ECLI:NL:GHAMS:2025:3613

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/3563
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake teruggaafverzoek bpm en onrechtmatige overheidsdaad

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende, [X], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2024, waarin het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk werd verklaard voor zover het betreft een verzoek tot ambtshalve vermindering van een naheffingsaanslag bpm en ongegrond voor het verzoek tot teruggaaf van die belasting. De rechtbank had geoordeeld dat de bezwaartermijn was overschreden. Belanghebbende heeft in hoger beroep een beroepschrift ingediend, waarna de inspecteur van de Belastingdienst een verweerschrift heeft ingediend. Het onderzoek is gesloten op 13 oktober 2025 zonder dat partijen een zitting hebben gewenst.

De feiten van de zaak zijn als volgt: de inspecteur heeft op 19 september 2018 een naheffingsaanslag bpm opgelegd aan belanghebbende, die in Nederland woonde en met een Duitse auto gebruik maakte van de weg. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de bezwaartermijn was overschreden. Belanghebbende heeft vervolgens verzocht om teruggaaf van bpm, maar dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen. In hoger beroep is de vraag of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de inspecteur terecht geen schadevergoeding heeft toegewezen aan belanghebbende wegens onrechtmatige overheidsdaad.

Het Hof heeft geoordeeld dat de rechtbank de beslissing van de inspecteur van 24 september 2021 niet juist heeft beoordeeld en dat de afwijzing van het teruggaafverzoek van 13 oktober 2021 ook niet correct was. Het Hof heeft de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de eerste aanleg. Daarnaast is de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3563
28 oktober 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. F. Jagersma)
tegen de uitspraak van 2 oktober 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/2377 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en

