Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1550

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.353.171/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:613 BWArt. 7:625 BWArt. 7:662 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dynamisch incorporatiebeding blijft van kracht na overgang onderneming, werkgever niet bevoegd tot eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden

De zaak betreft een geschil tussen Prothya Biosolutions Netherlands B.V. en een werknemer over de toepassing van een dynamisch incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst na de overgang van Sanquin Plasma Products B.V. naar Prothya per 1 januari 2021.

De werknemer vordert dat Prothya gehouden is de huidige en toekomstige cao’s van Sanquin na te leven op grond van het dynamisch incorporatiebeding. Prothya stelt zich op het standpunt dat zij gerechtigd is de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen en de cao niet meer hoeft toe te passen.

De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer toe en wees de vordering van Prothya af. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het dynamisch incorporatiebeding in beginsel overgaat op de verkrijger bij overgang van onderneming. De verkrijger heeft voldoende wijzigingsmogelijkheden op grond van het nationale recht, maar in dit geval is niet voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op eenzijdige wijziging.

Het hof oordeelt verder dat de werknemer niet gehouden is in te stemmen met de arbeidsvoorwaardenregeling (AVR) die Prothya wil toepassen in plaats van de cao, mede omdat de cao meer zekerheid biedt en Prothya zelf heeft geaccepteerd dat verschillende arbeidsvoorwaarden naast elkaar kunnen bestaan. De vorderingen van Prothya worden afgewezen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het dynamisch incorporatiebeding blijft gelden en wijst de vordering van Prothya tot eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.353.171/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10892885 \ CV EXPL 24-837
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
PROTHYA BIOSOLUTIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. L.I. Hofstee te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: mr. A. Gündogan te Tilburg.
Partijen worden hierna Prothya en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] was in dienst bij Sanquin Plasma Products B.V. In zijn arbeidsovereenkomst, waarop de cao van Sanquin van toepassing is verklaard, staat een dynamisch incorporatiebeding. Per 1 januari 2021 zijn de aandelen van SPP overgedragen aan Prothya. [geïntimeerde] vordert een verklaring voor recht en nabetaling van diverse bedragen omdat Prothya als gevolg van het dynamisch incorporatiebeding gehouden zou zijn de huidige en toekomstige cao’s van Sanquin na te leven. Het hof is van oordeel dat het dynamisch incorporatiebeding zijn werking heeft behouden en dat de vorderingen van [geïntimeerde] toewijsbaar zijn. De vordering van Prothya om voor recht te verklaren dat zij gerechtigd is de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] eenzijdig te wijzigen, wordt afgewezen.

2.Het geding in hoger beroep

Prothya is bij dagvaarding van 28 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 december 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie en Prothya als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 22 april 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 4 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met één productie;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Op 27 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft onder 2.1. t/m 2.9. de feiten vastgesteld waarvan hij in het bestreden vonnis is uitgegaan. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, waar nodig aangevuld met andere feiten die (als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist) zijn komen vast te staan.
3.1.
[geïntimeerde] is met ingang van 26 augustus 2013 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Sanquin Plasma Products B.V. (hierna: SPP). De functie van [geïntimeerde] was [functie] ( [functie] ). Het maandsalaris van [geïntimeerde] bedroeg laatstelijk € 2.028,29 bruto, exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, onregelmatigheidstoeslag (ORT) en overige emolumenten, op basis van een arbeidsomvang van 24 uur per week.
3.2.
Prothya produceert en distribueert geneesmiddelen voor zorginstellingen en patiënten, nationaal en internationaal. Bij Prothya werken ongeveer 570 medewerkers. Voorheen was Prothya onderdeel van Stichting Sanquin (hierna: Sanquin), de organisatie die in Nederland bloed(producten) levert. In 2018 is Prothya verzelfstandigd en ondergebracht in SPP. Per 1 januari 2021 zijn de aandelen in SPP overgedragen aan Prothya. Daarbij is afgesproken om de overdracht aan te merken als een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW), zodat de daarop betrekkende regelgeving van overeenkomstige toepassing is.
3.3.
