Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in aanbouw per 1 januari 2023. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar mocht de waarde baseren op de aankoopprijs van het perceel vermeerderd met sloop- en saneringskosten.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Het Hof overwoog dat de bewijslast rust op de heffingsambtenaar om aan te tonen dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met de grondwaarde en 20% van de bouwkosten van de woning in aanbouw, wat het Hof aannemelijk achtte.
Belanghebbende stelde dat de waarde niet hoger mocht zijn dan de grondwaarde, omdat de oude woning was gesloopt en de nieuwe woning nog niet gereed was. Het Hof verwierp dit en benadrukte dat de waarde van het object als geheel moet worden bepaald, waarbij de samenstellende onderdelen slechts hulpmiddelen zijn.
Het Hof volgde de rechtbank ook in het oordeel dat de aankoopprijs een goed uitgangspunt is, mede omdat belanghebbende geen feiten had gesteld die een lagere waarde aannemelijk maken. De investeringen in sloop en bouw werden als rendabel en waardeverhogend gezien.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.