ECLI:NL:GHAMS:2025:3224

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
23-000559-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vonnis in hoger beroep inzake seksueel misbruik van stiefdochter en stiefkleindochters met aanpassing van kwalificaties en straffen

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 4 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2023. De verdachte, geboren in 1966, is beschuldigd van seksueel misbruik van zijn stiefdochter en vier stiefkleindochters. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van enkele aanpassingen in de kwalificaties, straffen en vorderingen van benadeelde partijen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig en veelvuldig seksueel misbruik gedurende meer dan tien jaar, waarbij de slachtoffers zich in de beslotenheid van de familie onveilig voelden. Het hof heeft de straffen en maatregelen bepaald op basis van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 3 maanden, met een contactverbod en een locatieverbod van 500 meter rondom de slachtoffers. Daarnaast zijn er schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, die lijden aan psychische gevolgen van het misbruik. Het hof heeft ook overwogen dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, wat heeft geleid tot een strafvermindering. De zaak benadrukt de impact van seksueel misbruik binnen de familie en de noodzaak van bescherming van de slachtoffers.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000559-23
datum uitspraak: 4 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-301750-21 (A) en 13-151701-22 (B) en 13-225406-22 (C) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1966,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2023, 28 november 2024, 20 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsman, de advocaten van de benadeelde partijen en de wettelijk vertegenwoordigster van de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit dus bevestigen behalve ten aanzien van:
  • de kwalificaties;
  • de strafoplegging en de motivering daarvan;
  • de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen; en
  • de beslissingen omtrent het beslag
- in zoverre zal het vonnis worden vernietigd -
en met dien verstande dat het hof:
  • de overwegingen van de rechtbank onder “4.4 Het oordeel van de rechtbank” die betrekking hebben op het onderzoek door de rechtspsycholoog naar de verklaringen van respectievelijk [benadeelde 2] (Zaak A feit 1 t/m 3) en [benadeelde 3] (Zaak A feit 4) verplaatst naar de overwegingen die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Dat betekent dat de overweging van de rechtbank op pagina 4, laatste alinea, wordt verplaatst naar pagina 3, onder de tweede alinea, en de overweging op pagina 6, derde alinea, wordt verplaatst naar pagina 5, onder de vijfde alinea. Ten aanzien van [benadeelde 1] (zaak B) wijzigt het hof de eerste zin van de derde alinea op pagina 9 in de volgende: “De rechtbank acht de verklaring van [benadeelde 1] betrouwbaar mede gelet op de bevindingen van de rechtspsycholoog over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] .”;
  • de overweging van de rechtbank op pagina 5, vierde alinea, die aanvangt met “Dat niet voor alle onderdelen” en eindigt met “verklaring van [benadeelde 2] ”, schrapt;
  • aanvullende overwegingen opneemt over de betrouwbaarheid van de slachtoffers en over het schakelbewijs; en
  • de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met de artikelen 36b, 36c en 38v van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).

Bewijsoverwegingen

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de betrouwbaarheid van de slachtoffers wijst het hof op de in de hoger beroepsfase opgemaakte rapportage van drs. [deskundige 1] gedateerd op 9 mei 2024 betreffende de verklaringen van de aangeefsters. De deskundige concludeert dat er geen ondersteuning is voor de mogelijkheid dat sprake is van een bewuste onterechte beschuldiging van seksueel misbruik door de verdachte. Ook voor het scenario dat sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding ziet de deskundige, alhoewel zeker wat betreft [benadeelde 4] en [benadeelde 1] sprake is geweest van een risicovolle situatie, geen ondersteuning. De verklaringen van de minderjarige kinderen zijn behoorlijk verschillend en de kinderen beschrijven specifieke en zeer verschillende situaties.
Wat de raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van sturing, beïnvloeding en vermenging en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters brengt het hof mede gelet op voormelde rapportage niet tot een ander standpunt. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Schakelbewijs
Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455). Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen (vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303).
Het hof acht voor de bewezenverklaring van elk van de feiten mede redengevend de omstandigheid dat de verdachte bij de andere feiten is betrokken op grond van alle door de slachtoffers afgelegde verklaringen. Dit betekent dat het hof de verklaringen van alle aangeefsters over en weer als steunbewijs voor de bewezenverklaarde feiten zal gebruiken. Daarnaast zal het hof de bewijsmiddelen voor wat betreft het seksueel misbruik van [benadeelde 2] zoals tenlastegelegd in zaak A onder feit 2 en 3 ook gebruiken als steunbewijs voor wat in die zaak onder feit 1 ten laste is gelegd.