De arbeidsovereenkomst die [geïntimeerde] destijds met SPP is aangegaan bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW Pro. De cao Sanquin is op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. In artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst is een dynamisch incorporatiebeding opgenomen, dat als volgt luidt:
“De CAO zoals deze luidt of zal komen te luiden en de krachtens die CAO vastgestelde arbeidsvoorwaarden vormen met deze arbeidsovereenkomst één geheel.”
3.4.
Bij de overname door Prothya in 2021 zijn procesafspraken gemaakt tussen Prothya en de vakbonden CNV en FNV. Onderdeel van deze afspraken is dat Prothya na de aandelenoverdracht de cao Sanquin met een looptijd van 1 april 2019 tot 31 december 2020 (hierna: de Cao) blijft toepassen op de werknemers die reeds voor de verzelfstandiging in dienst waren van SPP. Volgens deze afspraken blijft de Cao van toepassing op deze medewerkers zolang er geen nieuwe cao is.
3.5.
In februari 2023 is Prothya een arbeidsvoorwaardenregeling (hierna: AVR) overeengekomen met de ondernemingsraad. De nieuwe AVR is (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2023 ingevoerd. Aan de werknemers die dit aanging is gevraagd om voor 31 maart 2023 een keuze te maken tussen de Cao en de AVR. Daarbij heeft Prothya te kennen gegeven dat zij niet gehouden is de opvolgende versies van de Cao toe te passen. [geïntimeerde] heeft laten weten te kiezen voor de Cao.
3.6.
Nadat Prothya is verzelfstandigd is bij Sanquin twee keer een nieuwe cao overeengekomen tussen Sanquin en de vakbonden: de cao Sanquin met een looptijd van 1 januari 2021 tot 1 januari 2023 en de cao Sanquin met een looptijd van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024.
3.7.
Prothya heeft in 2021 en 2022 het salaris van alle medewerkers, ook dat van [geïntimeerde] , verhoogd c.q. geïndexeerd. Vanaf 2023 was dat bij [geïntimeerde] niet meer het geval en is zijn salaris door Prothya “bevroren”.
3.8.
[geïntimeerde] is per 1 oktober 2025 uit dienst bij Prothya op grond van bedrijfseconomische redenen.
3.9.
Ter zitting in hoger beroep heeft Prothya te kennen gegeven dat er thans nog veertien medewerkers zijn die voor de Cao hebben gekozen in plaats van voor de AVR.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
i. te verklaren voor recht dat conform het dynamisch incorporatiebeding van artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst Prothya gehouden is de huidige evenals alle toekomstige versies van de Cao na te leven, zolang de arbeidsvoorwaarden tussen partijen rechtens niet zijn aangepast;
ii. Prothya te veroordelen het salaris met ingang van 1 februari 2023 te verhogen naar € 2.129,70 bruto per maand en het daarbij behorende achterstallig salaris, te weten € 912,69 bruto, te voldoen binnen tien dagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro met 50% en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
iii. Prothya te veroordelen het salaris met ingang van 1 november 2023 te verhogen naar € 2.236,19 bruto per maand en het daarbij behorende achterstallig salaris tot heden te voldoen binnen tien dagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro met 50% en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
iv. Prothya te veroordelen het Keuzebudget respectievelijk per 1 februari 2023 en per 1 november 2023 naar rato van de salarisverhogingen, te weten telkens 5%, te verhogen binnen tien dagen na het te wijzen vonnis en onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,- per dag;
v. Prothya te veroordelen tot het opnieuw berekenen van de uit te betalen ORT over de periode 1 februari 2023 tot en met heden, rekening houdend met de salarisverhogingen per 1 februari 2023 en 1 november 2023, binnen tien dagen na het te wijzen vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag;
vi. Prothya te veroordelen tot het doen uitbetalen van het onder v. berekende bedrag aan [geïntimeerde] met de eerstvolgende salarisronde volgend op het te wijzen vonnis en vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro met 50% en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
vii. Prothya te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
Aan zijn vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat het dynamisch incorporatiebeding ook na overgang naar Prothya van toepassing is gebleven, zodat Prothya onverminderd gehouden is de huidige en toekomstige versies van de Cao toe te passen. Prothya heeft de vorderingen bestreden en een vordering in voorwaardelijke reconventie ingesteld. Voor zover de kantonrechter zou oordelen dat Prothya op basis van het dynamisch incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] verplicht is de opvolgende Cao’s toe te passen, heeft Prothya gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Prothya gerechtigd is de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op de voet van artikel 7:611 BW Pro eenzijdig te wijzigen, in dier voege dat de AVR op de arbeidsovereenkomst tussen Prothya en [geïntimeerde] van toepassing is vanaf 1 januari 2023, althans vanaf het te wijzen vonnis, en dat Prothya niet gehouden is de arbeidsvoorwaarden uit de opvolgende Cao’s toe te passen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. [geïntimeerde] heeft de vordering in voorwaardelijke reconventie bestreden.
