In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, geboren in 1994, was aangeklaagd voor het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid hennep, namelijk 111,71 gram. Het hof heeft het verweer van de raadsman verworpen dat het ontbreken van een indicatieve test zou betekenen dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat de aangetroffen stof hennep betreft. Het hof heeft de bewijsoverwegingen van de politierechter overgenomen en aangevuld. De verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor een Opiumwet delict, wat van invloed was op de strafoplegging. De politierechter had een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken opgelegd, maar het hof heeft besloten om deze straf te bevestigen, met uitzondering van de bijzondere voorwaarden die aan de straf waren verbonden. Het hof heeft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen, waaronder zijn positieve ontwikkeling en werk als bezorger. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde taakstraf is gedeeltelijk toegewezen. Het hof heeft de vordering tenuitvoerlegging voor de taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, toegewezen, maar de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde hechtenis van vier weken is afgewezen. Het arrest is uitgesproken in een openbare zitting en is ondertekend door de rechters, met uitzondering van twee rechters die buiten staat waren om te ondertekenen.