De wijze waarop en de omstandigheden waaronder de aangeefsters verklaren dat het misbruik heeft plaatsgevonden, komen op essentiële punten overeen, wat volgens het hof duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Dit gelet op het feit dat deze handelingen zich alle binnen de familie afspeelden, de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden (veelal tijdens het logeren of tijdens het klussen), de wijze waarop en de locatie waar deze plaatsvonden (vaak in het huis van de verdachte), de uitlatingen van de verdachte tegenover de aangeefsters, alsmede zijn gebruik van alcohol en bij vier van de vijf slachtoffers de overeenkomende leeftijd van de aangeefsters.
Het hof is dan ook van oordeel dat de bewijsmiddelen ten aanzien van alle feiten elkaar over en weer versterken en dus telkens redengevend zijn voor het bewijs van elk van die feiten.

Kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het in
zaak A onder 1 en 5tenlastegelegde:
telkens; met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of
mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het in
zaak A onder 2tenlastegelegde:
met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het in
zaak A onder 3 en 4tenlastegelegde:
telkens; met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen
plegen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het in
zaak Btenlastegelegde:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
ten aanzien van het in
zaak Ctenlastegelegde:
verkrachting
en
aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de op te leggen straf en maatregelen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 en een half jaar, rekening houdend met de overschrijving van de redelijke termijn in hoger beroep. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregelen als bedoeld in de artikelen 38v en 38z Sr oplegt.
De raadsman heeft ter terechtzitting gewezen op het feit dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsman benadrukt dat bij de verdachte geen relevante stoornissen zijn vastgesteld. Geen van de deskundigen die over de verdachte hebben gerapporteerd adviseren vergaande interventies. Een maatregel als terbeschikkingstelling is dan ook niet aan de orde.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ernstig en veelvuldig seksueel misbruiken van allereerst zijn stiefdochter [benadeelde 5] , destijds 19 jaar oud, en vervolgens zijn vier (zeer) jonge stiefkleindochters, alles bij elkaar gedurende een periode van meer dan tien jaar.
Kinderen en kleinkinderen horen zich bij uitstek veilig te voelen in de beslotenheid van de eigen (stief)familie. Het tegendeel was voor de slachtoffers echter het geval. Juist in de beslotenheid van de familie kon het misbruik door de verdachte jarenlang doorgaan. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt hoe geraffineerd de verdachte te werk is gegaan en hoe onveilig, ongelukkig en eenzaam de slachtoffers zich hebben gevoeld. [benadeelde 5] werd jarenlang niet geloofd. Zij heeft een zelfmoordpoging gedaan en ondervindt nog steeds de psychische gevolgen van het seksueel misbruik. [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn gediagnosticeerd met PTSS waarbij sprake is van een ernstige lijdensdruk. [benadeelde 1] is ook gediagnosticeerd met PTSS en [benadeelde 4] met een Andere gespecificeerde psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis. Allen hebben hiervoor behandelingen ondergaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten in de (jonge) jeugd slachtoffers onherstelbaar kan beschadigen. Hun gevoel van veiligheid is verwoest en hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Daarbij komt dat door het handelen van de verdachte de familie uit elkaar is gevallen en er tot op de dag van vandaag sprake is van ernstige spanningen tussen de verschillende familieleden.
Voor zijn laakbare gedrag en de gevolgen daarvan heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft alleen op twee onderdelen het seksuele misbruik bij [benadeelde 2] bekend; een bekentenis die lijkt te zijn ingegeven door het zeer sterke steunbewijs voor deze onderdelen.
Het hof heeft kennisgenomen van de verschillende deskundigenrapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder het rapport van de Reclassering Nederland van 16 oktober 2025, waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een straf zonder voorwaarden op te leggen. Wel wordt geadviseerd tot een contactverbod in het kader van artikel 38v Sr en wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr in overweging gegeven.