4.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in het Asklepios-arrest van 27 april 2017 (C-680/15 en C-681/15, ECLI:EU:C:2017:317) als uitgangspunt heeft gekozen dat een dynamisch incorporatiebeding overgaat op de verkrijger. De voorwaarde daarvoor is wel dat het nationale recht een wijziging met wederzijdse instemming of een eenzijdige wijziging mogelijk maakt. Het doet niet ter zake of het om een ondernemings-cao gaat of een bedrijfstak-cao en evenmin dat in de onderhavige arbeidsovereenkomst geen wijzigingsmogelijkheid is afgesproken. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1068, FNV/IDL) biedt artikel 7:611 BW Pro een volwaardige weg om tot wijziging te komen. De kantonrechter wijst de vorderingen in conventie toe, met dien verstande dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om een dwangsom op te leggen aan Prothya en de wettelijke verhoging matigt tot 35%, nu Prothya een standpunt heeft ingenomen dat op zichzelf verdedigbaar is. Omdat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toewijst, komt hij toe aan beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vordering. De kantonrechter oordeelt dat Prothya niet gerechtigd is de overeenkomst met [geïntimeerde] eenzijdig te wijzigen. Op grond van de aangevoerde omstandigheden is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een eenzijdige wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden. Ook kan redelijkerwijs geen instemming van [geïntimeerde] worden gevergd, mede gelet op het feit dat een cao meer zekerheid biedt dan een arbeidsvoorwaardenregeling. [geïntimeerde] handelt dan ook niet in strijd met zijn plicht tot goed werknemerschap door het voorstel van Prothya om in het vervolg de AVR op zijn arbeidsovereenkomst van toepassing te laten zijn, te weigeren. De kantonrechter wijst de vordering in voorwaardelijke reconventie af. De kantonrechter veroordeelt Prothya in de proceskosten van [geïntimeerde] in conventie en in reconventie.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
Prothya vordert primair dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] om alle betalingen die Prothya op grond van het bestreden vonnis heeft verricht, terug te betalen binnen veertien dagen na de dag van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair vordert Prothya dat het hof, mocht het de primaire vordering van Prothya afwijzen, het vonnis zal vernietigen en haar vordering in reconventie alsnog zal toewijzen. Zowel primair als subsidiair vordert Prothya dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten en rente; alsmede dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van Prothya afwijzen en het vonnis in principaal appel bekrachtigen. In incidenteel appel concludeert [geïntimeerde] tot vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Prothya tot voldoen van het verschuldigde loon met toepassing van een wettelijke verhoging van 50%. [geïntimeerde] vordert veroordeling van Prothya in de proceskosten in principaal en incidenteel appel, met nakosten en rente, alles uitvoerbaar bij voorraad.
5.3.
Prothya heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [geïntimeerde] en, opnieuw rechtdoende, de wettelijke verhoging vast te stellen op nihil dan wel een lager percentage dan 35%. Voorts heeft Prothya gevraagd om [geïntimeerde] (uitvoerbaar bij voorraad) te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel, inclusief nakosten en rente.
5.4.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stellingen.

6.Beoordeling

Principaal appel
6.1.
Prothya heeft de beslissing van de kantonrechter in hoger beroep bestreden onder aanvoering van veertien genummerde grieven.
6.2.
