De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 21 maart 2021 in Amsterdam niet voldeed aan de verplichting om op eerste vordering een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. De kantonrechter had hem hiervoor veroordeeld, maar het hof kwam tot een andere beoordeling.
Tijdens het hoger beroep stelde de raadsman dat niet kon worden vastgesteld dat de vordering tot inzage noodzakelijk was voor de redelijke taakuitoefening van de vorderende ambtenaar. Het hof overwoog dat op grond van artikel 447e Sr de vordering slechts rechtens gegeven kan worden als deze noodzakelijk is voor een redelijke taakuitoefening. Het proces-verbaal vermeldde echter alleen dat de vordering op de Weteringschans werd gedaan, zonder nadere feiten of omstandigheden die de noodzaak konden onderbouwen.
Gezien de onduidelijkheid over de locatie en het voorafgaande handelen van de verdachte, kon het hof de noodzaak van de vordering niet concreet vaststellen. Daardoor was niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte verplicht was zijn identiteitsdocument ter inzage aan te bieden. Het hof vernietigde het vonnis en sprak de verdachte vrij.