Gelet op al het bovenstaande waaronder de aard en de ernst van het misbruik, het aantal minderjarige slachtoffers, de lange duur van het misbruik en de houding van de verdachte, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in deze zaak het volgende. Voorop staat dat in artikel 6, eerste lid van het EVRM, het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis of eindarrest binnen twee jaren, en binnen zestien maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de verdachte sinds 6 november 2021 in voorarrest zit. Het vonnis is van 7 februari 2023. De procedure in eerste aanleg is daarmee binnen de redelijke termijn van 16 maanden afgerond. De verdachte heeft op 20 februari 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 4 december 2025. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat er in hoger beroep een overschrijding is geweest van de ook in hoger beroep op 16 maanden gestelde redelijke termijn met bijna een jaar en 5 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een strafvermindering van 9 maanden.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 7 jaar en 3 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Contact- en locatieverbod 38v Sr
Naast het opleggen van een langdurige gevangenisstraf ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren op te leggen, als bedoeld in artikel 38v Sr. Deze maatregel dient ter voorkoming van herhaling van soortgelijke strafbare feiten als in deze zaak, en betreft:
- een contactverbod met de slachtoffers; te weten [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 1] en [benadeelde 5] als ook
- een locatieverbod in een straal van 500 meter om de volgende adressen;
[adres 1] (adres [vertegenwoordiger 1] ) en
[adres 2] (adres [vertegenwoordiger 2] ),
met 7 dagen vervangende hechtenis per overtreding tot het hierna te melden maximum. Door oplegging van deze maatregel wordt de verdachte in het onverhoopte geval van de tenuitvoerlegging van die hechtenis alsdan telkens geconfronteerd met de gevolgen van hernieuwd belastend gedrag jegens de slachtoffers. Dit dient ertoe te leiden dat hij ervan wordt weerhouden opnieuw contact te zoeken met de slachtoffers en/of zich in de nabijheid van hun woning op te houden. Het hof heeft hierbij onder meer betrokken dat de Reclassering Nederland in het rapport van 16 oktober 2025 adviseert om aan de verdachte een contactverbod op te leggen.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel 38z Sr
Het hof ziet, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, daarnaast de noodzaak om de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen, waarbij het hof heeft betrokken dat de Reclassering Nederland in het rapport van 16 oktober 2025 in overweging geeft om aan de verdachte een dergelijke maatregel op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte na zijn gevangenisstraf, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht van de reclassering te stellen en eventueel te behandelen, zodat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een dergelijke maatregel is voldaan, nu aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Beslag

Onder verdachte zijn in beslag genomen twee geldbedragen ter hoogte van € 20.000,00 en
€ 1.420,00. Hiernaast zijn een balletjespistool en een telefoontoestel in beslag genomen.
De rechtbank heeft de telefoon en het balletjespistool onttrokken aan het verkeer en heeft de teruggave gelast van de beide geldbedragen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof overeenkomstig de rechtbank zal beslissen. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
Telefoon (G6117973)
Het hof zal de telefoon, die aan de verdachte toebehoort, onttrekken aan het verkeer, nu het feit met betrekking tot de telefoon is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Geldbedragen (G6120468 en G6118467)
Het hof zal de kennelijke schrijffout in het dictum van de rechtbank met betrekking tot het inbeslaggenomen bedrag van € 20.000,00 herstellen. Het hof zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de geldbedragen van € 20.000,00 en € 1.420,00.
Balletjespistool (G6120390)
Het hof zal met betrekking het balletjespistool de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het dossier geen grond biedt dit voorwerp verbeurd te verklaren dan wel te onttrekken aan het verkeer.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Algemene overweging over immateriële schade in geval van aantasting in de persoon op andere wijze
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt, voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit is aangetast in de persoon in op andere wijze. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 41.500,00, bestaande uit € 1.500,00 aan vergoeding van materiёle schade en € 40.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00 aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van (na wijziging) € 40.500,00. De vordering is al volgt opgebouwd:
Materiele schade (kleding) € 500,00
Immateriële schade € 40.000,00
TOTAAL € 40.500,00
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Materiёle schade
Dit deel van de vordering ziet op de materiёle schade die de benadeelde partij heeft geleden doordat haar kleding in de woning van de verdachte is achtergebleven en die kleding ondanks een verzoek daartoe niet aan haar is geretourneerd. Het hof is van oordeel dat onvoldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat sprake is van rechtstreekse schade. Om die reden zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelet op:
- enerzijds het geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis, beschreven in een brief van 21 december 2023 van [deskundige 2] , klinisch psycholoog, en [deskundige 3] , orthopedagoog in opleiding tot psycholoog NIP, verbonden aan [instelling 1] en
- anderzijds de aard en de ernst van de normschending en de zo voor de hand liggende nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW naar billijkheid op € 40.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de aard, de ernst, de duur en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
  • het feit dat het seksueel misbruik, dat mede bestond uit het seksueel binnendringen, op zeer jonge leeftijd een aanvang nam;
  • het familieverband waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond;
  • de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft (gehad) op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, waarvan blijkt uit de indringende slachtofferverklaring in hoger beroep;
  • de Rotterdamse schaal, deel B, ((Geobjectiveerd) geestelijk letsel) Hoofdstuk 14.2 Posttraumatische stressstoornis, categorie ernstig en
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [vertegenwoordiger 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 42.065,00, bestaande uit € 37.065,00 aan materiёle schade en
€ 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 6.505,00 aan materiёle schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor (na wijziging) een bedrag van € 34.214,82. De vordering is al volgt opgebouwd:
Materiele schade
Inkomstenderving € 28.560,00
Medische kosten € 654,82
Immateriële (shock)schade € 5.000,00
TOTAAL € 34.214,82
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde materiële schadevergoeding ter zake van inkomstenderving; deze levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Ten aanzien van de shockschade verzoekt de raadsman het hof om te oordelen zoals de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Materiёle schade
Medische kosten
Vaststaat dat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen, waarvoor zij behandeld wordt door een psycholoog. Daarmee is het rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de gemaakte medische kosten (zijnde de eigen bijdrage) een gegeven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.