1.de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2.
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het beroep van belanghebbende nietontvankelijk verklaard voor zover het betreft een verzoek tot ambtshalve vermindering van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) en ongegrond verklaard voor zover het een verzoek tot teruggaaf van die belasting betreft.
1.2.
Belanghebbende in hoger beroep een beroepschrift ingediend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarna een nader stuk ingediend.
1.3.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen de wens kenbaar gemaakt om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek is op 13 oktober 2025 gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 19 september 2018 een naheffingsaanslag bpm aan belanghebbende opgelegd van € 8.599, verhoogd met een boete van € 859 en belastingrente (hierna: de naheffingsaanslag). De grond voor het opleggen van de naheffingsaanslag is de constatering bij negen controles in de periode van 6 juni 2018 tot en met 10 augustus 2018 dat belanghebbende met een Volkswagen Golf 2.0 TDI GTD met Duits kenteken [kenteken] en meldcode [0000] (hierna: de auto) van de weg in Nederland gebruik maakte, terwijl hij in Nederland woonde (artikel 1, lid 6, Wet bpm 1992).
2.2.
Tegen de naheffingsaanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De rechtbank Noord-Holland heeft dat beroep gegrond verklaard, niet op inhoudelijke gronden, maar omdat de rechtbank ambtshalve heeft geconstateerd dat de bezwaartermijn was overschreden. Daarom heeft de rechtbank het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard (uitspraak van 18 januari 2021, kenmerk HAA 20/3050). Belanghebbende heeft zijn tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep ingetrokken.
2.3.
Bij brief van 12 maart 2021 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van een deel van de bij de naheffingsaanslag geheven bpm. Daartoe is aangevoerd dat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden doordat bpm is geheven zonder rekening te houden met het tijdelijke, niet-duurzame gebruik van de auto in Nederland. Belanghebbende heeft verder gesteld de auto te hebben gehuurd bij [bedrijf 1] in [plaats] , die de auto op haar beurt zou hebben gehuurd bij een verhuurder uit [plaats B] . Bij het verzoek is ter staving van die stelling een artikel gevoegd uit Het Parool, waarin de sluiting van [bedrijf 1] door de burgermeester van [plaats C] wordt gemeld vanwege stelselmatige onderverhuur van in Duitsland gehuurde auto’s aan criminelen. Belanghebbende heeft de inspecteur vervolgens primair verzocht om de naheffingsaanslag te vernietigen en subsidiair om een teruggaaf van bpm te verlenen die is berekend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 14b, lid 1, van de Wet bpm 1992. Het verzoek strekt zich mede tot de bij de naheffingsaanslag opgelegde boete uit.
2.4.
Bij brief van 24 september 2021, betreffende “verzoek ambtshalve vermindering”, heeft de inspecteur de in 2.3 bedoelde verzoeken van belanghebbende afgewezen. De brief eindigt met:
“Ik wijs het door u gedane verzoek ambtshalve vermindering van de
naheffingsaanslag bpm af.
Tegen mijn beslissing staan geen rechtsmiddelen open.”
2.5.
In een brief met dagtekening 30 september 2021 heeft belanghebbende de inspecteur ervan verwittigt dat zijn in 2.3 bedoelde subsidiaire verzoek niet een verzoek inhoudt tot vermindering van de naheffingsaanslag, maar een verzoek tot teruggaaf van bpm is waarop de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking moet beslissen. Belanghebbende stelt in die brief voorts dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op het verzoek tot teruggaaf. Om die reden heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog binnen vijftien dagen te beslissen op het verzoek tot teruggaaf van bpm. Daarnaast bevat de brief een verzoek aan de ontvanger om de teruggaaf te verrekenen met het openstaande bedrag op de naheffingsaanslag per de datum van de naheffingsaanslag, zodat geen invorderingsrente en kosten verschuldigd zijn. Bovendien heeft belanghebbende de inspecteur of althans de Staat aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade, begroot op ten minste € 13.970. Ten slotte is in de brief vermeld dat de inspecteur gehouden is de integrale kosten van verdere bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedures aan belanghebbende te vergoeden, omdat een afwijzende beslissing op het verzoek van belanghebbende evident geen stand kan houden en de inspecteur in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld.
2.6.
Bij brief van 11 oktober 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende bericht dat hij op 24 september 2021 reeds op het verzoek tot teruggaaf heeft beslist.
2.7.
In een brief aan belanghebbende van 13 oktober 2021 heeft de inspecteur uitgebreider gereageerd op de in 2.5 bedoelde brief van belanghebbende. Daarin schrijft de inspecteur (i) dat een verzoek tot teruggaaf van bpm op de voet van artikel 14a, lid 2, van de Wet bpm 1992 (ook) is afgewezen, omdat niet is gebleken van een tijdig gedaan verzoek, (ii) dat geen recht bestaat op een dwangsom, en (iii) dat de inspecteur meent niet gehouden te zijn een schadevergoeding aan belanghebbende te betalen. Als toelichting is onder meer gegeven:
“In uw schrijven van 12 maart 2021 sprak u van een verrekening in de zin van artikel 14b van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet bpm). Op basis hiervan was het voor mij niet duidelijk dat u een verzoek tot teruggaaf wenste op grond van artikel 14a van de Wet bpm. Nu u het één en ander in uw brief van 30 september 2021 nader heeft toegelicht, wil ik het volgende hierover opmerken.”
2.8.
Bij brief van 4 november 2021, ingekomen bij de inspecteur op 8 november 2021, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt primair tegen het besluit van de inspecteur van 24 september 2021 (zie 2.4) en subsidiair tegen het besluit van 13 oktober 2021 (zie 2.7). In het bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter (artikel 7:1a van de Awb). Verder is vermeld dat in het bezwaar de vraag centraal staat of de inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf van bpm moet verlenen vanwege schending van het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel.
2.9.
Bij brief van 13 april 2022, ingekomen bij de inspecteur op 15 april 2022, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op het in 2.8 bedoelde bezwaarschrift en gesommeerd dat alsnog binnen vijftien dagen te doen.
2.10.
Bij brief aan belanghebbende van 26 april 2022 heeft de inspecteur ingestemd met een rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, conform het verzoek van belanghebbende. In die brief is vermeld dat de ingebrekestelling “hiermede [is] komen te vervallen.” Per brief van dezelfde datum heeft de inspecteur het bezwaarschrift aan de rechtbank doorgestuurd.
2.11.
Bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de inspecteur betreffende de auto een uitdraai van voertuiggegevens overgelegd. Daarin is onder vermeld dat de auto op 3 januari 2019 is ingeschreven in het (Nederlandse) kentekenregister en dat het afgegeven kenteken op diezelfde dag op naam van [bedrijf 2] B.V. is gesteld.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of:
de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het is gericht tegen de beslissing van de inspecteur van 24 september 2021 (zie 2.4);
de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard voor zover het is gericht tegen de beslissing van de inspecteur van 13 oktober 2021 (zie 2.7);
de rechtbank de inspecteur terecht niet heeft veroordeeld tot vergoeding van geleden schade aan belanghebbende door een onrechtmatige overheidsdaad;
de rechtbank terecht een bijzondere omstandigheid heeft aangenomen om het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van een belastinggeschil in eerste aanleg af te wijzen;
de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen, en
de rechtbank de inspecteur terecht niet in de proceskosten van belanghebbende heeft veroordeeld en de inspecteur terecht niet heeft opgedragen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