Grieven 1 t/m 7zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat (kort gezegd) het dynamisch incorporatiebeding zijn werking heeft behouden en de vorderingen in conventie toewijsbaar zijn. Met deze grieven bestrijdt Prothya vanuit verschillende invalshoeken de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan het Asklepios-arrest van de HvJEU alsmede aan het arrest FNV/IDL van de Hoge Raad en de toepassing door de kantonrechter van die uitspraken op de onderhavige zaak. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.3.
Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop dat een dynamisch incorporatiebeding dat van kracht is op het ogenblik van overgang van onderneming, in beginsel overgaat op de verkrijger. De verkrijger moet evenwel na de overgang de aanpassingen en veranderingen kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt. Meer in het bijzonder moet de verkrijger kunnen onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers. Het HvJEU overweegt in het Asklepios-arrest uitdrukkelijk dat aan dit vereiste is voldaan indien de verkrijger op grond van de nationale wettelijke regeling mogelijkheden heeft om de op het ogenblik van de overgang geldende arbeidsvoorwaarden na de overgang consensueel of eenzijdig te wijzigen. Hieruit blijkt dat het HvJEU (zoals ook door Prothya betoogd) in het Asklepios-arrest geen afstand heeft willen doen van zijn beslissing in het arrest Alemo-Herron e.a. van 18 juli 2013 (C-426/11, EU:C:2013:521,
Parkwood), maar tot uitdrukking heeft willen brengen dat de in het Parkwood-arrest benoemde belangen van de verkrijger bij een overgang voldoende zijn verzekerd indien sprake is van wijzigingsmogelijkheden onder het nationale recht. De kantonrechter heeft dit in het bestreden vonnis terecht tot uitgangspunt genomen. Anders dan Prothya betoogt, hoefde de kantonrechter daarom niet nader te onderzoeken of en welke fundamentele rechten van Prothya als verkrijger in het gedrang kwamen door het dynamisch incorporatiebeding, omdat de verkrijger die wijzigingsmogelijkheden onder het nationale recht heeft en daarmee de middelen in handen heeft om een einde te maken aan een eventuele inbreuk op die fundamentele rechten.
6.4.
Ook de klacht van Prothya dat de kantonrechter het arrest FNV/IDL ten onrechte onverkort heeft toegepast op de onderhavige zaak, treft geen doel. In dat arrest geeft de Hoge Raad in r.o. 3.4.1 en 3.4.2 eerst de aanpassingsmogelijkheden weer die de verkrijger naar nationaal recht heeft: een beroep op een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW Pro (in r.o. 3.4.1) dan wel – indien in de arbeidsovereenkomst geen wijzigingsbeding is opgenomen – de mogelijkheid om met een beroep op artikel 7:611 BW Pro een wijziging van de arbeidsvoorwaarden te bewerkstelligen (in r.o. 3.4.2). Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de in r.o. 3.4.1 en 3.4.2 weergegeven rechtspraak de werkgever voldoende doeltreffende mogelijkheden biedt indien de verkrijgende werkgever en de werknemer(s) geen overeenstemming kunnen bereiken over een door die werkgever voorgestelde aanpassing in de arbeidsovereenkomst. Voor het standpunt van Prothya – dat er kennelijk op neerkomt dat van een doeltreffende wijzigingsmogelijkheid slechts sprake is indien de verkrijger zowel op artikel 7:613 als Pro op 7:611 BW een beroep kan doen – biedt het arrest FNV/IDL naar het oordeel van het hof geen steun. Naar het oordeel van het hof ligt dat ook niet voor de hand, omdat ook reeds via de toepassing van artikel 7:611 BW Pro een voldoende ruime mogelijkheid tot eenzijdige wijziging bestaat, waarin de belangen van de verkrijger in geval van overgang van onderneming afdoende kunnen worden betrokken. Dat in het onderhavige geval sprake is van een ondernemings-cao (van een ander soort onderneming met een publieke taak) in plaats van een bedrijfstak-cao, zoals in het arrest FNV/IDL aan de orde was, maakt dit niet anders. Immers, ongeacht de wijze waarop en de mate waarin een dynamisch incorporatiebeding inbreuk maakt op de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger, geldt dat de verkrijger – of zij nu aan een ondernemings-cao of een bedrijfstak-cao gebonden is – op grond van de hiervoor genoemde rechtspraak de wijzigingsmogelijkheden op grond van het nationale recht kan benutten om aan die inbreuk een einde te maken. Het hof volgt Prothya niet in haar stelling dat zij zich in een Catch-22 situatie bevindt omdat zij op papier weliswaar een wijzigingsmogelijkheid heeft maar die wijziging op grond van artikel 7:611 BW Pro in dit geval niet mogelijk is (zodat er
de factogeen wijzigingsmogelijkheid bestaat). Dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] niet op grond van artikel 7:611 BW Pro gehouden is in te stemmen met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden, betekent niet dat er voor Prothya dus geen doeltreffende wijzigingsmogelijkheid beschikbaar is, maar slechts dat in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 7:611 BW Pro is voldaan.