Inkomstenderving
Voor het overige, te weten de gevorderde schadevergoeding ter zake van de gestelde inkomstenderving, is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de werkzaamheden van de benadeelde partij als zzp’er zich nog in de aanloopfase bevonden en dat omtrent de fiscale consequenties van een en ander onvoldoende is komen vast te staan. Nader onderzoek ten aanzien van dit deel van de vordering zou een te grote belasting van het strafproces betekenen. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan nog wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De immateriële schade die wordt gevorderd ziet op shockschade. Shockschade – psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf – komt in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien:
- de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden;
- deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, wat zich met name kan voordoen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf is gedood of gewond geraakt; en
- uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn als er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;
- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
In dit geval is de benadeelde partij op 26 april 2022 rechtstreeks geconfronteerd met een foto waarop het seksueel misbruik van haar dochter door de verdachte is vastgelegd. Op die foto was te zien dat haar zeer jonge dochter de verdachte pijpt.
Dit heeft haar hevig geschokt en psychische klachten veroorzaakt. Uit een in het geding gebrachte brief van 20 januari 2023 van [deskundige 4] , de behandelend psycholoog van de benadeelde partij, blijkt dat zij sinds oktober 2022 onder behandeling is vanwege ernstige depressieve klachten en een posttraumatische stressstoornis, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is. Uit een e-mailbericht van 13 november 2025 van [deskundige 4] wordt duidelijk dat vanwege de ernst van de problematiek behandeling in de BGZZ (basis GGZ) niet voldoende is, om welke reden de benadeelde partij inmiddels is doorverwezen naar de SGGZ (specialistische GGZ).
De benadeelde partij komt gelet op bovenstaande – in onderlinge samenhang beschouwd – in aanmerking voor toewijzing van vergoeding van shockschade. Het hof zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het BW naar billijkheid bepalen op de gevorderde € 5.000,00.
De verdachte is tot vergoeding hiervan gehouden zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (wettelijk vertegenwoordigster [vertegenwoordiger 1] )
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.000,00. bestaande uit € 1.000,00 aan vergoeding van materiёle schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van (na wijziging) € 10.000,00, geheel bestaande uit immateriële schadevergoeding
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelet op:
- enerzijds het geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis, beschreven in een brief van 21 december 2023 van [deskundige 2] , klinisch psycholoog, en [deskundige 5] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan [instelling 1] en
- anderzijds de aard en de ernst van de normschending en de zo voor de hand liggende nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW naar billijkheid op € 10.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de aard, de ernst, de duur en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
- het feit dat het seksueel misbruik op zeer jonge leeftijd een aanvang nam;
- het familieverband waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond;
- de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft (gehad) op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, waarvan blijkt uit de indringende slachtofferverklaring in hoger beroep;
- de Rotterdamse schaal, deel B, ((Geobjectiveerd) geestelijk letsel) Hoofdstuk 14.2 Posttraumatische stressstoornis, categorie ernstig en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] (wettelijk vertegenwoordigster [vertegenwoordiger 1] )
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.000,00, bestaande uit € 1.000,00 aan vergoeding van materiёle schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van (na wijziging) € 20.000,00, geheel bestaande uit immateriële schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelet op:
- enerzijds het geestelijk letsel, te weten een partiële posttraumatische stressstoornis, beschreven in een brief van 21 juni 2022 van orthopedagoog [deskundige 6] , GZ-psycholoog [deskundige 5] , psychotherapeut [deskundige 7] , systeemtherapeut [deskundige 8] , en psychotherapeut [deskundige 9] , allen verbonden aan [instelling 1] en
- anderzijds vanwege de aard en de ernst van de normschending en de zo voor de hand liggende nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef onder b, BW naar billijkheid op € 20.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de aard, de ernst, de duur en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
- het feit dat het seksueel misbruik, dat mede bestond uit het seksueel binnendringen, op zeer jonge leeftijd een aanvang nam;
- het familieverband waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond;
- de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft (gehad) op het dagelijkse leven van de benadeelde partij;
- de Rotterdamse schaal, deel B, ((Geobjectiveerd) geestelijk letsel) Hoofdstuk 14.2 Posttraumatische stressstoornis, categorie ernstig en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (wettelijk vertegenwoordigster [vertegenwoordiger 2] )
