Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
Parkwood), maar tot uitdrukking heeft willen brengen dat de in het Parkwood-arrest benoemde belangen van de verkrijger bij een overgang voldoende zijn verzekerd indien sprake is van wijzigingsmogelijkheden onder het nationale recht. De kantonrechter heeft dit in het bestreden vonnis terecht tot uitgangspunt genomen. Anders dan Prothya betoogt, hoefde de kantonrechter daarom niet nader te onderzoeken of en welke fundamentele rechten van Prothya als verkrijger in het gedrang kwamen door het dynamisch incorporatiebeding, omdat de verkrijger die wijzigingsmogelijkheden onder het nationale recht heeft en daarmee de middelen in handen heeft om een einde te maken aan een eventuele inbreuk op die fundamentele rechten.
de factogeen wijzigingsmogelijkheid bestaat). Dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] niet op grond van artikel 7:611 BW Pro gehouden is in te stemmen met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden, betekent niet dat er voor Prothya dus geen doeltreffende wijzigingsmogelijkheid beschikbaar is, maar slechts dat in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 7:611 BW Pro is voldaan.
grieven 8 t/m 14bestrijdt Prothya het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet gehouden is in te stemmen met toepassing van de AVR en dat de vordering in reconventie daarom zal worden afgewezen. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Prothya betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een wijziging van de afgesproken arbeidsvoorwaarden en dat instemming hiermee door [geïntimeerde] redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Volgens Prothya dienen alle drie vragen van Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD:1847) positief te worden beantwoord.
grief 8, nu het hof zijn oordeel dat de eerste vraag van Stoof/Mammoet ontkennend moet worden beantwoord, anders dan de kantonrechter, niet mede baseert op de overweging dat geen andere alternatieven voor de bevroren cao of de AVR zijn aangeboden.