. 80.
66.ZD Manege, proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse chatberichten van [medeverdachte 3] als gebruiker van de gebruikersnamen [EncroChat-account 7] en [EncroChat-account 8] ’ van 15 juli 2020, pag. 232.
67.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 346
68.Rockdale ZD Manege, bijlage 1, pag. 221 t/m 226.
69.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 345.
70.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 347.
71.Rockdale ZD Manege, bijlage 1, pag. 348
72.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 228.
73.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 352 en 353.
74.Rockdale 1 ZD Manege, bijlage 1, pag. 355.
75.ZD Zweden, pag. 8.
76.Rockdale ZD Manege, bijlage 1, pag. 357 en 358.
77.Rockdale ZD Manege, bijlage 1, pag. 365 en 366.
78.Rockdale ZD Manege, bijlage 1, pag. 360.
79.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2345.
80.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2347.
81.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2348.
82.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2349.
83.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2347, 2349 en 2350.
84.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2350.
85.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2356.
86.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2357.
87.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2360.
88.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag 2361.
89.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2362.
90.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2376 en 2377.
91.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2381 en 2382.
92.Rockdale 2 ZD Manege, deel 4, pag. 2383.
93.Rockdale 2 ZD Manege, bijlage 4, pag. 2393.
94.Rockdale 2 ZD Manege, bijlage 1, pag. 262 en 263.
95.Rockdale ZD Manege bijlage 1, pag. 160 en 161.