4.Beoordeling van het hoger beroep

De beslissing van 24 september 2021
4.1.
Volgens belanghebbende heeft de rechtbank miskend dat hij tegen de beslissing van de inspecteur van 24 september 2021 bezwaar heeft gemaakt indien en voor zover die beslissing moet worden opgevat als een voor bezwaar vatbare afwijzing van een verzoek om teruggaaf. De rechtbank had daarom moeten onderzoeken of de beslissing van 24 september 2021 moet worden geacht mede een dergelijke afwijzing te behelzen.
4.2.
De in 4.1 weergegeven klacht faalt. De inhoud van de beslissing van 24 september 2021 laat geen andere uitleg toe dan dat zij een beslissing inhoudt op een verzoek tot ambtshalve vermindering. Die uitleg ligt tevens besloten in de door de rechtbank gebezigde grond om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover dat over de beslissing van 24 september 2021 gaat.
De afwijzing van het teruggaafverzoek bpm van 13 oktober 2021
4.3.
Voor zover het beroep de beslissing van de inspecteur van 13 oktober 2021 betreft, heeft de rechtbank volgens belanghebbende miskend dat de termijn van dertien weken waarbinnen op grond van artikel 4b, lid 1, onder c, van het Uitvoeringsbesluit bpm 1992 om teruggaaf van bpm moet worden verzocht, toepassing mist na een naheffing van bpm. Bovendien dient, aldus nog steeds belanghebbende, in aanmerking te worden genomen dat (i) de naheffingsaanslag in strijd met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel is vastgesteld, (ii) een wettelijke regeling voor het toepassen van dat evenredigheidsbeginsel bij naheffing van bpm ontbreekt en (iii) over de wijze waarop de rechter in dat gebrek kan voorzien, onduidelijkheid bestaat. Aansluiting zou moeten worden gezocht bij de termijn van vijf jaar die geldt voor verzoeken om ambtshalve teruggaaf van belasting (artikel 23, lid 9, van het Besluit fiscaal bestuursrecht).
4.4.
De in 4.3 weergegeven klachten falen eveneens. De in artikel 4b, lid 1, onder c, van het Uitvoeringsbesluit bpm 1992 vermelde termijn van dertien weken geldt niet alleen wanneer de verschuldigde bpm voor het feitelijk ter beschikking staan van een niet-ingeschreven motorrijtuig is geheven bij wege van voldoening op aangifte, maar ook wanneer die bpm is geheven door het vaststellen van een naheffingsaanslag. Er bestaat immers geen enkele aanwijzing dat de wetgever met ‘geheven’ in artikel 14a, lid 2, van de Wet bpm 1992 enkel ‘voldaan op aangifte’ heeft bedoeld. Het was voor belanghebbende verder niet uiterst moeilijk of onmogelijk het teruggaafverzoek binnen de termijn van dertien weken te doen als de auto inderdaad op 12 augustus 2018 zou zijn teruggegaan naar Duitsland. Immers, ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag, op 19 september 2018, resteerden nog ruim zeven weken van die termijn. Ten slotte valt niet in te zien waarom een schending van het evenredigheidsbeginsel bij het vaststellen van de naheffingsaanslag zou moeten leiden tot een langere termijn voor het doen van een teruggaafverzoek. Overigens is van een dergelijke schending ook geen sprake. Immers, (een bestemming voor) feitelijk duurzaam gebruik van de auto in Nederland vanaf juni 2018 is alleszins aannemelijk, in aanmerking genomen (i) dat belanghebbende in ruim twee maanden tijd negen keer staande is gehouden met de auto, (ii) dat hij desondanks kennelijk op geen enkel moment reden heeft gezien op de juiste wijze een beroep te doen op de vrijstelling voor kortdurend gebruik, en (iii) de huurconstructie die volgens belanghebbende voor de auto is gehanteerd (zie 2.3). Dat geldt temeer in combinatie met de registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister per 3 januari 2019 (zie 2.11).
Schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad
4.5.
De oordelen in 4.2 en 4.4 brengen tevens mee dat klacht van belanghebbende faalt dat de rechtbank de inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van geleden schade door een onrechtmatige besluitvorming. Immers, op grond van artikel 8:73 (oud) van de Awb is in deze procedure slechts plaats voor een beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding wegens een onrechtmatige overheidsdaad indien het beroep gegrond zou zijn.
Dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar
4.6.
Tot een gegrond hoger beroep leidt evenmin de klacht van belanghebbende dat de rechtbank niet expliciet heeft beoordeeld of de inspecteur wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift de maximale dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd. De inspecteur heeft dat bezwaarschrift, binnen twee weken na de ontvangst op 15 april 2022 van een ingebrekestelling van belanghebbende, naar de rechtbank doorgestuurd ter behandeling als beroepschrift, conform het verzoek van belanghebbende (zie 2.8 tot en met 2.10). Daarmee is de bezwaarschriftprocedure tot een einde gekomen voordat de inspecteur een dwangsom had verbeurd. Voor de periode daarna geldt dat de inspecteur niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Immers, die uitspraak hoefde hij niet meer te doen. Een dwangsom kan hij voor die periode derhalve ook niet hebben verbeurd.
Overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg
4.7.
Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, klaagt belanghebbende dat de rechtbank hem ten onrechte heeft verweten dat hij had kunnen en moeten weten dat het beroep nergens toe kon leiden. De overschrijding van de redelijke termijn – met elf maanden – is geheel en al aan de rechtbank te wijten, aldus belanghebbende.
4.8.
De in 4.7 weergegeven klacht slaagt. Het Hof ziet onvoldoende basis voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid die niet-toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg rechtvaardigt. Het is in elk geval niet voldoende dat de standpunten die belanghebbende heeft ingenomen weinig kansrijk zijn en dat belanghebbende of zijn gemachtigde zich daarvan bewust had moeten zijn. Het Hof zal de Staat alsnog veroordelen tot vergoeding van € 1.000 immateriële schade.
De vergoeding van proceskosten en griffierecht voor de beroepsfase
4.9.
De klacht van belanghebbende dat de rechtbank de inspecteur had dienen te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en betaald griffierecht, faalt reeds omdat de rechtbank het beroep terecht niet gegrond heeft verklaard en geen andere omstandigheden aan het licht zijn gekomen die reden geven de inspecteur tot vergoeding van proceskosten of griffierecht te veroordelen.
Slotsom
4.10.
De bestreden uitspraak moet worden vernietigd in verband met het ontbreken van een veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep is daarom (in zoverre) gegrond.