6.5.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen. Er zijn geen andere dan de hiervoor besproken grieven aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn terecht toegewezen.
6.6.
Met
grieven 8 t/m 14bestrijdt Prothya het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet gehouden is in te stemmen met toepassing van de AVR en dat de vordering in reconventie daarom zal worden afgewezen. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Prothya betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden en dat instemming hiermee door [geïntimeerde] redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Volgens Prothya dienen alle drie vragen van Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD:1847) positief te worden beantwoord.
6.7.
Deze grieven slagen niet. Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat de werknemer in beginsel niet gehouden is voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Dat is evenwel anders als van de werknemer op grond van zijn verplichting om zich als goed werknemer te gedragen, onder omstandigheden gevergd kan worden toch met dat voorstel in te stemmen. Daarvoor is in de eerste plaats vereist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die tot een wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden noopt. Prothya betoogt dat de kantonrechter deze vraag ten onrechte ontkennend heeft beantwoord, omdat Prothya een arbeidsvoorwaardenpakket wil aanbieden dat bij haar organisatie (een internationale en concurrerende commerciële onderneming) past. Prothya heeft bovendien een gerechtvaardigd belang om haar medewerkers gelijk te belonen en tot harmonisatie van haar arbeidsvoorwaarden te komen, mede gelet op haar vrijheid van ondernemerschap, aldus Prothya. Het hof volgt Prothya daarin niet. Daartoe is redengevend dat Prothya haar werknemers begin 2023 zelf de keuze heeft geboden tussen de nieuwe AVR en de Cao. In het door Prothya gedane voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden lag dus al besloten dat Prothya bereid was om twee verschillende regimes van arbeidsvoorwaarden naast elkaar te hanteren: de AVR en (voor een steeds kleiner wordende groep werknemers) de Cao. Daaraan doet niet af dat Prothya er bij het doen van haar voorstel vanuit ging dat zij niet gehouden was opvolgende versies van de Cao’s toe te passen. Ook indien Prothya alleen de oorspronkelijk toepasselijke Cao had moeten toepassen, geldt immers dat zij er bij het doen van haar wijzigingsvoorstel zelf van uitging de komende jaren verschillende arbeidsvoorwaarden naast elkaar te zullen moeten toepassen, met alle administratieve gevolgen van dien. Het aanbod van Prothya kende ook geen beperking in tijd, waarmee zij heeft aanvaard dat zij gedurende langere tijd aan toepassing van twee arbeidsvoorwaardenregelingen naast elkaar gebonden zou zijn. Door Prothya is niet gesteld dat de omstandigheden nadien zodanig ingrijpend gewijzigd zouden zijn dat zij niet meer aan haar eerdere aanbod gebonden zou hoeven zijn. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat de wens van Prothya om tot harmonisatie van haar arbeidsvoorwaarden te komen en om haar medewerkers een arbeidsvoorwaardenpakket aan te bieden dat bij de organisatie past, zou moeten meebrengen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die tot wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden noopt. Het beroep van Prothya op haar vrijheid van ondernemerschap maakt dit niet anders, nu het aan Prothya is om aan te tonen dat de vragen van Stoof/Mammoet bevestigend moeten worden beantwoord. In het voorgaande ligt besloten dat zij daarin voor wat betreft de eerste vraag niet is geslaagd.
6.8.