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,00. bestaande uit € 500,00 aan vergoeding van materiёle schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van (na wijziging) € 2.500,00, geheel bestaande uit immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te kennen te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelet op het geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis beschreven in een brief van 17 november 2025 van [deskundige 10] en [deskundige 11] , beiden als GZ-psycholoog en psychotherapeut verbonden aan Mediant Geestelijke Gezondheidszorg.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW naar billijkheid op € 2.500,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
- het feit dat het seksueel misbruik op zeer jonge leeftijd plaatsvond;
- het familieverband waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond;
- de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft (gehad) op het dagelijkse leven van de benadeelde partij hetgeen blijkt uit de indringende spreekrechtverklaringen van haar ouders ter terechtzitting in hoger beroep;
- de Rotterdamse schaal, deel B, ((Geobjectiveerd) geestelijk letsel) Hoofdstuk 14.2 Posttraumatische stressstoornis, categorie ernstig en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.000,00, geheel bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 12.000,00, geheel bestaande uit immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Immateriële schade
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Het hof verwijst hiertoe naar de spreekrecht verklaringen in eerste aanleg en in hoger beroep, waaruit blijkt dat zij nadien een zelfmoordpoging heeft gedaan door chloor te drinken, zij haar ouderlijk huis heeft verlaten, op straat heeft gezworven en onder behandeling is geweest bij de [instelling 2] en naar de brief van 11 november 2025, van [deskundige 12] , GZ psycholoog, verbonden aan [instelling 3] waaruit blijkt dat de benadeelde partij van 19 september 2022 tot op heden onder behandeling is.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW naar billijkheid op € 12.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de aard, de ernst, de duur en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
- het feit dat het seksueel misbruik op jonge leeftijd een aanvang nam;
- het familieverband waarbinnen het seksueel misbruik plaatsvond;
- de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft (gehad) op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, waarvan blijkt uit de slachtofferverklaringen in eerste aanleg en in hoger beroep;
- de Rotterdamse schaal, deel C, (Smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel) Hoofdstuk 15 Seksuele misdrijven, Verkrachting categorie ernstig en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis ten aanzien van
- de kwalificaties;
- de strafoplegging en de motivering daarvan;
- de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen; en
- de beslissingen omtrent het beslag;
en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur
van 7 (zeven) jaren en 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren:
- zich niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter om de adressen
[adres 1] en
[adres 2] ;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[benadeelde 2] , geboren [geboortedag 2] 2007
[benadeelde 3] , geboren [geboortedag 3] 2008
[benadeelde 4] , geboren [geboortedag 4] 2014
[benadeelde 1] geboren [geboortedag 5] 2011 en
[benadeelde 5] , geboren [geboortedag 6] 1989.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
een telefoon (G6117973).
Gelast de
teruggave aan rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van 20.000,00 euro (G6120468);
een geldbedrag van 1.420,00 euro (G6118467).
Gelast de
teruggave aan verdachtevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een balletjespistool (G6120390).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 40.000,00 (veertigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 40.000,00 (veertigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
160 (honderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 augustus 2017, zijnde het midden van de bewezenverklaarde periode.
Vordering van de benadeelde partij [vertegenwoordiger 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vertegenwoordiger 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.654,82 (vijfduizend zeshonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 654,82 (zeshonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vertegenwoordiger 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.654,82 (vijfduizend zeshonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 654,82 (zeshonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 juni 2023 en voor de immateriële schade op 26 april 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 november 2018, zijnde het midden van de bewezenverklaarde periode.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-301750-21 onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 juni 2021, zijnde het midden van de bewezenverklaarde periode.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-151701-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-151701-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 mei 2021, zijnde het midden van de bewezenverklaarde periode.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-225406-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-225406-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
48 (achtenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2009, zijnde het midden van de bewezenverklaarde periode.
Bevestigt het vonnis voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.H. Tiemens, mr. N. van der Wijngaart en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2025.
=========================================================================
[…]