5.Kosten

Aanleiding bestaat de Staat te veroordelen in de kosten van belanghebbende, meer bepaald die voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Die kosten stelt het Hof vast op (1 * € 907 * 0,25 =) € 227 voor het geding in beroep. Voor de toepassing van artikel 19a, lid 2, van de Wet bpm 1992 in hoger beroep heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd en onweersproken gesteld dat de advocaat-gemachtigde niet werkt met een bedrijfsmodel op basis van
no cure, no pay. De vermenigvuldigingsfactoren in die bepaling kunnen vanwege die bijzondere omstandigheid achterwege blijven. Omdat belanghebbende in hoger beroep slechts op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk wordt gesteld, bestaat wel reden om de overeenkomstig het forfait te vergoeden kosten van (1 * € 907 * 0,5 =) € 454 op de voet van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht te matigen tot € 227. Het totaal door de Staat te vergoeden bedrag aan kosten bedraagt daarom € 454. Daarnaast zal de Staat worden gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep te vergoeden.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch alleen voor zover daarin het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg is afgewezen;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding aan belanghebbende van de door de lange duur van de procedure in eerste aanleg ontstane immateriële schade, vastgesteld op € 1.000;
  • gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 184 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep heeft betaald en het griffierecht van € 279 dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald, en
  • veroordeelt de Staat in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en in hoger beroep, vastgesteld op € 454 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 28 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: