Appellant vorderde herroeping van een eerder arrest waarin zijn vorderingen waren afgewezen. Hij stelde dat geïntimeerde bedrog had gepleegd door onjuiste stellingen over een lening van een derde partij. Het hof oordeelde dat appellant zijn vordering tot herroeping te laat had ingesteld, aangezien hij al ruim voor de termijn van drie maanden beschikte over de relevante informatie.
Zelfs als de vordering tijdig zou zijn geweest, ontbrak het aan feiten die een verdenking van bedrog rechtvaardigen. De administratieve verwerking van de betalingen in de grootboekrekeningen van de derde partij was onvoldoende om het bestaan van een lening te betwijfelen. De verklaring van een gevolmachtigde van de derde partij bevestigde dat de kosten uiteindelijk als vordering in de balans waren opgenomen.
Het hof concludeerde dat appellant misbruik van procesrecht maakte door de procedure te voeren met het doel geïntimeerde te schaden, mede gelet op een eerdere verklaring waaruit blijkt dat appellant meerdere procedures tegen geïntimeerde wilde starten uit wraak. Daarom werd appellant veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde, die ruim €47.865 bedroegen, inclusief een redelijke schatting van nog te maken kosten en griffierechten.
De vordering tot herroeping werd afgewezen, en appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten met wettelijke rente. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam op 22 juli 2025.