Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
4 november 2022 een herstelexploot heeft uitgebracht ten aanzien van [geïntimeerde 2] , is tegen haar verstek verleend.
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar (in hoger beroep verminderde) vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] . in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
3.Feiten
Woonplaats
Gebruik
4.Eerste aanleg
[geïntimeerde 1] zijn hoofdverblijf zal hebben in het gehuurde.
5.Beoordeling
(7 februari 2018, wederom 8 februari 2018 en 10 februari 2018). Volgens deze twee rapporten is [geïntimeerde 1] tijdens de observaties niet aangetroffen op de [straat 1] in [plaats 1] , is [geïntimeerde 1] op 7 februari 2018 aangetroffen op de [straat 2] te [plaats 1] en stond zijn bestelbus daar geparkeerd op 8 en 10 februari 2018. [geïntimeerde 1] meent dat op basis van deze vier korte observaties niet kan worden geconcludeerd dat hij het gehuurde heeft verlaten en woonachtig is op de [straat 2] te [plaats 1] . [geïntimeerde 1] heeft daaraan toegevoegd dat hij wel regelmatig op dat adres te vinden is, omdat zijn vriendin ( [naam 1] ) daar woont. Hij heeft een LAT-relatie met haar. [geïntimeerde 1] heeft benadrukt dat hij niet met haar samenwoont en dat hij (en zij) dat ook niet wil(len).
[geïntimeerde 1] . Zij zullen dus minder objectief verklaren in een getuigenverhoor. Aan hun verklaringen dient daarom minder waarde toe te komen dan aan de verklaringen van buurtbewoners en van de loodgieter die [appellant] heeft overgelegd en aan de getuigenverklaring van [naam 8] . Uit de verklaringen van buurtbewoners blijkt dat zij niet bekend zijn met bewoning door [geïntimeerde 1] van het gehuurde. Uit de getuigenverklaring van [naam 8] blijkt onder meer dat zij tijdens een huisbezoek aan het gehuurde (meteen na de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 juni 2021) heeft geconstateerd dat het gehuurde volledig was ingericht voor [geïntimeerde 2] . De conclusie van de kantonrechter had daarom moeten zijn dat [appellant] voldoende heeft aangetoond dat [geïntimeerde 1] niet daadwerkelijk zelf gebruik maakt van het gehuurde, aldus nog steeds [appellant] .
[geïntimeerde 1] niet, zodat hij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, aldus nog steeds [appellant] .