Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake witwassen van een geldbedrag van circa €5.350,-. De verdachte werd in eerste aanleg deels vrijgesproken en deels veroordeeld, maar het hof vernietigde het vonnis voor het aan het oordeel van het hof onderworpen deel.
De verdachte gaf een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geldbedrag dat in zijn woning werd aangetroffen. Hoewel het geld grotendeels bestond uit voor Nederland ongebruikelijke coupures, wat aanvankelijk een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen opleverde, vond het hof dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had verricht naar de alternatieve herkomst van het geld.
De raadsman pleitte primair voor vrijspraak en subsidiair voor het horen van een getuige en ontslag van rechtsvervolging. Het hof oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde witwassen. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het hof tot een andere beslissing kwam.