De kantonrechter heeft ook de derde vraag, namelijk of instemming met het wijzigingsvoorstel redelijkerwijs van [geïntimeerde] kan worden gevergd, ontkennend beantwoord en daartoe overwogen dat een cao meer zekerheden biedt dan een arbeidsvoorwaardenregeling. Prothya bestrijdt dit oordeel met haar veertiende grief en voert daartoe aan dat zij haar medewerkers sinds de verzelfstandiging ieder jaar loonsverhoging heeft gegeven. Er is volgens Prothya geen reden om aan te nemen dat zij haar medewerkers in de toekomst geen loonsverhoging meer zal toekennen. Mede gelet op het feit dat de arbeidsvoorwaarden in de AVR vergelijkbaar zijn met die van de opvolgende cao’s, had van [geïntimeerde] redelijkerwijs gevergd kunnen worden dat hij instemt met de toepasselijkheid van de AVR, aldus Prothya. Ook deze grief faalt. Het hof overweegt dat de opvolgende cao’s tot stand komen door onderhandelingen met onafhankelijke vakbonden. De ondernemingsraad daarentegen handelt niet alleen in het belang van (een specifieke groep) werknemers en staat minder vrij en onafhankelijk tegenover de werkgever dan een onafhankelijke vakbond (vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:673). Naar het oordeel van het hof moet daarom ook de derde vraag van Stoof/Mammoet (of van [geïntimeerde] redelijkerwijs gevergd kon worden om in te stemmen met het voorstel om de AVR van toepassing te verklaren op zijn arbeidsovereenkomst) ontkennend worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede vraag – te weten of het voorstel tot toepassing van de AVR in plaats van de Cao redelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval – geldt dat de kantonrechter het antwoord daarop in het bestreden vonnis in het midden heeft gelaten, gelet op het ontkennende antwoord op de eerste en derde vraag van Stoof/Mammoet. De kantonrechter heeft dan ook (anders dan Prothya in het kader van haar dertiende grief aanvoert) niet geoordeeld dat het voorstel van Prothya geen redelijk voorstel is in de zin van artikel 7:611 BW Pro, zodat verdere bespreking van deze grief achterwege kan blijven. Dit geldt eveneens voor
grief 8, nu het hof zijn oordeel dat de eerste vraag van Stoof/Mammoet ontkennend moet worden beantwoord, anders dan de kantonrechter, niet mede baseert op de overweging dat geen andere alternatieven voor de bevroren cao of de AVR zijn aangeboden.
6.9.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de reconventionele vordering van Prothya terecht is afgewezen.
Incidenteel appel
6.10.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel een grief gericht tegen de matiging van de wettelijke verhoging tot 35%. Volgens [geïntimeerde] was het standpunt van Prothya niet verdedigbaar, zodat de wettelijke verhoging op 50% had moeten worden bepaald. Deze grief faalt. De argumenten van Prothya waren naar oordeel van het hof wel degelijk verdedigbaar, zeker nu de rechtspraak op dit gebied in beweging is en geenszins op ieder punt is uitgekristalliseerd. Het hof acht een matiging van de wettelijke verhoging tot 35% op haar plaats. Het verweer van Prothya tegen de wettelijke verhoging faalt. Zij was in gebreke bij de betaling van het verschuldigde salaris en de niet-betaling kan haar naar het oordeel van het hof worden verweten. Voor afwijzing van de wettelijke verhoging is er daarom onvoldoende grond.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.11.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt in principaal en incidenteel appel bekrachtigd. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] , nu hij geen voldoende concreet bewijs heeft aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Prothya is in principaal appel in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in principaal appel. [geïntimeerde] wordt in incidenteel appel in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten van Prothya worden veroordeeld, die het hof (gelet op de zeer beperkte omvang van de rechtsstrijd in incidenteel appel) op nihil begroot. Het hof stelt de proceskosten van [geïntimeerde] in principaal appel als volgt vast:
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 2.942,00

7.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel appel:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt Prothya in de proceskosten van [geïntimeerde] in principaal appel, tot nu vastgesteld op € 2.942,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt Prothya tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in incidenteel appel, tot nu aan de zijde van Prothya vastgesteld op nihil;
7.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. R.L. de Graaff, mr. H.T. van der Meer en mr. F.J. Bloem en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.